Johannes 3

Joh 3,16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

 

Met ‘wereld’ wordt hier zowel de aarde als de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. Immers, de aarde was, door de zonde van de mens, door God vervloekt. Dat betekende, dat God als vloek onkruid, ongedierte gaf, die het goede bedierf, verstikte, zodat de mens er tot en met mee geplaagd en gestraft en herinnerd werd: dat onkruid, die vlieg, die mug, die bacterie, dat virus, zijn mijn eigen schuld: IK heb gezondigd in Adam en Eva, mijn eerste voorouders. En alsof dat nog niet genoeg was, rampen: overstromingen, stormen, hagel, woestijnen, aardbevingen, hitte, koude, oorlogen, ongelukken in allerlei soorten en maten.

Opnieuw, daarmee wordt de mens geplaagd, getuchtigd, gestraft en herinnerd: ze zijn er, ze komen er door mijn eigen schuld: IK heb gezondigd tegen de HEERE, de levende God, ik heb Zijn goedheid in al haar vormen, zichtbaar in de schepping, diep veracht, Hem zwaar beledigd en geminacht door Hem de rug toe te keren en te denken, dat ik het zelf nog beter kon, mijn beoordeling gezet náást, ja bóven Gods betrouwbaar Woord. Hoe heb ik mijzelf bedrogen en mij laten bedriegen!

Maar, o wonder, er is verlossing, er is redding, door geloof in God, door geloof in zijn eniggeboren Zoon. Want God geeft Zijn schepping, Zijn schepsel niet als ‘verloren’ over aan vernietiging, nee, God heeft Zijn schepping, Zijn schepsel zó lief, dat Hij ze in ongeschonden staat opnieuw wil beminnen, puur zuiver, in pure harmonie. En, omdat Hij ziet, dat de schuldige, de mens, niet kan en niet wil, geeft Hij Zijn Zoon, Zijn enige, Die Hij lief heeft. Let op, Hij gééft, niet op verzoek, niet als wens (zie 1:10; 3:19), nee, het is Zijn initiatief. Want gerechtigheid MOET plaatsvinden: er is een schuldige: de mens, er is schuld: de zonde.

Er is géén helper, nergens. En dan geeft God Zijn Zoon, opdat de schuld betaald wordt, opdat de schuldige van schuld en smet verlost en bevrijd wordt. Tegelijk zien we in deze tekst al, dat niet alle mensen in Hem geloven. Er is onderscheid, geopenbaard in verkiezing en verwerping, van eeuwigheid. Daarin openbaart zich het werk van de Heilige Geest, Die als God de schepping met alles wat er op en in is door Zijn almacht in stand houdt en regeert.

Daarin openbaart zich het werk van de Heilige Geest, Die het geloof werkt in de kinderen van God, de uitverkorenen, Die het geloof in stand houdt ondanks veel verleidingen en verzoekingen en vervolgingen en lijden. Daardoor weten en beseffen Gods kinderen te meer, dat zij even schuldig staan aan de toorn en vloek over de zonde. En als kinderen dragen ze die beproevingen van God de Vader met geduld en lijdzaamheid, een zeer moeizame leerweg! Immers, zij krijgen dit te dragen gedurende de enkele dagen van het leven hier en nu, terwijl ze uitverkoren zijn – o wonder van genade!! – tot de eeuwige heerlijkheid.

De ongelovigen krijgen hier misschien een heel voorspoedig en gemakkelijk leven, waarin ze zich in allerlei weldaden die God geeft kunnen uitleven. Ze onderkennen niét, dat ze genieten onder toornend gedùld van God en straks door God als Rechter verworpen worden tot eeuwig afgrijzen. Daarmee wordt direct aangetoond, dat de gelovigen op geen enkele manier van zichzelf beter zijn dan andere mensen, maar dat Gòd hen uitverkoren heeft tot Zijn kinderen, al van vóór de grondlegging der wereld. Zeer te loven en te prijzen is God de Heere.

 

Joh 3,17 Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.

 

1e ‘wereld’ spreekt over de verdorven vijandige mensenwereld. Het woord ‘gezonden’ moet nadrukkelijk beklemtoond worden: God heeft gezònden! Puur Zijn initiatief, opdat de mens weet en beseft en erkent, dat hij, de mens, Hem niet wilde, géén belangstelling had voor die komst, zich tot en met verhardde in zijn zondedaad: als God willen zijn!

En de Schrift toont en bewijst, dat de onbekeerlijke mens Hem niet verdragen en gewild heeft, maar uitgeworpen in grote haat en overtuiging. Maar zien we hier en nu in eigen omgeving, in eigen hart, in eigen verstand, we ontdekken niets anders. Telkens weer moeten we onszelf nauwkeurig onderzoeken en erkennen en belijden: ZO BEN IK!

2e en 3e ‘wereld’ spreken van aarde en verdorven vijandige mensenwereld. Het is duidelijk, dat God met deze tekst géén afbreuk doet aan Zijn gerechtigheid, maar Hij onderstreept opnieuw Zijn grote liefde voor Zijn schepping en schepsel. En het is heel noodzakelijk, dat keer op keer herhaald wordt, dat Gods liefde en gerechtigheid náást elkaar staan. De één staat niet los van de ander, niet onafhankelijk naast de ander, niet tegenover de ander, nee, 100 % tegelijk in volmaakte harmonie naast de ander.

Daaruit blijkt duidelijk òf òf. Of de mens wordt in liefde de gerechtigheid van Christus toegerekend, òf de mens wordt de rechtvaardige straf en oordeel op de zonde toegerekend. Eeuwig. Het onderstreept Gods heiligheid. Hij heeft de mens zéér goed geschapen, zéér bekwaam tot alle goed. Hij heeft de zondeval zéér ernstig genomen, door de mens direct te verdrijven uit het paradijs, door de vloek uit te spreken over de schepping en over de duivel en over de verworpenen, vgl. Gen. 4:11.

Het is zeker, het is niet aan de mens uit te zoeken wie en hoeveel mensen verworpen zijn, maar de Heere heeft dit als een afschrikwekkend feit en voorbeeld doen optekenen, opdat niemand zich kan verontschuldigen. Zo worden ook in de volgende bladzijden van de Bijbel véél gevallen en voorbeelden genoemd van de ongehoorzaamheid en afval tegenover de Heere en Zijn Woord, zodat de apostel Paulus in I Cor. 10 uitroept, vers 6: ‘Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden.’ Dan in vers 11 ‘ons tot voorbeeld en ter waarschuwing.’

De Heere heeft de zondedáád en de zondeschuld zéér ernstig genomen. Daarom zond Hij liever Zijn Zoon, dan dat Hij Zijn gerechtigheid en heiligheid niet heilig zou bewaren. Dat moet de mens des te meer zeer ernstig overtuigen, hóe diep hij gevallen is, hóe diep hij God daarmee beledigd heeft, hóe zwaar hij God daardoor geminacht heeft. Dat moet de mens helemáál overtuigen hóe lief God de schepping, het schepsel, de mens, had en heeft.

Tegelijk toont het de grote ondankbaarheid in de mens, die dàt ziet en toch blijft zeggen: ‘Ik geloof niet en ik heb God niet lief en ik wil Hem niet dienen. Tegelijk pleeg ik wel – als ik de mogelijkheid krijg – elke dag roofbouw in Zijn schepping en geef ik Hem niet de eer die Hem toekomt!’ Het onderstreept tegelijk de grote verdorvenheid en onheiligheid van de mens tegenover de Heere. Voor ieder mens moet het zeer duidelijk zijn, dat hij geen enkele verontschuldiging voor zijn doen en laten kan vinden om zich niet direct als smekeling en boeteling voor God neer te werpen en te erkennen: Ik heb gezondigd; vergeef mij, arme zondaar; ik pleit op het borgtochtelijk lijden en sterven van Christus.

Want, wie kan bestaan voor die heilige God?

Joh 3,19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.

 

Met ‘wereld’ wordt hier opnieuw de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. Vervolgens onderstreept deze tekst opnieuw de diepe verdorvenheid van de mens in haar doen en willen en laten en denken. Want de mens heeft de duisternis van de revolutie in de zondeval liever gehad dan het licht van de genade en ontferming in de bekering en wedergeboorte.

Hoe openbaart zich daardoor de goddeloze gerichtheid van ieders hart. De mens heeft de leugen in de zondeval liever gehad dan het licht van de waarheid. Daarom doet hij de leugen en heeft hij de leugen hartelijk lief. Daarom is er een diep wantrouwen tegenover God en naaste, wordt er fors misbruik gemaakt van goed vertrouwen. Men zoekt zekerheid en vastheid en als God die in Zijn Woord van bladzij tot bladzij aanbiedt en daarnaast van dag tot dag toont en bewijst in al Zijn daden, dan keert hij met haast terug tot de eerste zonde: ik weet het beter, ik kan mijzelf redden.

En geen zondig mens kan het zichzelf voorhouden, dat zelfverloochening en kruis dragen de enige weg is op de weg achter Christus aan, want dat zou erkenning zijn…, en dat is het laatste wat de mens wil. Dat betekent tegelijk, dat de wil van de mens zó verdorven is in al haar willen, dat het verbazingwekkend is, dat er mensen zijn die menen, dat de wil niét zó verdorven zou zijn. Daarom, omdat hun werken boos waren, blijkt daaruit, dat de uitwerkingen van een puur verdorven hart altijd onheilig, boos, ontspoord, afvallig, vijandig zijn.

Vanuit dat puur verdorven hart blijkt overduidelijk, dat de mens God niet WIL liefhebben, ook niet KAN liefhebben. Want Hij is gekómen, vrijwillig, op Eigen initiatief, want wij hebben Hem niet begeerd, niemand uitgezonderd. Daaruit blijkt, dat God Zelf eerst dat harde, onbuigzame hart moet openbreken, moet omkeren, zodat Hij er woning in kan maken, dat hart en haar uitingen kan heiligen en vernieuwen en zó liefde tot God en de naaste er in kan werken. Zó overwint God de stikdonkere duisternis in het hart en doet Hij het licht van Zijn genade daarin branden.

En dat kan in de uitingen en de praktijk van het leven niet onopgemerkt blijven, dat moet vruchten dragen, dankbaarheid, voor God: lof en eer en dank en aanbidding, voor mensen: getuigen, de praktijk van een veranderd, vernieuwd leven, leven naar de nieuwe mens, goeddoen. Niet alleen woorden, ook tegelijk daden, consequent, elke dag weer. Laten zien, ertoe oproepen.

Tegelijk laten blijken de diepe afkeer van leven in zonde, van gedogen van leugen of er stilletjes aan meedoen. Ja, de leugen bestrijden en bestraffen en veroordelen en zó de kenmerken van Gods koninkrijk bewerken: waarheid, recht en gerechtigheid en heiligheid.

5 juni 2012

Dit bericht is geplaatst in 77x 'wereld' in het evangelie naar Johannes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *