22 Liefde II

We zien bij Christus, dat Hij onophoudelijk verder gaat met de vergadering, onderhouding en bescherming van Zijn kerk door Zijn Geest en Woord. In principe is de strijd gewonnen, op Golgota. Maar Hij breekt niet af, daar eerst allen gered en verlost moeten worden, die vanaf eeuwigheid daartoe geroepen en verkoren zijn, die Hij door Zijn ene offer met Zijn kostbaar bloed gekocht en betaald heeft. Tegelijk geeft Hij de mensheid zóveel tijd en ruimte, dat niemand straks nog een verontschuldiging vindt. En daarom blijft de oproep tot geloof en bekering onverminderd doorklinken, wereldwijd.

En de gelovigen moeten de liefde tot God, de liefde tot Zijn Woord ver in waarde achten bóven alle mensen en alles wat begerenswaardig is op aarde, ja, zelfs bóven eigen leven en lichaam. Uiteraard is de mens daartoe vanuit zichzelf niet in staat. Hij kan dat alleen in de kracht van Christus, in de kracht van de Heilige Geest, vast vertrouwend op het uitermate betrouwbare Woord. God, Die niet liegen kan, heeft immers gesproken!

Toch kan die liefde niet met ogen gezien en met handen getast of gepakt worden. Die liefde is geestelijk en de Heilige Geest giet die liefde uit in hen, die daartoe verkoren zijn. Dat zijn niet heel bijzondere mensen van zichzelf, nee, dat zijn gewone mensen van vlees en bloed, de één met die gaven, de ander met andere. De één met die gebreken, de ander met andere, van uit zichzelf niet opvallend. God werkt met die liefde in hun harten, maakt hun harten week op Zijn tijd, in de door Hem bepaalde mate, zoals Hij wil. En de mens, daardoor wedergeboren, moet zich nu daarin laten en doen kennen, tot Gods eer en dat andere mensen door zijn levenshandel en –wandel getrokken worden.

Een gelovige heeft vanuit zichzelf bij ongelovigen niets vóór. Het is alleen Gods soevereine liefde en verkiezing van eeuwigheid. Daarnaast kan ieder mens zien, dat er geen twee personen aan elkaar gelijk zijn, noch in samenstelling, noch in persoonlijkheid, karakter of interesse, noch in gaven. God geeft aan ieder, zoals Hij heeft gewild. Nu heeft God de mens niet als een stuk hout geschapen, maar met een eigen wil, met een eigen verantwoordelijkheid.

Met de zondeval is de mens vervallen van de vrije wil, daar hij toen zó verdorven is geworden, dat zijn hele gezindheid enkel tot doelstelling heeft God en de naaste te haten. Er zijn tijden geweest, dat haat en doodslag de toestand regeerden, dat er onbeschrijfelijke wreedheden begaan werden en waarbij de nood en ellende tot grote hoogte stegen. Het waren periodes. Daarna kwam er vroeger of later weer verlichting, ruimte, tijd, gelegenheid, om weer wat op te bouwen. Telkens opnieuw zien we, dat de mens er steeds weer op uit is daarbij aan eigen roem en eer nadrukkelijk veel aandacht te besteden.

En dat zien we elke dag weer in de wereld: wanneer wordt er over de mens gesproken? Als die mens iets presteert wat breed opvalt en de aandacht krijgt. Zijn het niet regeringspersonen, dan wel ondernemers, dan wel kunstenaars, dan wel topsporters: prestige is in. Grote bouwwerken, records in tal van opzichten, de ene is nauwelijks gevestigd of de ander wil hem verbeteren, overtreffen. Kosten zijn bijzaak, er zijn altijd wel zulke berekeningen op te maken, dat het ook financieel meevalt. Dat er vervolgens tal van projecten of pogingen juist negatief eindigen en er financieel fors bijgelegd moet worden, ach, dat is meestal snel vergeten. En er zijn altijd nog wel omstandigheden te bedenken, die de pijn verzachten. En de tijd slijt, toch?

Telkens zal de mens weer moeten erkennen, toegeven, dat de wegen van God niet na te speuren zijn. Dat leidt er toe, dat het leven zó divers is, zó afwisselend, zó onberekenend, voor ieder mens, voor volken, van dag tot dag, dat de mens in ongeloof spreekt over geluk, lot, noodlot, toeval.

De gelovige klemt zich vast aan Gods Woord, aan Gods beloften en aanvaardt het leven zoals God het hem toe schikt in de tijd door de Heere bepaald. Denk aan Job. De Heere had hem rijk gezegend in bezittingen, wijsheid, kinderen, aanzien. Dan, op één dag overvallen hem de rampen vlak na elkaar en verliest daardoor al zijn bezittingen en kinderen. Dan begint Job niet te razen tegen God, maar in het geloof zegt hij: ‘De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam van de Heere zij geloofd.’ Job wist in het geloof: er gebeurt niets bij geval, maar God schikt het toe, wanneer het Hem behaagt, zoals het Hem behaagt.

Evenzo, als hij daarna wordt getroffen door boze zweren. Dan zegt Job: Zullen wij het goede wel uit Gods hand aannemen en het kwade niet? Maar ook dàn beheerst God alles volkomen en geeft Hij aan Zijn zwaar beproefd kind de kracht en het geloof om te dragen wat Hij te dragen geeft. Want het kind mag weten en vast geloven: In Hèm is mijn leven veilig, geborgen, eeuwig, wat er ook gebeurt. Zeker, dan kan de Heere zwaar beproeven, dan kan de Heere veel geduld vragen, dan kan de Heere zwaar lijden toe schikken, vroegtijdig verlies van geliefden, dan kan de Heere veel afnemen, maar Hij doet in het geloof staande blijven.

En door veel beproevingen heen wil Hij zelfs versterken in geloof, des te vaster doen staan in het vertrouwen, dat hier geen willekeur of noodlot toeslaat, maar dat het Gods Vaderhand is, die dit toe schikt. Daarbij de vaste zekerheid, God vergist Zich nooit, maar Hij zal op Zijn tijd alles ten goede wenden. Dan vindt het kind van Hem rust, grote rust, in Hem, in Zijn betrouwbaar Woord, beloften, Verbond. En waar de ongelovige de wanhoop nabij is en niet meer weet waar of bij wie hij houvast kan vinden, daar draagt het kind van de Heere geduldig, lijdzaam.

Heeft het kind van de Heere dan geen aanvechtingen? Nou en of! Maar in het geloof mag hij die overwinnen en zo des te meer afstand doen van allen en alles wat hij hier heeft ontvangen, het oog gericht op de levende God. Want Gods kind kijkt vooruit tot over dood en graf heen en weet heel vast en zeker: God heeft mij een woning bereid op de nieuwe hemel-aarde, door Christus, Die mij kocht en betaalde met Zijn kostbaar bloed.

Dat kind van God ziet ook door het geloof de grote liefde van God! Hij ziet schakel 1, hij ziet schakel 2, en hij beseft: àlles is onverdiend! Wat er ook gebeurt, met welke gesels God de aarde, de mensheid, mijzelf ook straft, tuchtigt, er is één conclusie: IK HEB DAT VERDIEND! God doet daarin geen enkel onrecht! Nee, ik moet mijn ogen nog verder openen: God houdt ook in die oordelen Zijn macht, Zijn volume nog in, Hij spaart nog. Ook daarin openbaart Hij Zijn goedheid, Zijn trouw aan Zijn Woord.

Dan is er veel reactie: en dìt dan, en dàt dan, de meest vreselijke dingen die gebeurd zijn. Ja, dan moet de mens erkennen: we hebben dat verdiend! Dit is nog maar een voorproefje van de hel! Zó hoog neemt de Heilige God het op, als Zijn schepsel, de mens, zijn eigenwillige beoordeling zet náást Zijn betrouwbaar Woord, Zijn betrouwbaar gebod en zó meent ongestraft aan Hem gelijk te zijn. Dan ziet dat kind die grote liefde van God in Zijn geduld, in Zijn verdraagzaamheid, goed doende aan alle mensen, zeker, in liefde, ook in toorn, toch goeddoende.

Dan de Goddelijke plicht: je naaste liefhebben als jezelf. Maar dié dan, en dié! Die heeft mij dit aangedaan, en die dat, en dié …. NEE, NEE, NEE! Ik kàn die niet liefhebben, ik háát die, want die heeft mijn leven verwoest, die kan ik nooit vergeven en dat wil ik ook niet! Dan de Goddelijke plicht: je naaste liefhebben als jezelf!! Dan zie ik opnieuw Gods liefde, groter dan het heelal, ook na MIJN minachting van Zijn Woord, ook na MIJN openlijk uitgesproken wantrouwen aan Zijn Woord, in Adam en Eva. Dan zie ik opnieuw Gods liefde, nog veel grootser, nog veel geweldiger: HIJ WIL MIJ VERGEVEN!! Door Christus!! Om niet!!

Dan zie ik opnieuw wat medemensen gedaan hebben, mij aangedaan hebben. Ik buig mijn hoofd, heel diep. Heb ik Gods liefde gezien? Heb ik Gods goedheid en barmhartigheid geproefd? Ben ik zo gemakkelijk over mijn hemelhoge zondeschuld heengestapt, die ik zelf niet KAN betalen? En durf ik nu mijn naaste nog iets toe te rekenen, wil ik hem die ene kruimel niet vergeven waardoor ik struikelde?

Ja, dan moét ik mijn naaste liefhebben als mijzelf. Want dan zie ik mijn naaste niet alleen als een vriendelijk of onvriendelijk wezen, als heel innemend of echt puur afstotend, maar dan zie ik hem als een mens, verloren in vloek en schuld, zoals ik zelf van nature ben. En dan vervult de Heere mijn hart met liefde, met medelijden, met ontferming: arme medemens, er is verlossing! er is redding! er is vergeving! door Christus!! Dat in de eerste plaats. Dan zie ik ook de vloek, de wraak van de Heere bij verharding in de zonde, bij het blijven vasthouden aan EIGEN beoordelingen náást het betrouwbare Woord van God. Dan huiver ik. Dan zie ik opnieuw naar God, Die de mens herinnert aan zijn zonden en waarschuwt, blijft waarschuwen, van geslacht tot geslacht, roepend, trekkend, lokkend: er is vergeving, erken je zonde, smeek om ontferming in Christus bloed.

Moet ik deserteren? Mag ik deserteren? Als Christus, het Hoofd, de Koning, de strijd voert, al 6000 jaar, kan ik, dienstknecht, dan op één moment in de enkele dagen, die God mij hier geeft, de gedachte in mij laten opkomen: Ik gooi het bijltje er bij neer? Ik stop met vechten? Ik stop met waarschuwen? Het helpt toch niet? Heere, kom mijn ongeloof te hulp en geef mij zoveel liefde, dat ik niét stop, dat ik niét weiger, maar in al mijn zwakheid voortga tot mijn laatste ademtocht.

Hoe kan ik voor U verschijnen en zeggen: ik had het al lang gezien, het hielp toch niet, hopeloos!! En daarmee opnieuw zeggend: ik heb mijn beoordeling gezet naast Uw Woord en ik kwam tot een àndere conclusie. Daarmee verklarend: naar mijn beoordeling was Uw strijd, Uw geduld, Uw liefde, Uw vergeving zinloos en nutteloos. En uiteraard heeft mijn beoordeling méér recht dan Uw Woord. De Heere beware er ons voor dat die geest – uit de duivel! – ons in bezit neemt. Daarmee legt het kind van God het oordeel over de strijd, die we in geloof voeren, vol vertrouwen neer bij het Hoofd, Christus, en neemt tot die strijd gewillig het ene wapen aan, het almachtige Woord van de levende God en weigert daarbij hulpmiddelen te gebruiken uit de wereld. Want het Hoofd moet regeren en het Woord moet schitteren, eeuwig, zonder enige smet!

22 december 2011

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *