51 God is onveranderlijk II

Opnieuw moeten we constateren hoe ‘weinig’ besmetting veel verderft. Van daaruit klinkt ook het dringende: WEERSTA HET BEGIN! Niet om ons bang te maken. Wel om ons ernstig te waarschuwen: pas op, het gaat sluipenderwijs, heel langzaam, haast onopgemerkt, máár, als de eerste afwijking geaccepteerd wordt, dan volgen er meer, en meer, en groter, en sterker, ja, dan duurt het even of de deur gaat wagenwijd open voor allerlei wind van leer en bagger en perversheid van leven.

En de Schrift, en de geschiedenis, ze vormen en tonen één bewijs daarvan. De mens moet bewust, moedwillig de ogen ervoor sluiten om dat niet te zien. Daarom is het ook huiveringwekkend als de Heere getuigt, dat Hij vanwege de verhardheid en verstoktheid van het hart van de mens de ogen van de mensen verblindt zodat zij niet zien en niet opmerken en zich bekeren. En de mens kan niet anders dan erkennen: IK HEB NIET ANDERS GEWILD!

De Heere vraagt DIENENDE LIEFDE! Alle regels, die die dienende liefde en onderlinge dienstbaarheid bedreigen, of in een keurslijf dwingen, die die liefde beperken, moeten afgewezen worden. In het geloof is de mens door Christus in de vrijheid van het kindzijn geplaatst en daarin staat het ene kind niet hoger dan het andere kind en mag het ene kind nooit heersen over het andere kind. Niet individueel, niet collectief, niet georganiseerd. Het ambt van alle gelovigen staat voorop. Traditie en gewoonte en gegroeide praktijk mogen en kunnen geen wettelijke allures aannemen.

Telkens weer blijkt, dat ingevoerde praktijken, gewoontes, tradities, regels, die niét direct gebaseerd en in lijn zijn met het Woord van God gemakkelijk leiden tot oneigenlijke, dit is vreemde dienstbaarheid. In het geloof vertrouwt de gelovige op het ene Hoofd der kerk, onze Heere Jezus Christus, op Zijn volmaakt betrouwbare Woord. Het is onmogelijk, dat onderwerping aan menselijke regeltjes en gewoontes en traditie daar iets aan toe kunnen voegen. Integendeel, ze moeten als ongewenste indringers radicaal afgewezen worden.

Erkennen we de Heere Jezus Christus als het ene Hoofd van Zijn kerk? Dan erkennen we elkaar ook voluit als leden. Leden van het ene lichaam waar Christus Hoofd is. Waar leden elkaar niet aanvaarden en accepteren als leden, daar valt het lichaam uit elkaar en daar is de Heere Jezus niet het Hoofd. Ook niet waar het zo hard mogelijk geroepen en zoveel mogelijk herhaald wordt. Wie zijn echte leden? Wie zich voegt en buigt onder het betrouwbare Woord van het Hoofd, Jezus Christus. Wie zich laat leiden en weiden in de grazige weiden van het Woord.

Van David is opgetekend, dat David in zijn regering recht en gerechtigheid handhaafde. David, de man naar Gods hart. Hij week niet af, rechts noch links, alleen inzake Bathseba, de vrouw van Uria. Onveranderlijk. Hier zien we de mens opnieuw die vastheid en zekerheid zoekt, waarheid en recht bemint. Was David (dus) door alle mensen geliefd en bemind, om die reden? Wat dicht David zelf? We kunnen het lezen in Psalm 109, zie artikel 47. Nu willen we een andere Psalm noemen: Psalm 22.

Psalm 22:2 en 3: ‘Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, [van] de woorden mijns brullens? Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.’ vers 7-9: ‘Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, [zeggende]: Hij heeft [het] op de HEERE gewenteld, dat Hij hem [nu] uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!’ vers 13-19: ‘Vele varren hebben mij omsingeld, sterke [stieren] van Basan hebben mij omringd. Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, [als] een verscheurende en brullende leeuw. Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods. Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven. Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.’ vers 21 en 22: ‘Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds. Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.’

Dan zien we hierin, dat er maar niet een enkeling was als tegenstander, maar dat er velen waren. En David beschrijft heel beeldend de valsheid, de geslepenheid, de sluwheid, het geweld, waarmee zijn tegenstanders zich tegen hem keren. Niets is te dol om David maar dwars te zitten, hem tegen te werken, hem kapot te maken. Verdachtmakingen buitelen over elkaar heen. Dat David dit ondervonden heeft, is duidelijk. Dat zijn grote Zoon, Jezus Christus hetzelfde is aangedaan, veel dieper, veel ingrijpender, is duidelijk beschreven.

Van de Heere Jezus wordt openlijk betuigd, Mattheüs 22:15, 16: ‘Toen gingen de Farizeen heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in [Zijn] rede. En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en de weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet de persoon der mensen niet aan;’ Ook Nicodemus getuigt, Johannes 3:2: ‘Deze kwam des nachts tot Jezus, en zei tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.’

Het is uit het geheel duidelijk, dat Nicodemus meende wat hij zei. De Farizeeën en Herodianen zeiden de waarheid, maar huichelden met de waarheid om Jezus te misleiden. Hierin zien we, dat de duivel nergens voor terugschrikt om Jezus, ook Zijn kinderen, maar te misleiden en te verleiden om te VERANDEREN, om van de rechte, door God gewezen en geboden weg af te wijken. ZO IS DE DUIVELSE STRATEGIE! En velen verleidt hij en velen laten zich verleiden.

Ja, de duivel. Hij wéét als geen ander, dat God één is, onveranderlijk. En hij siddert! Zeker, het staat niet beschreven, dat de duivel toestemde, dat Job inderdaad om God Zelf Hem liefhad en diende, ondanks alle beproevingen. Maar het geloof van Job bewéés de nederlaag van de duivel en het levenseinde van Job bevestigde het. Ook David mocht temidden van veel beproevingen staande blijven in het geloof. De Heere Jezus mocht openlijk over de duivel zegevieren in alle verzoekingen. Daarom werd het graf van de Heere Jezus de baarmoeder van Zijn opstanding. De dood moest erkennen, dat hij verloren had, dat hij Jezus onmogelijk in de dood kon vasthouden.

De duivel siddert! Hij wéét dat God onveranderlijk is, ook in Zijn VLOEK! Zijn VLOEK in het paradijs! Dat die VLOEK voor hem verschrikkelijk is en zal zijn, eeuwig. Dat die VLOEK door niets of niemand kan worden teniet gedaan. Zeker, hij gaat vreselijk tekeer tegen ieder mens die gelooft, die zich vol vertrouwen overgeeft in Gods Vaderhanden. Maar het oordeel staat onwrikbaar vast, ONVERANDERLIJK!

Pasen: de Heere Jezus Christus IS opgestaan, zoals Hij gezegd heeft. Hij hééft alle macht in de hemel en op de aarde. Hij komt spoedig, zoals Hij beloofd heeft. Wees er vast van overtuigd, dat Hij méér naar de jongste dag verlangt en uitziet dan alle mensen bij elkaar. Hij betuigde Zelf, Johannes 17:24: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.’

Juist, en dan leren we verstaan het woord uit II Petrus 3:8: ‘Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.’ Ziet u ‘DIE’ ‘die Gij Mij gegeven hebt. Christus werkt en wacht tot ook de laatste is toegebracht, want de bruiloftszaal móet vol worden. Niemand mag gemist worden. Laten we niet de Heere daarop aanzien, maar zelf met grote schaamte erkennen, dat wij vaak zo ontstellend lauw en traag en zwak zijn. Welk een liefde, welk een geduld, welk een barmhartigheid. Maar laten ze straks niet tégen ons kunnen getuigen!

Want we zien ook het refrein in de Schrift: Ze haasten zich om af te wijken en te doen wat kwaad is in de ogen van de Heere. En weer, en weer, en weer. En als de mens dat leest en ziet, weer, en weer, en er geen lering uit trekt en moedwillig de ogen sluit en meent dat het zijn tijd wel zal duren. Ja, dan zal die dag hem overvallen, als een dief. Maar, of de mens wèl wil zien of niét wil zien, ieder mens zàl voor God verschijnen en verantwoording afleggen en geoordeeld worden, volmaakt rechtvaardig, want God oordeelt, naar Zijn eeuwig recht.

Daarom, klamp de Heere aan, verootmoedig u diep voor Hem, erken uw verdorvenheid en schuld en bekeer u met haast. Het is nòg genadetijd. Luister niet naar velen die u toeroepen dat God veranderd is, dat God de zonde niet meer zo erg vindt, dat God onze fantasieën ook wel mooi en goed vindt. U ziet en hoort toch elke dag weer, dat de mens zich in allerlei onmogelijke bochten wringt om zichzelf maar schoon te praten en geloofwaardig te achten? Voor het ogenblik, meer niet. Daarna zien we wel weer verder. Als er een daarna komt…..

Bestudeer het Woord, geloof het Woord, geloof de God van het Woord en neem de toevlucht tot onze Heere Jezus Christus en Zijn ene offer. Smeek de Heilige Geest, dat Hij uw hart vernieuwt en zuivert en heiligt naar Gods wil. De tijd is kort.

Het volgen van de Heere Jezus, van God, heeft gevolgen, hier en nu. De Heere Jezus heeft in een gelijkenis van Zichzelf getuigd, Mattheüs 21:33-45: ‘Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die de landlieden, en reisde buiten [`s lands]. Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen. En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben de een geslagen, en de andere gedood, en de derde gestenigd. Wederom zond hij andere dienstknechten, meer [in getal] dan de eersten, en zij deden hun desgelijks En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien. Maar de landlieden, de zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis [aan ons] behouden. En hem nemende, wierpen zij [hem] uit, buiten de wijngaard, en doodden [hem]. Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij die landlieden doen? Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwade dood aandoen, en zal de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven. Jezus zei tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt. En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.’

We lezen over de vervulling daarvan, Johannes 19:20: ‘Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, [en] in het Latijn.’

Laten we tenslotte nog zien wat de schrijver van de brief aan de Hebreeën op ingeven van de Heilige Geest zegt, Hebreeën 13:8-15: ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die [daarin] gewandeld hebben. Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen. Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.’

Welk een eer, indien de almachtige God ons tot die smaad verwaardigt, achter Jezus Christus aan. Laten we in vast geloof en vertrouwen die weg standvastig en onveranderlijk gaan. Tot Gods eer!

6 april 2013

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *