52 Eén lichaam I

Bij nadere bestudering van I Corinthe 12 blijkt mij, dat deze artikelen niet àf zijn, als ik niet met grote klèm benadruk, dat I Corinthe 13 – het hoofdstuk over de liefde! – èn bij I Corinthe 12, èn bij I Corinthe 14, als overkoepeling van die twee hoofdstukken moet staan. Ja, dat zònder liefde, waarachtige liefde, zoals in I Corinthe 13 in al haar veelzijdigheid en veelkleurigheid getekend wordt, I Corinthe 12 en 14 als gehandicapt blijven staan.

Dan blijkt des te meer, dat I Corinthe 13 – de LIEFDE – die beide hoofdstukken moet doortrèkken en doordrènken, nog sterker, dat zònder I Corinthe 13 ernstig tekort gedaan wordt aan het kennen en aan de doorwèrking ervan in de praktijk in elke gemeente, bij elke gelovige. Dat geldt ondertussen ook van de hele Bijbel: de LIEFDE moet de constante inspiratie vormen òm de goede strijd van het geloof volhardend te strijden.

Hoe moet die LIEFDE, die gebóden LIEFDE, telkens weer èigen kleinheid en beperktheid en kortheid benadrukken en onderstrepen, om zó in alle bescheidenheid de ontvangen gaven en talenten te ontwikkelen en in te zetten. Om zo ook aan al de andere leden alle ruimte en mogelijkheid te geven en te laten om hùn ontvangen gaven en talenten te ontwikkelen en in te zetten.

Ziende op de Heere Zelf, Die die gaven en talenten uitreikt en toedeelt, al naar dat het Hem goeddunkt. Scherp beseffend, dat Hij geen enkele verplichting tegenover iemand heeft, òm te geven of uit te delen. Tegelijk beseffend, dat de gave tegelijk òpgave betekent òm die ONTVANGEN gaven en talenten te gebruiken en in te zetten tot nut en heil van de andere leden. Tot eer en roem van de GEVER! Laten we er scherp op bedacht zijn om géén eerroof tegenover Hem te plegen, alsof wij onszelf hadden voorzien van enige gave of talent, noch van de inzet daarvan.

Met bovenstaande aanvulling wil ik graag dit ernstige verzuim opheffen.

11 januari 2017

Het lijkt ons om diverse redenen wenselijk om stil te staan bij de kerk, de gemeente. Vóór alles moet ons steeds weer vast voor ogen staan: Jezus Christus is het Hoofd, Hij alleen. De kerk, de gemeente, is het lichaam.

We lezen in I Corinthiërs 12:1-11: ‘En van de geestelijke [gaven], broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt. Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt. Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heere [te zijn], dan door de Heilige Geest. En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. Want deze wordt door de Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfde Geest; En een ander het geloof, door denzelfde Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfde Geest. En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen. Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.’

Vervolgens lezen we I Corinthiërs 12:12-27: ‘Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, [maar] één lichaam zijn, alzo ook Christus. Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt. Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele [leden]. Indien de voet zei: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam? En indien het oor zei: Dewijl ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam? Ware het gehele lichaam het oog, waar [zou] het gehoor [zijn]? Ware het gehele [lichaam] gehoor, waar [zou] de reuk [zijn]? Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. Waren zij alle [maar] één lid, waar [zou] het lichaam [zijn]? Maar nu zijn er wel vele leden, doch [maar] één lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node. Ja veeleer, de leden, die [ons] dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig. En die ons dunken de minst eerlijke [leden] des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke [leden] hebben overvloediger versiering. Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam [alzo] samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek [aan dezelve] heeft; Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede. En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.’

Daarna lezen we I Corinthiërs 12:28-31: ‘En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met [menigerlei] talen? Zijn zij allen uitleggers? Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.’

Wellicht vraagt u zich af waarom we het twaalfde hoofdstuk in drieën knipten. U ziet zeker, dat er drie verschillende aspecten belicht worden. Maar wilt u er vooral op letten, dat deze drie in een bepaalde VOLGORDE staan? Vervolgens, dat we die VOLGORDE steeds nauwkeurig moeten handhaven? OMDAT daarin en daaruit (het NIET handhaven ervan) zo onnoemelijk veel leed en ellende is voortgekomen en voortkomt? Voor de leden. Daarnaast onnoemelijke smaad en spot en laster voor het HOOFD, Jezus Christus.

En bedenk goed: nergens in de Schrift wordt door de Heere van deze VOLGORDE afgeweken.

De volgorde die de apostel Paulus, geïnspireerd door de Heilige Geest, uitgaande van de Vader en de Zoon, hier aangeeft is:
1. de verzen 1-11: Een enorme verscheidenheid aan GAVEN. De GEVER staat centraal: de Heilige Geest, God. Vervolgens: HOE? Soeverein aan de één die, aan de ander andere, aan de één meer, aan de ander minder, AL NAAR HIJ WIL! Denk aan de ponden, aan de talenten. Het doel? Tot eer en verheerlijking van de GEVER, in dienst van het HOOFD, tot stichting, opbouw van de gemeente, de andere leden.
2. de verzen 12-27: Eén lichaam, veel leden. Daarbij moeten we er vóór alles op letten, dat het lichaam ALTIJD wordt aangestuurd door het HOOFD. Bij ieder mens. Het hoofd overweegt, het hoofd overlegt, het hoofd beslist, rekening houdend met de mogelijkheden: wel of niet, altijd weer, hoe. En zoals het hoofd beslist, zo worden de leden door het hoofd aangestuurd en geactiveerd, alleen, in combinatie, afhankelijk van het doel. Vervolgens beoordeelt het hoofd de aktie, de uitwerking, vervolgens de noodzaak – wel of niet – van training, oefening, stimulans, om zo mogelijk een volgende keer tot een beter resultaat te komen. Maar het lichaam blijft één en de leden die niet direct geactiveerd worden werken nooit tegen, want het doel staat voor ogen. Even later moeten wellicht heel andere leden actief zijn. ZO is de gemeente, haar leden, voor het HOOFD, Christus. HIJ voegt toe, wie Hij wil, wanneer Hij wil, zolang Hij wil. Hij geeft gaven, soeverein, zie 1. Daarbij aan IEDER lid de opdracht om de ontvangen gaven zoveel mogelijk in te zetten, zie 1. Verder aan alle leden de opdracht dat ALLE beschikbare gaven zoveel als mogelijk worden ingezet. Ieder beseft, dat hierin en hierdoor de goede naam en zaak van alle andere leden zoveel als mogelijk bewaard en bevorderd worden. Tegelijk, dat er op elkaar wordt toegezien, dat er geen lid afdwaalt, in leer en/of leven. Het zó op en met elkaar betrokken zijn, dat alle leden meelijden met het ene lijdende lid en blij zijn met het ene blijde lid.
3. de verzen 28-31: ZO leidt het Hoofd, Jezus Christus, Zijn kerk, Zijn gemeente. Daartoe heeft hij dié als lid toegevoegd, met dié gaven, in dié tijd, zolang Hij wil. HIJ roept tot het bijzonder ambt, tot deze taak, tot die opdracht, ieder in het ambt van alle gelovigen. Maar HIJ roept, soeverein. Het doel van het Hoofd is duidelijk: kerkvergadering, in eenheid van het ware geloof, door Zijn Geest en Woord. Voltooiing van Zijn gemeente, Zijn bruid, de grote Bruiloft, volmaakt, eeuwig. Maar nooit, nergens is het HOOFD ook maar iets afhankelijk van leden, één lid, laat staan de gaven van het lid, nee, ook niet van de inzet of de verwaarlozing van die gaven. Daar moet ieder lid en alle leden samen zich ten volle van bewust zijn.

Vooreerst moeten we met nadruk stellen, dat de Heere dáártóé de aarde met alles erop en eraan schiep, de mens. God is sinds de zondeval NIET van doelstelling veranderd. Daarom, Openbaring 22:5: ‘En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.’ VOLMAAKT HERSTEL, alsof er nooit een zondeval had plaatsgehad.

De basis? LIEFDE! Zoals het was vóór de zondeval, tussen Schepper en schepsel, tussen de schepsels, zó zal het zijn ná de wederkomst, eeuwig, volmaakt. In déze bedeling het gebod: U zult de Heere, uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand, met al uw kracht en de naaste als u zelf. De naaste: alle mensen die God als naaste geeft, in het bijzonder de geloofsgenoten. Niet alleen met woorden, maar ook door onze daden bewìjzen.

Nu kunnen er wat opmerkingen komen: jaja, mooi gezegd, maar we leven hier en nu in een totaal gebroken wereld, met hopeloze verhoudingen, met velerlei zonden en gebreken en tekortkomingen, op elk vlak. En ook in de kerk is er vaak maar bitter weinig van te zien en te merken. Zeker. Zeker.

En met die wetenschap kunnen we weer overgaan tot de orde van de dag, en er verandert niets.

Maar u gelooft toch niet, dat God dáárom I Corinthiërs 12 heeft doen optekenen? Integendeel, hierin en hiermee heeft Hij de gelovigen, de kerken, de gemeenten geléérd en vóórgehouden WELKE ORDE en VOLGORDE zij te bewaren en te onderhouden hebben. Hiermee doet Hij een dringend en indringend beroep op ieders persoonlijke verantwoordelijkheid en op de verantwoordelijkheid van allen samen in alle verbanden.

Tegelijk leert de geschiedenis, dat het NIET bewaren van de GEBODEN VOLGORDE tot enorme misstanden en verwording heeft geleid. Dat zeggen we niet om ons daarmee te verhogen boven onze voorouders in de geschiedenis, ook niet tegenover anderen die die misstanden en verwording vandaag praktiseren en in stand houden. Wel, dat we nuchter worden, tot erkenning van de waarheid komen, ons bekeren en zó – waar mogelijk – onder Gods zegen tot beginnend herstel komen, ook doorgaand. Persoonlijk, gezamenlijk.

En laat het voor ieder persoonlijk, samen, heel duidelijk zijn: ALLE misstanden en onrecht die in 6000 jaar kerkgeschiedenis – vanaf onze zondeval – plaatsvonden en gebeurden en aangedaan werden, ze zijn NOOIT voor iemand een verontschuldiging, NOOIT een excuus, dat we daaraan meedoen, dat we het oogluikend of openlijk toelaten of zelfs er hardop onze instemming en medewerking aan verlenen. Voor God niet, voor elkaar niet. Nee, ook niet als de geschiedenis laat zien, dat het telkens weer gemakkelijk insloop en voortvrat en haar slachtoffers maakte en maakt.

Want we moeten telkens weer zien naar het begin, naar de toekomst. Toen en dan wordt die orde en volgorde volmaakt bewaard. We noemden hierboven Openbaring 22:5: ‘als koningen heersen in alle eeuwigheid.’ In volstrekte harmonie en zuiverheid! We zien Genesis 1:26: ‘En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.’ en Genesis 1:28: ‘En God zegende hen, en God zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!’ Duidelijk, heerschappij over elkaar als mensen is niet aan de orde, in het paradijs niet, op de nieuwe aarde niet.

Dan lezen we in Genesis 3:16: ‘Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.’ Dat is niet een nieuwe instelling van God, nee, dat is de vloek op de zonde: de man zal zich tegenover de vrouw misgaan en heersen, en hoe. Voorbeelden liggen voor het opscheppen. Maar zie ook, dat elk protest tégen wrede onderdrukking van de vrouw – waar ook ter wereld – niets baat zonder waarachtige bekering.

Hoe wordt op grond van de Schrift de man gebóden met zijn vrouw in de eerste plaats als zùster in het geloof te leven. Zeker, daarin en daarmee blijft de man het hoofd van zijn vrouw in het huwelijk, maar tegelijk zien we het gebod van de Heere om de vloek van Genesis 3:16 NIET in praktijk te brengen, zich daarin te beheersen. Verstandig leven met de vrouw, gelijkstaand in het geloof voor God. En zo ook als ouders tegenover de kinderen, als ze die krijgen.

Tegen deze duidelijke achtergrond moet het leven in de gemeente zijn, niet heersen, maar dienen. Niet eer en positie en voordeel en gemak van zichzelf in de eerste plaats zoeken of bewerken, maar met de doelstelling van het HOOFD elkaar dienen met de onderscheiden gaven die de Heere gaf en geeft.

We lezen vervolgens I Corinthiërs 14:26-40: ‘Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een [vreemde] taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting; En zo iemand een [vreemde] taal spreekt, [dat] het door twee, of ten meeste drie [geschiede], en bij beurte; en dat één het uitlegge. Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelf spreke, en tot God. En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. Doch indien een ander, die er zit, [iets] geopenbaard is, dat de eerste zwijge. Want gij kunt allen, de één na de ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden. En de geesten der profeten zijn de profeten onderworpen. Want God is geen [God] van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen. Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar [bevolen] onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken. Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen? Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn. Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend. Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in [vreemde] talen te spreken. Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.’

Orde in de gemeente, hoe noodzakelijk. Maar NOOIT mag vergeten worden, dat het handhaven van de orde in de gemeente de ORDE en VOLGORDE van I Corinthiërs 12 ontkracht of van haar eerste plaats verdringt. Nee, die ORDE en VOLGORDE moeten juist de orde in de gemeente bewerken en bevestigen, daarmee de eenheid en de vrede, onderling, samen. Niemand in de gemeente is volmaakt. Dat beseffend, erkennend, dringt het meteen tot grote bescheidenheid tegenover elkaar.

Dan zien we ook het duidelijke verband met Filippenzen 2:2-8: ‘Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed [en] van één gevoelen zijnde. [Doet] geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één de ander uitnemender dan zichzelf. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk [zie] ook op hetgeen der anderen is. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises.’

En zijn we nog niet overtuigd, dan wil ik u wijzen op Johannes 13:1-17: ‘En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. En als het avondmaal gedaan was, (toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons [zoon], Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou), Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, Stond op van het avondmaal, en legde [Zijn] klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelf. Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de linnen doek, waarmede Hij omgord was. Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zei tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen? Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. Petrus zei tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij. Simon Petrus zei tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd. Jezus zei tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: Gij zijt niet allen rein. Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zei tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb? Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.’

Zó blind, zó verblind, zó hardleers en eigenwijs zijn we, dat we zùlke lessen nodig hebben, die ons zó breedvoerig beschreven worden. En als we ze gelezen hebben tot de conclusie komen, dat we er niéts van geleerd hebben en er niéts van willen leren maar gewoon weer verder gaan met de praktijken die ons zo eigen zijn: IK, IK, IK, hier en nu koning, ook over mijn naasten, ook in de kerk, ook in de gemeente. En omdat ‘iedereen’ het doet en iedereen het goedvindt, ja …., ja …., komt bij ons de gedachte binnen, dat God, leest u goed, GOD! het ook wel goed zal vinden. Want het is toch ondenkbaar dat AL die mensen het niet zouden weten??? En Gods Woord, Gods geboden, ach, we, ze bedoelen het wel goed …..

wordt vervolgd

12 april 2013

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *