46c onzichtbaar: Goddelijke spot, duivels venijn

                                               De artikelen 46a, 46b, 46c en 46d vormen één geheel.

 8. Hoe gingen mensen zoals Job, David, Jeremia, anderen met die spot en hoon om? Strijdend, strijdend, worstelend, biddend, smekend. Dan zien en lezen we ook, hoe de aanhoudende druk en hoon en spot hen zodanig benauwde, dat ze ertoe kwamen hun geboortedag te vervloeken, Job, Jeremia. Het is te gemakkelijk hen meteen daarin scherp te veroordelen. Wie zijn wij, wat hebben wij meegemaakt??

 Wel moeten we opmerken, dat ze in die strijd, worsteling niet leunden op eigen inzicht, eigen kracht of aanzien, maar dat ze in het geloof als smekeling tot God naderden en alleen van Hem uitkomst verwachtten. Maar het is de Heere Zelf, Die hen in zulke zware beproevingen staande deed blijven in geloof. Telkens weer zien we dat dubbele: de Heere werkt het geloof en de Heere prijst de gelovige in zijn staan blijven in het geloof. Dubbele eer voor God!

 Inderdaad, dan gaan we over van verstandelijk geloof tot waar geloof. Waar geloof, waar we geen enkele uitweg meer zien, waar we van elke uitredding afgesloten zijn, waar ons leven één grote ruïne oogt en waar mensen ons tot mikpunt van hoon en smaad en laster kiezen en maken. Alles onderzoekend wat voor ogen is en wat beredeneerd kan worden, alles wat logisch is, en dàn tòch vast geloven: DE HEERE ZAL UITKOMST GEVEN, op Zijn tijd, op Zijn wijze.

 Lezen we Daniël 3:15: ‘Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, neervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, [zo] [is] [het] [wel]; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van de oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?’ Duidelijke taal, niet voor meerder uitleg vatbaar. Het verstandelijk geloof stokt hier.

 Dan vers 16-18: ‘Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden. Zal het zo zijn, onze God, Die wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs, en Hij zal [ons] uit uw hand, o koning! verlossen. Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.’ Zij kunnen dit alleen beleden hebben vanuit waar levend geloof.

 Want dat geloof ziet ver boven zichtbaar, beredeneerbaar en bewijsbaar uit. Het is tegelijk blind vertrouwen, dat God zorgt, hoe Gods weg ook is. En daarin is hier gered worden of inderdaad verbrand worden bijzaak. Het vaste geloof, dat we in leven en sterven volkomen veilig zijn in Gods Vaderhand is en blijft hoofdzaak, wat er ook gebeurt.

 Dan staat er in de verzen 28 en 29: ‘Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God. Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan.’

 Inderdaad, Nebukadnezar is verpletterd door het onbegrijpelijke wonder, de wonderbare uitredding. Maar dat is heel wat anders dan waarachtig geloof. Het volgende hoofdstuk bevestigt dat. En zijn grote woorden: ‘en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?’ en ‘die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde;’, ze blijken even voos als nietszeggend. Zó is de mens! Zó is de mens naar zijn oude natuur!

 De gelovige tracht in woord en daad en gedachte Christus woord te volgen, Mattheüs 7:21: ‘Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.’ Dat betekent totale verandering, omkering, wedergeboorte, totale vernieuwing van gezindheid, hart en leven, opnieuw God erkennen als de enige, waarachtige God en in Hem al ons heil veilig weten, hier en nu.

 Dat betekent Zijn Woord kennen, steeds meer. Hoe wil een mens de wil van de Vader DOEN, als hij het Woord van de Vader niet kent? Onderken de ernst en noodzaak van iedere zondag zuivere Woordverkondiging. En zo zal ieder mens, iedere gelovige zichzelf ernstig moeten onderzoeken: hoe is mijn instelling en opstelling, mijn gezindheid tegenover God, in leer, in leven?

 9. Dan zien we een ander element: het zich van mensen verlaten voelen, weten. En het komt in het leven van de gelovige voor, ook herhaalt het zich. En als spot en hoon aanhoudend het deel van de gelovige is, dan kan het de gelovige overvallen: mensen hebben mij verlaten, maar heeft God mij ook  verlaten? Daarbij kunnen veel vragen, twijfel de gelovige bespringen: dien ik God wel naar Zijn Woord? Heeft Hij mij verworpen? Keert Hij Zich nu in toorn van mij af?

 Zie Job 30, vooral de verzen 20-22; ook David in Psalm 22:2 en 3; 27:9a; 28:1 en 2; 30:8b. Terwijl ze zich even later des te meer verlaten op God, dat Hij hun niet zal verlaten, nooit. Als we dan even kijken in Psalm 30:7 waar David zegt: ‘Ik zei wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.’ Dan zien we daarin de steeds weer brandende en uitdagende hoogmoed in de mens, die meent nú toch wel op eigen benen te kunnen staan, het nú toch wel zelf te kunnen en te weten.

  Dan vers 8b: ‘[maar] [toen] Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.’ Dan weet de gelovige zich helemaal afhankelijk van God, elk ogenblik, overal. En dan probeert hij bedacht te zijn voor die hoogmoed en alle valkuilen die daarin verborgen zijn. Het is geen spel en de mens mag er helemaal geen spel van maken. Zeker, God beproeft Zijn kinderen of zij in het geloof vast staan, ook als het lang duurt.

 Jakob, die zo’n 22 jaar in de gedachte leeft, dat zijn zoon Jozef verscheurd is. Abraham, die 25 jaar wacht op de geboorte van Izaäk. De gelovigen in het Oude Testament die eeuwen wachten op de komst van de Heere Jezus. De gelovigen in het Nieuwe Testament, die al eeuwen wachten op de wederkomst van de Heere Jezus. En het ene geslacht gaat, het andere komt, en er verandert niets…..

 Omdat we weten, dat de Heere ons daarin beproeft moeten we des te meer biddend volharden en zeker weten: HIJ KOMT! Ook vervolgingen hebben getoond en tonen, dat mensen inderdaad van mensen verlaten kunnen worden, ja, dat hen de mond gesnoerd kan worden, het woord kan worden benomen, ja volstrekte isolatie gedurende vele jaren. Toch bleven ze door Gods genade standvastig in het geloof.

 Hoe kan dat? Doordat ze zich van ogenblik tot ogenblik vastklemden aan God, aan Zijn Woord, aan Zijn Verbond, aan Zijn beloften. Omdat ze vast geloofden: inderdaad, mensen kunnen ons de vrijheid ontnemen, ook het woord, maar niet de gedachte, niet het weten, niet het geloof, niet het gebed; mensen kunnen mensen binden, maar het Woord van de levende God kan door niemand gebonden worden! Geen isolatie kan God verhinderen Zijn kinderen staande te houden in het geloof.

 En de mens wordt er met de neus opgedrukt: de Heere is in niets van een mens afhankelijk, in geen enkel opzicht, Hij gaat soeverein door met het vergaderen van Zijn volk, op weg naar de Bruiloft van het Lam.

 10. We lezen in de Schrift nog meer over hoon en smaad en spot. Aangedaan aan onze Heere Jezus Christus, Gods Zoon. Met opzet hebben we die hoon en spot en smaad tot nu toe niet genoemd naast andere, omdat deze van totaal andere orde is. Moeten we in alle genoemde gevallen meteen erkennen, dat gelovigen als zondaren van nature de eeuwige dood verdiend hebben, ook smaad en spot, daarmee moeten we ook erkennen, dat God ons daarin geen enkel onrecht aandoet als Hij het ons hier en nu toe schikt. Wat zegt de Schrift? ‘VERBLIJDT U! als u dat ten deel valt!’ We weten, dat elke redenering hier faalt, elke logica ontbreekt. Alleen door geloof verstaan we.

 Maar nu Jezus Christus: ONSCHULDIG! Toch, gesmaad, bespot, gehoond, door soldaten, door overpriesters, door volk. Ja, dat door GOD Hem toe geschikt als onderdeel van neerdaling in de hèl. Mochten we er nog niet zeker van zijn of hoon en spot wel zo duivels zijn, dan moeten ons hier de ogen wel heel ver open gaan, hier, in het gerechtsgebouw, hier, op Golgota. Zeker, de mensen die dat deden zijn beslist daaraan schuldig. Trouwens, wij in hen.

 Maar die hoon en smaad en spot – dat onzichtbare, dat uiterlijk niet waarneembare, wat geen uiterlijke gevolgen achterlaat – ze horen thuis in de HEL! Als we dat zien, dan is er niets onschuldigs aan pesten, treiteren, smaad en spot. Maar Jezus Christus droeg al die smaad en spot en hoon om Zijn kinderen ook daarvan vrij te kopen. Hij voor ons.

 Er is nog meer: zagen we mensen gebonden, het woord ontnomen, totaal geïsoleerd van alles en iedereen, alleen in de geest niet!, hier zien we de Heere Jezus ook van God VERLATEN, VOLSTREKT VERLATEN! Dat, als het uiterste van helse smart. We leggen de hand op de mond. Wie vindt hier nog woorden? Om ons des te meer te doen verstaan HOE GROOT ONZE SCHULD VOOR GOD IS DOOR ONZE ZONDE! Wat WIJ verdiend hebben!

 En als we dan ook nog aanmerken hoe verschrikkelijk hoogmoedig die hoon en spot en smaad is als we bedenken, dat de spot en hoon wèl Zijn profetisch ambt en Zijn koninklijk ambt betroffen, maar dat Zijn PRIESTERLIJK ambt ongenoemd bleef, dan moet ons onze staat voor God des te meer voor ogen staan: ZO ZIJN WIJ, MENSEN, WIJ WILLEN OP GEEN ENKELE MANIER VAN GENADE EN ONTFERMING LEVEN! ZELFS IN HOON EN SPOT NEGEREN WE ZIJN PRIESTERLIJK AMBT VOLKOMEN! ZULKE VIJANDEN ZIJN WIJ! Daar tegenover: HIJ KWAM! ZO GROOT WAS EN IS ZIJN LIEFDE, voor zondaren!

 11. Letten we nu nog op het gebod wat de Heere Jezus gaf als samenvatting van de wet: Gij zult de Heere uw God liefhebben met heel uw ZIEL. De Heere legde de levensgeest in de mens, de Heere eist van de mens volmaakte wederliefde, in woord en daad en gedachte. Ja, de hele gezindheid van de mens moet op God gericht zijn, tot Gods eer. Dat is het leven voor God. En dan staan we diep beschaamd: wat brengen we daarvan terecht, wat laten we daarvan zien, merken? Waar ons leven vaak vol is van alle bederf?

 Maar dat gebod staat er, in al zijn kracht. En ook de tijd doet er niets van af. Die eis geldt ieder mens. Inderdaad, dan ziet de gelovige mens met groot verlangen uit naar de grote toekomst, waarin dat weer volmaakt hersteld wordt, om de verdienste van Christus wil. Door de Vader gewild, door de Zoon bewerkt, door de Heilige Geest volmaakt. Ons past aanbidding, eeuwige lof en dank, hier en nu zo gebrekkig, straks eeuwig, volmaakt. Met héél onze ziel!

 8 december 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *