Johannes 1

Joh 1,9 [Dit] was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een ieder mens, komende in de wereld.

 

In dit vers betekent ‘wereld’ de door de duivel bezette en door de zonde verdorven wereld. De wereld was door God zeer goed geschapen, de wereld met alles wat er op en in was. Volmaakt rein, volmaakt zuiver. Daarop was als kroonstuk de mens geplaatst, naar Gods beeld. Nu had de duivel de mens verleid en de mens zich door de duivel laten verleiden. Daardoor was de zonde in de wereld gekomen en was de mens – en met en door hem heel de schepping – totaal  verdorven. Daardoor was de wereld totaal onrein, totaal besmet, vergiftigd.

Er was in en aan de wereld NIETS, dat voor God nog heilig en zuiver en rein was. Nu had God rechtvaardig bepaald, dat de wereld en de mens weer in de oorspronkelijke staat hersteld konden worden, als aan Zijn recht voldaan werd: naar Zijn eis volkomen betaling van de vloek en straf en schuld van de zonde dóór de zondaar zelf: de MENS. Alleen, de zondige mens kon niet, kan niet, kan nooit uit en door zichzelf betalen. Integendeel, zonde staat nooit stil, is door geen mens stil te zetten. Zó groot is de totale verdorvenheid van de mens door de zonde. Met als noodzakelijk gevolg, dat de schuld alleen maar groter wordt, elke dag weer.

God zag dat, God wist dat en God ontfermde Zich over Zijn schepping en schepsel en beloofde Zijn Zoon, onze Heere Jezus Christus. Hij kwam, Hij ging, naar Gods oordeel en besluit. Vrijwillig. Om als volmaakt mens volkomen te betalen en te herstellen. Voor zondaren. Iedereen kan proeven: alléén volmaakte liefde kan dit bewerken.

Tegelijk: God houdt vast aan Zijn oorspronkelijk besluit: een wereld met schepselen, met de mens, tot Zijn eer! Als we dàt doel scherp voor ogen houden, dan beginnen we te verstaan, dat de ‘tijd’ voor God, de eeuwige God, als een ogenblik is. Daaruit moet de mens leren, dat de enkele jaren hier en nu zeer kostbaar zijn en eeuwigheidswaarde betekenen. De mens is en blijft altijd en overal zelf verantwoordelijk.

Nu ligt de wereld sinds de zondeval in de diepe duisternis van het ongeloof. Des te groter en des te duidelijker is hier de tegenstelling: Christus, het waarachtige Licht, verlicht de stikdonkere wereld, liggend in de dood van zonde en vloek. De Heere Jezus zal dat steeds weer duidelijk benoemen en aanwijzen. Maar het bestaan van de mens sinds de zondeval in zonde en dood moet heel duidelijk voor ogen staan, steeds weer, om de alles overheersende hoogmoed en overmoed – waarmee de mens doordrenkt is – te zien en te erkennen.

 

Joh 1,10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.

1e ‘wereld’ betekent opnieuw de totaal verdorven vijandige mensenwereld. Vanaf de zondeval is er geen mens geweest die zich op eigen initiatief bekeerde tot God, hoewel God in de wereld was, de wereld met alles erop bestuurde en leidde. Elke gedachte, dat God Zich teruggetrokken had en geen bemoeienis met Zijn schepping, Zijn schepsel had en wilde hebben, wordt hier bestreden.

2e ‘wereld’ betekent de aarde met alles erop en eraan, geschapen door Hem, door Zijn machtswoord. Zó geschapen, dat de aarde voor de mens een lusthof was, zó weldadig, zó goed, zó compleet, zó overvloedig, zeer rijk voorzien van al het goede. Geen onkruid, geen ongedierte, geen rampen, alleen één grote volmaakte harmonie tussen God en mens, tussen mensen onderling, tussen mens en dier, tussen mens en schepping.

Terwijl de mens er zich volmaakt van bewust was, dat God aan de mens als onderkoning die hele rijke schepping ter beschikking stelde, met als doel, dat de mens zijn God in volmaaktheid eeuwig zou loven en prijzen. Daarbij was dus niet de schepping het dòel van de mens, eigen leven en genieten en beleven, maar de schepping was en is mìddel. Zó goed, met dat doel, had God de mens, de aarde geschapen! De mens kon niets bedenken waarin hij iets tekort zou komen, want hij wist, geloofde volmaakt, dat God dit alles door Zijn almacht voor eeuwig in stand zou houden, ja, in heerlijkheid nog zou uitbreiden, indien hij gehoorzaamde aan het proefgebod: ‘van de boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten.’

Een mens ziet in zijn leven heel weinig van de schepping en dan nog meestal heel oppervlakkig. De mens voor de zondeval zag alles veel dieper, alles in de juiste harmonie van Schepper en schepping, in de juiste verhouding van Schepper en schepsel. En alles in die grote schepping, waarin Gods almacht, goedheid, liefde, grootheid schitterde, bewerkte elke dag de grote jubelzang: U, grote God, hebt dit alles geschapen en houdt dit alles in stand en geeft dit alles aan de mens opdat hij U daarin eeuwig zal loven en prijzen!

Nooit was er ook maar één gedachte, die een schaduw wierp op die volmaakte harmonie. God, Ontwerper en Schepper beide.

3e ‘wereld’ betekent vijandige verdorven mensenwereld in haar hoedanigheid van afgevallen mensenwereld, die overtuigd vasthield aan haar eens genomen besluit: zèlf koning, géén God, géén meester. Dit bevestigt de boze en verdorven menselijke natuur. En hield God die verdorven geneigdheid niet in toom, direct zou alle haat en valsheid en leugen losbreken tot een hel.

In de wereldgeschiedenis zien we veel momenten, waarin God de teugel laat vieren en de mens in haar verdorvenheid overgeeft aan haar lusten. Wat zegt de mens dan, daarna, bij het zien van zóveel woede, wreedheid en terreur, leugen en bedrog, misbruik van macht? Moeten we nog voorbeelden noemen??? Wat heeft de mens niet bedacht om medemensen te martelen en te folteren en dat ook geraffineerd toegepast!

De mens zegt: ‘Dat kan niet, zó is de mens niet.’ Zo is de mens wèl, na de zondeval, u en ik, niemand uitgezonderd. Hoe diep is de mens gevallen en hoe probeert de mens zichzelf nog goed en schoon te praten. En dáárin openbaart zich een nieuwe slechtheid: God wordt door de mens niet geprezen, omdat Hij de haat en leugen van de mens in toom houdt, zodat nog leven mogelijk is. Nee, de mens schrijft de leefbaarheid toe aan haar èigen ‘goedheid’.

En zien we vervolgens, dat God de mens nog veel geeft in de schepping, zodat de mens zich kan ontwikkelen en ontplooien, dan zien we de mens opnieuw in al zijn slechtheid, daar de mens zich overgeeft aan hebzucht, macht, misbruik, bedrog, wreedheid. En, waar blijft de lof en eer naar God toe?? Die wordt zorgvuldig gemeden, en daardoor toont de mens een grote ondankbaarheid, een enorme eerroof, dag in, dag uit, terwijl hij ondertussen ‘rustig’ doorgaat met het uitplunderen van de aarde en de naaste.

Hoe kan het dan, dat God toch doorgaat met géven, géven en nog eens géven, zoveel goedheid, zoveel gunst, zoveel zorg? Omdat God goed IS, omdat God liefde IS, omdat God trouw IS en Hij niet ophoudt trouw te zijn aan Zijn Woord. Ziet God dan al die slechtheid door de vingers? Nee, beslist niet!!

Hij toont groot geduld met de mens, wetend hoe de mens is, groot geduld, opdat de mens tot inkeer komt, Gods goedheid en liefde en zorg ziet en erkent dat God dat alles geeft om niet, en opdat de mens zich met haast bekeert en erkent: ‘Heere, wat bent U groot en goed en liefdevol voor ons, arme zondaren. We zien en erkennen, dat er in ons geen goed woont. We hebben U schandelijk de rug toegekeerd, U geminacht en beledigd, en ondertussen driftig gebruik blijven maken van al het goede wat U geeft. We werpen ons voor U neer in aanbidding, lof en eer, en dank zij U o God alleen! Redt ons, o God, uit deze poel van zonde en dood en vloek. Rechtvaardig zijn al Uw oordelen, die U ons hier en nu toe schikt op elk levensterrein. We hebben het verdiénd!! Maar redt ons, indien het U behaagt.’ Maar dit gebed komt niet in de mens op, toen niet, nu niet, bij niemand! En, alsof Gods goedheid en liefde nog niet genoeg bleek, zegt God: ‘Ik zend Mijn Zoon tot Redder, Verlosser, Zaligmaker en Ik leg al Mijn vloek en toorn over de zonde van de MENS, U en IK!!! op Mijn geliefde Zoon, omdat Ik zie, dat de mens zichzelf niet kan verlossen.’

En dan blijkt opnieuw de verdorvenheid van de mens, zie tekst: de wereld heeft Hem niet gekend. Want de mens WILDE en WIL eigen verdorvenheid niet zien en erkennen en wenste en wenst niet verlost te worden van vloek en dood. Hij hield in volle verantwoordelijkheid vast aan het genomen besluit in het paradijs: ik zal als God zijn, kennende goed en kwaad, want ik geloof de aartsleugenaar, de duivel, op zijn woord. En zó zal God ieder mens ter verantwoording roepen, hier in beginsel, straks bij de wederkomst van Christus, definitief.

En de Schrift is er overduidelijk in, dat God dàn en daarná àl Zijn toorn en wraak zal uitgieten over de duivelen en over de onbekeerlijke mens, eeuwig in de hel. Hoewel de mens dat weet, hoewel de mens de oordelen van God in tal van rampen ziet, bekeert de mens zich niet, omdat de mens niet op de knieën wil en God zijn schuld wil belijden en Hem om ontferming wil smeken en erkent, dat we alleen door de jood Jezus Christus verlost en gered kunnen worden.                                                                                                                                                                                                

 Hèm alleen alle eer!  

Joh 1,29 Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!

 

Hier profeteert Johannes de Doper het herstel, dat Christus gaat bewerken door Zijn lijden en sterven: volmaakte voldoening van zondeschuld en vloek, overwinning op de dood, herstel van leven, opening van de weg naar Gods genadetroon. Zijn volmaakte offer reinigt en heiligt de aarde, het schepsel, de mens, zodat het voor God is alsof er geen zonde en dood is geweest. Volmaakt herstel tot het doel, waartoe God de aarde en de mens schiep: volmaakt goed, tot lof en eer van God de Schepper.

De nieuwe hemel-aarde, waarop opnieuw in verheerlijkte vorm volkomen waarheid en gerechtigheid en heiligheid zal zijn, zonder één smet, zonder één schaduw, hersteld in al haar luister en harmonie. De nieuwe mens, volmaakt, onsterfelijk, zonder smet of rimpel, niet anders kunnend en willend dan God eeuwig in volmaaktheid loven en prijzen. Deze tekst noemt nadrukkelijk de oorzaak van alle ellende, de zonde!, tegelijk de mens aanwijzend als de enig schuldige, terwijl de genade en ontferming van God in Christus bóven alles uitsteekt als het lam Gods, dat soeverein de zonde wegneemt!

De enige weg, door de mens nooit bedacht, door de mens niet begeerd, door God in het paradijs beloofd en nú in Christus vervuld. Hoe heerlijk is Zijn Naam!

5 juni 2012

Dit bericht is geplaatst in 77x 'wereld' in het evangelie naar Johannes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *