46a onzichtbaar: Goddelijke spot, duivels venijn

De artikelen 46a, 46b, 46c en 46d vormen één geheel.

We willen proberen een nadere tekening te geven van de blindheid en ontwrichting hier en nu.

Voorbeeld:
Als iemand u expres een harde klap in het gezicht geeft, doet dat pijn en laat dat wellicht haar sporen achter. Als iemand tegenover u een persoon die u zeer lief is, met opzet vals beschuldigt van zeer slechte en gemene daden, dan doet dat pijn, dan zijn er geen woorden om die pijn te omschrijven; maar ze laten géén uiterlijke sporen achter.

In het eerste geval kunnen we een gegronde aanklacht – met aantoonbare bewijzen – tegen de persoon indienen. In het tweede geval – zeker als er geen getuige bij was – blijkt een aanklacht zinloos te zijn. Bewijs het maar.

Alleen deze tekening al moet de mens er toe brengen zich in te houden, de hand op de mond te leggen, voordat hij tot een overhaaste conclusie en vervolgens veroordeling komt. En iedereen beseft meteen, dat hij die dit moet onderzoeken en tot een recht oordeel moet komen met eventuele straf, het geval eerst grondig moet onderzoeken.

We gaan nog iets verder: degene die in het genoemde voorbeeld die harde klap toediende – expres! – werd daarvóór door de getroffene zodanig getreiterd en geminacht en geschoffeerd met woorden en gebaren en verdachtmakingen, dat die valse beschuldiging de bekende druppel bleek te zijn, die alle zelfbeheersing deed verliezen en de bewuste klap deed toedienen. Alleen, getuigen ontbreken.

U begrijpt meteen: dit maakt de zaak een stuk moeilijker. Want er zijn geen getuigen. Het ene ‘ja’ staat tegenover het andere ‘nee’. Maar de sporen op het gezicht tonen het toegepaste geweld, het treiteren enz. laat geen sporen achter. Als de gegevens juist zijn is er opeens veel meer begrip voor de ‘geweldpleger’.

We laten het voorbeeld achter ons. Als het goed is maakt het ons iets voorzichtiger in het oordelen.

Nu blijkt het in de praktijk van het leven, dat er veelszins alleen geoordeeld en veroordeeld wordt op basis van wat gezien en beredeneerd en ‘bewezen’ kan worden. Maar dat onzichtbare, dat psychische, dat geestelijke. Zeker, ook die laten ‘sporen’ achter, die door deskundigen onderkend en herleid en in kaart gebracht kunnen worden. Alleen, gebruiken ze daartoe de juiste methoden, de juiste tactieken, krijgen ze daardoor een compleet beeld van de zaak en is dat voldoende om tot een juiste beoordeling te komen? En spreken deskundigen elkaar niet regelmatig tegen? Is er naar het oordeel van de patiënt juist gewogen? Kan dat wel? En was en is de persoon toerekeningsvatbaar? Is er een objectieve, complete, methode aanwezig, in alle gevallen toepasbaar?

En voor we het weten zitten we in een kluwen van psychische problemen, probleemgevallen, waar vanaf de buitenkant vaak gemakkelijk in en over geoordeeld en veroordeeld wordt. Welke gegevens tellen mee, welke niet en welk gegeven weegt zwaarder en kunnen gegevens objectief gewogen worden? Door betrokkene, door deskundige? Tegelijk blijkt het – hoe vaak? – dat betrokkenen – naaste familieleden – door de onderzoeken, de verwerking van de gegevens in die onderzoeken, de (eind)rapporten, zich misplaatst voelen en onbegrepen. Vervolgens, dat ze zich niet serieus genomen voelen. Waar is nog RECHT te vinden? Maar, in hoever is eigen beoordeling, afweging zuiver, objectief?

Welke tekening is hier compleet? We willen nog een stap verder gaan: het met opzet iemand vals beschuldigen en veroordelen en bespotten. De valsheid blijkt al snel.

1. We noemen de volgende voorbeelden uit de Bijbel: Job, David, Jeremia, anderen
Betreft Job: Job 12:4: ‘Ik ben het, [die] zijn vriend een spot is, [maar] roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige [en] oprechte is een spot.’ Job 17:6: ‘Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor [ieders] aangezicht.’ Job 30:9 en 10: ‘Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.’
Betreft David: Psalm 35:15 en 16: ‘Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij [als] geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden [hun] [klederen], en zwegen niet stil. Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.’ Psalm 69:5 en 13: ‘Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterke drank drinken.’
Betreft Jeremia: Jeremia 20:7: ‘HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben de ganse dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.’ Klaagliederen 3:14: ‘Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de ganse dag.’ 3:63: ‘Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.’
Betreft anderen: Psalm 109:25: ‘Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.’ Psalm 119:51: ‘De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; [nochtans] ben ik van Uw wet niet geweken.’ Psalm 123:4: ‘Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.’ Psalm 102:9: ‘Mijn vijanden smaden mij al de dag; die [tegen] mij razen, zweren bij mij.’

2. Wat zeggen bovenstaande aanhalingen, met vele aan te vullen, ook uit de praktijk van vandaag? Dit: de mens – alleen, collectief – deinst er vaak niet voor terug de laagste drijfveren de vrije loop te laten gaan tegenover de persoon, personen, die zwak en weerloos zijn, die zich niet kunnen verdedigen, die ‘in hun macht zijn’. Sinds de zondeval is dat publiek vermaak. Daarin openbaart zich duivelse overmoed, blinde razernij, het zich mateloos uitleveren en overgeven en uitleven aan ‘het moment’. Ieder die dit in alle rust leest is daarover verbijsterd!

Toch zien we telkens weer, dat, als het moment daarvoor gunstig is, het een persoon betreft die we het ‘gunnen’, de kans op straf daarover uitgesloten is, velen te weinig weerstand hebben daaraan niet mee te doen. En als er vervolgens ook nog (groeps)dwang toegepast wordt om mee te doen, dan is het hek helemaal van de dam. Iemand, meerderen, tot mikpunt maken van spot, hoon, pesten, treiteren. Om van lichamelijk geweld maar te zwijgen.

3. Dan zien we in de genoemde aanhalingen, dat Job op het moment dat het hem overkomt van al zijn bezittingen is beroofd, van top tot teen doodziek is, van mensen verlaten, door zijn vrouw aangezet tot verloochening van zijn geloof, door zijn vrienden vals beschuldigd.
David – hoewel gezalfd tot koning – steeds weer op de vlucht voor Saul, andere vijanden, vals beschuldigd en verdacht gemaakt, andere gevaren.
Jeremia, als profeet van de Heere vaak alleen staande tegenover het volk, de overheidspersonen, de geestelijke leiders, de valse profeten, vals beschuldigd, beticht van leugen.
Vervolgens anderen in soortgelijke situaties. Telkens weer openbaart zich publieke haat tegenover Gods kinderen die trouw de Heere willen dienen.

En hoe ze ook steeds bedacht zijn geweest op het (geestelijk) welzijn van de naaste, het wordt op hetzelfde moment vergeten. Men gaat gemakkelijk mee met de massa, de meerderheid, neemt valse beschuldigingen en laster gemakkelijk over (zonder te onderzoeken!) en is prompt overtuigd van de ‘rechtvaardigheid’ waarom ‘die ander’ zo behandeld wordt.

4. Dan zien we een heel wonderlijk iets gebeuren: gelovigen zinnen niet op persoonlijke wraak als ze de mogelijkheid alsnog krijgen, maar ze beroepen zich op God. Ze roepen publiek God aan, ze zetten het op schrift, het wordt door anderen op schrift gezet, zodat mensen het eeuwen later nog kunnen lezen en er van kunnen leren hoe om te gaan met zoveel valsheid.

Voor ongelovigen: ernstige waarschuwing zich te bezinnen voordat! om, als het gebeurt, zich zelf te beheersen.

Voor gelovigen: mij overkomt niets bijzonders, velen gingen mij voor. Zeker, ziende al hun eigen zwakheid en onvermogen op dat moment als mens; toch, in waar geloof zuchtend en pleitend en smekend voor Gods aangezicht, er vast van overtuigd, dat God alles ziet en hoort en doorgrondt. Vast vertrouwend, dat God hen recht zal doen op Zijn tijd, op Zijn wijze, naar Zijn maat. Gelovigen weten dat God gezegd heeft: ‘MIJ komt de wraak toe en de vergelding.’ en ‘Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.’ wraak oefenend over al Zijn en hun vijanden en tegenstanders.

Daarbij, als God hen de mogelijkheid en gelegenheid geeft trachten de vervolgers tot geloof te brengen. Daarin ziende op Jezus Christus, Die de wereld zó lief had, dat Hij tòch kwam, wetend hoeveel hoon en smaad Hem ten deel zou vallen van de door en door verdorven vijandige mensheid om de Zijnen daaruit te verlossen en te bevrijden uit de macht van duivel, zonde en dood. Onderkennend: in deze wereld wordt christelijke oprechtheid niét op prijs gesteld, ondanks veel mooie woorden en grote voorgewende tolerantie.

8 december 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *