46d onzichtbaar: Goddelijke spot, duivels venijn

De artikelen 46a, 46b, 46c en 46d vormen één geheel.

12. Dan blijkt temeer de totale blindheid, de totale geestelijke blindheid van de mens sinds de zondeval. De mens, in al zijn hulpeloosheid blind in hier en nu, blind in wat gezien wordt, in wat beredeneerd wordt, in wat past in menselijke logica. En in die blindheid WEIGEREND te luisteren naar het Woord van de levende God, Die leven gaf, opdat de mens zou leven! De mens, die de dood verkoos en de geestelijke dood en het ‘leven daarin’ verklaart het LEVEN, het ECHTE LEVEN te zijn.

En alles wat daarin en daartoe kan helpen is geoorloofd. Ook over de rug van zwakken en hulpbehoevenden of rijken of leiders heen. Nee, we laten het even snel achter ons en we geven ons met haast over aan plezier en sport en spel, en vermaken ons met cartoons en conference en film en strip en humor en komiek en satire en wat er nog meer gemaakt en gebracht wordt om de mens te ‘vermaken’. Om ALLES – vooral alle ellende – éven te vergeten, om ons éven in dat vermaak te verliezen. En dan de napret daarover met anderen.

Hè, dat verzet de zinnen eens weer, dat doet ons toch weer wat vrolijker tegen de wereld en alle ellende daarin aankijken. In elk geval niet versomberen met elkaar!

Maar als we dat ‘vermaak’ inhoudelijk proeven, keuren, beoordelen? Als we daarin opmerken, dat het vaak tot spot en smaad van anderen gaat? Nee, niet serieus, maar gewoon om die ander tot een belachelijke karikatuur te maken, voor te stellen. En of de inhoudelijke informatie dan juist, vertekend, aangedikt of wat ook is, dat is bijzaak. WE WILLEN VERMAAK!!! En DIE kan het! En we ‘genieten’ met volle teugen, ja, we vertellen het graag door en het geheugen is ineens bijzonder groot om het te onthouden. En ‘iedereen’ vindt dit toch prachtig en ligt dubbel van het lachen?

Ja? Is dit HEILIG vermaak of DUIVELS (leed)vermaak? Tot eer van God, tot heil van de naaste òf alleen tot eigen vermaak en plezier waarin onze diepste drijfveren gestreeld en gestimuleerd worden? En als we er Gods goede Wet als Norm en Regel naast leggen, kan al dat vermaak – liggend onder die ene Norm! – die proef doorstaan?

Waarom schrijven we dit? Om een ander facet van de totale blindheid van de mens te tonen. Want de mens is ook in die blindheid nog weer blind en meent dat alle ellende hier en nu al de volledige vloek van God (als die al erkend wordt) toont en uitvoert. En dat doet de ogen des te meer dicht. Want, als je dan ‘geluk’ hebt, dan is er hier en nu toch ook nog wel wat van te maken en dan zijn er meerderen, velen, die aan het eind van hun leven hier en nu zeggen: we hebben een mooi leven gehad! En opnieuw wordt Gods BARMHARTIGHEID vergeten en verzwegen. Alles draait alleen om IK!

Nee, over ná het sterven zwijgen we het liefst. Of we geven ons over aan de beoordeling van onszelf, aan de beoordeling van geliefden, aan de beoordeling van geestelijke leiders, aan ….. En we zijn gerustgesteld: IEDEREEN! komt tot dezelfde beoordeling! Nu kunnen we rustig de ogen sluiten. Want ineens zit ons maar zo tussen de oren: als IEDEREEN mij zo beoordeelt, dan zal Gods beoordeling ook wel zo zijn. En ….. God is liefde, en ….. God wil het behoud van zondaren, niet hun dood, en ….. ik heb toch goed opgepast, iedereen recht gedaan, en ….. iedereen vindt mij toch geweldig aardig en lief en zorgzaam en goed en …..

Voor we het weten hebben we Gods VLOEKwoord weer van alle kracht beroofd en als nietszeggend en zonder inhoud aan de kant geschoven. NU geldt alleen nog de verlossing van de Heere Jezus, Die kwam om het zwakke en zieke en verlorene en arme te redden. Maar het VLOEKwoord vervaagt, dat die vloek MIJ zelf betreft, daar wens ik niet aan herinnert te worden. Maar ik schaar me maar gauw aan de zijde van de arme en zwakke en zieke en dan komt het zeker goed.

Nee, we zullen al die blindheid achter ons moeten laten en ons door Gods Woord weer de ogen laten openen, dat IK die zondaar ben, dat MIJ die vloek geldt, dat IK dus verloren ben in vloek en dood en schuld, en dat alleen het plaatsbekledend offer van Jezus Christus mij kan redden en verlossen. Alleen uit genade, alleen uit ontferming! Opdat God ALLE eer en lof ontvangt!

13. Als we bovenstaande op ons laten inwerken, dan kan het moeilijk anders, dan dat onze ogen geopend worden voor het kale individualisme waarin de mens zichzelf in de zondeval heeft gestort. En alles wat daarna in de wereld wordt gezien en vertoond, alles wat wijst in de richting van gemeenschap, samenleven, het toont meteen scheuren van tijdelijkheid en gebrek, halfheid en zwakheid. En onze blindheid van hier en nu doet ons blindstaren op het moment, het ogenblik. En als dan opgemerkt wordt: dit kan men mij nooit meer afnemen, wat ik meemaakte, beleefde, dan klinkt dat indrukwekkend – voor die persoon – , alleen, het was maar even. Als even later het tegenovergestelde komt zijn we dat mooie ook zo weer vergeten.

Maar het moet diep in ons doordringen, dat dat door ons zelf in de zondeval verkozen en begeerde individualisme – ZELF koning zijn naast, tegenover God – er was, er is, en er blijft tot in eeuwigheid. We kozen er zèlf voor! En wat we hier en nu alsnog mogen ondervinden en zien inzake gemeenschap, samenleven, dat is genadige BARMHARTIGHEID van God. Maar elke vanzelfsprekendheid moeten we ver van ons schuiven. En zó moeten we de ogen ver opendoen voor de eeuwigheid: eeuwig individualisme, wat betekent: volstrekt verlaten van God en mensen. Afgesloten, buitengesloten van alles wat met gemeenschap, samenleven te maken heeft.

De mens die door Gods genade hier en nu sméékt om ontferming in het offer van Jezus Christus, ja, die laat God niet tevergeefs roepen, smeken, maar die wil Hij opnieuw herstellen in de gemeenschap met Vader, Zoon en Heilige Geest en zó als Zijn kind aannemen. Herstel, hier en nu in beginsel, toch, onverbreekbaar, eeuwig, straks bij Hem, eeuwig, volmaakt, zonder vlek of rimpel, zonder één gedachte aan wat was. Hersteld in het onderkoningschap waartoe God de mens schiep. Alleen tot Zijn eer!

Ziende dat onzienlijke moet ons voorbij doen zien aan al het zichtbare, hier en nu. Nee, dat betekent niet, dat ons rentmeesterschap hier en nu over hetgeen God ons toe schikt van weinig betekenis is. We zullen in het betoonde rentmeesterschap moeten laten zien en merken, dat we er niet over beschikten als over geld en goed waar we recht op hadden, alleen voor eigen plezier en genot, maar inderdaad in de eerste plaats tot Gods eer, daarnaast tot heil van onze naaste. Steeds weer bedenkend, dat God de enige en volstrekte Eigenaar was en is en blijft.

En welk misbruik mensen ook maken van geld en goed, tot in het bizarre toe, we moeten er niet meer in zien dan de uitwassen van het begin: IK, soevereine mens, IK doe wat IK wil met alles wat IK heb en krijgen kan. En IK bepaal daarin zelf op welke manieren en met welke methoden. Nee, het individualisme is niet zo onschuldig als het lijkt, het is en blijft DUIVELS!, ontbindend, ontwrichtend.

En als ik dan straks de laatste adem uitblaas, dan blijft het van Hem. Hij beschikt er over naar Zijn raad en voorzienigheid, soeverein, eeuw in, eeuw uit. En Hij vernieuwt de aarde aan het einde der eeuwen en doet de hemel neerdalen op deze aarde en woont zo eeuwig bij de mensen. Dat mag ik vast geloven, hier en nu, op grond van Gods onwankelbaar Woord, bevestigd in Christus kruisoffer, voltooid in het levenvernieuwend werk door de Heilige Geest.

14. Komt u misschien op de gedachte: ja, ja, maar spreekt de Schrift ook over het hierna? Ja, de Schrift spreekt er heel duidelijk over. Lezen we over Babel, over de koning van Babel, Nebukadnezar, in Jesaja 14:9-20: ‘De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om [u] tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan. Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. Uw hovaardij is in de hel neergestort, [met] het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! [hoe] zijt gij ter aarde neergehouwen, gij, die de heidenen krenktet! En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. Ja, in de hel zult gij neergestoten worden, aan de zijden van de kuil! Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, [en] [zeggen]: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los [gaan] naar huis toe? Al de koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis; Maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, [als] een kleed der gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; [als] die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, [en] uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden.’

Proeft u de spot, de hoon, de minachting, de smaad, de vernedering? Hoort u de herinnering aan zijn hoogmoed die hem bezielde, ja, die hem zich naast God durfde stellen? Inderdaad, dan proeven we de DUIVELSE hoon en spot en smaad tegenover getoonde hoogmoed. Die geestelijke kwelling, eeuwig. Daarbij, het volkomen besef: VERDIEND!

Zien we daarnaast de profetieën in Ezechiël 26 t/m 32, dan lezen we daarin soortgelijke oordelen van de Heere over diverse volken en machthebbers en opnieuw de hoon en spot bij het betreden van de hel. En om elke gedachte uit te bannen, dat er iets toevalligs plaats vindt noemen we Jesaja 14:24-27: ‘De HEERE der heirscharen heeft gezworen, zeggende: Indien niet, gelijk Ik gedacht heb, het alzo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal! Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hun schouder wijke. Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat ganse land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken. Want de HEERE der heirscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan breken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?’

Wie legt niet de hand op de mond? Zulke zware verpletterende oordelen van de almachtige God over machtige koningen en volken, waarbij Hij volken opwekt om Zijn raadsplan uit te voeren. Zulk een DUIVELSE hoon en smaad en spot. Maar daarnaast is er de HEILIGE spot van de Heere Zelf!

Spreuken 1:24-32: ‘Dewijl Ik geroepen heb, en gij geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren. Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad; Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen. Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.’

Geestelijke ontbinding en ontwrichting, bespotting en ontluistering in volstrekte eenzaamheid. Eeuwig! Wie kan zulk een wraak en vergelding peilen? Voor de duivel als ontrouwe knecht en al zijn trawanten. Voor de mensen, die de duivel in die weg gevolgd zijn en volgen, als ontrouwe en ongehoorzame kinderen. Omdat ze moedwillig de hun door God bepaalde positie verlieten, zich overgaven aan hun hoogmoed en ongehoorzaamheid en zondigden tegen de heilige God. Voor de ontrouwe en ongehoorzame kinderen komt daarbij, dat ze zich ondanks uitdrukkelijke nodiging en oproep (zie hierboven) niet met haast bekeerden en diep vernederden en leerden van enkel genade en ontferming te leven door Christus, Zijn offer, eens voor altijd.

Hoe actueel is Psalm 2!

8 december 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *