4.4e. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 10:27-30: ‘Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een.’
Opnieuw die Eénheid. Ook die ommekeer: de natuurlijke mens, die God háát, wantrouwt en de duivel vèrtrouwt en volgt, blindelings, die mens leert gaandeweg de duivel te wantrouwen, zijn volgers, zijn werken, zijn methodes, en God te vertrouwen, lief te hebben, tegelijk Zijn Woord, Zijn Zoon, en te LUISTEREN naar Zijn stem. Altijd weer en altijd eerst. En daardoor steeds meer de duivel en zijn praktijken leren kennen en háten en ontvluchten.

Hoe móet de duivel dit haten! Want het zet een dikke streep door zijn náást! In alle vreedzaamheid en vriendelijkheid en gemoedelijkheid en gezapigheid de levende God en de revolutionaire duivel en zijn volgers náást elkaar. Maar God zèt vijandschap! Terwijl de duivel zich wil doen kennen als de enige grote vredestichter en vredesapostel, ZET GOD DE VIJANDSCHAP! Nou mens, zeg nou maar, wie de grote boosdoener is.

Telkens opnieuw probeert de duivel zó de zaken precies om te draaien, de theorie, de praktijk. Ook in de geschiedenis blijkt telkens weer hetzelfde. Ook in de kerkgeschiedenis blijkt telkens weer hetzelfde. Hoe meeslepend zijn verleiders, misleiders, hoe bewogen met ons lot, hoe begeesterend, hoe inpalmend met allerlei schone woorden en valse voorstellingen.

Nee, dan het Woord van God: vijandschap, oorlog, hel, verdoemenis, eeuwig oordeel, eeuwige verwerping. Niets vriendelijkheid en meegaandheid. Altijd òf òf, vóór of tégen, léven of dóód, zégen of vlóek, hémel of hèl.

Deze vàlse voorstelling gaat er bij de mens grif in, omdat hij de duivel niet wantrouwt, zijn volgers niet wantrouwt, zijn valse voorstellingen en vertekeningen niet wantrouwt, ja, al zijn leugens voor volle waarheid en uitermate betrouwbaar houdt.

Hoe beklemtoont de duivel steeds weer de absolute vrijblijvendheid van de mens. U kunt naar links, u kunt naar rechts, u bent helemaal vrij! Het is de grootste leugen. Want hij moet de mens elke dag voorhouden: mens, God heeft je als KIND geschapen, mij als KNECHT. Maar ik ben van oordeel, dat die door God gezette orde absoluut verkeerd is. Daarom mijn opstand tegen God, mijn opstand tegen Gods orde. En in mijn verleiding en misleiding wil ik je elke dag doen geloven, dat je vrij bent, terwijl ik wéét, dat je nu slááf van mij bent.

De duivel moet vervolgen: maar ik doe net alsof, want er is in mij geen enkele liefde, geen enkele barmhartigheid, geen enkele waarheid, geen enkel recht of gerechtigheid of rechtvaardigheid. Daarom probeer ik je zó te indoctrineren en te hypnotiseren, dat je mij toch gelooft op mijn woord. En daarom beïnvloed ik je op je gevoel, op je zin hebben in, op al je vleselijke lusten, op al je vleselijk begeren. Ja, daarom prijs ik je zo hoog mogelijk vanwege al je mogelijkheden en prestaties en redeneringen. En tegelijk doe ik je God en Zijn Woord diep verachten en stel ik Ze voor als grote onbetrouwbare leugen. En ik verleid en misleid je elke dag weer met wat voor ogen is, wat aantrekkelijk is en voor wat beredeneerd kan worden door JOU o mens. Ja, wetend, dat je in je zonde slááf van de knècht bent prijs en eer ik je zo hoog mogelijk als koning. Kortom, MIJN schijnwereld, doordrenkt met LEUGEN.

Christus zegt: ‘Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.’ Niets geweld, maar vriendelijkheid, zachtmoedigheid, barmhartigheid, liefde, trouw. Hoe diép en hoe veelzeggend, als we bedenken, dat we vanuit onszelf niet anders willen en kunnen dan de duivel volgen. Hoe ontzaglijk groot is Gods liefde tot een in zonde verloren mensheid: om niet!!! De mens moet beseffen en erkennen: God was tot niets verplicht. Tegelijk: in ons, in mij, is en was niéts, dat God kon bewegen. Het is alleen Zijn grote liefde, die Hem bewoog.

– Johannes 11:25, 26: ‘Jezus zei tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven; En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?’
Christus betuigt ná Zijn opstanding: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Hiér staat Hij nog vóór de volle uitbarsting van Gods toorn aan het eind van Zijn leven vóór Zijn sterven. Hoe ontzaglijk indrukwekkend klinkt dan: IK BEN DE OPSTANDING EN HET LEVEN; Nee, ook Mijn lijden en sterven kùnnen daar niets vanaf doen. Hoe staat ons verstand hopeloos verlegen en stil. Dit is niet te bevatten, niet te doorgronden.

Dan: DIE IN MIJ GELOOFT ZAL LEVEN, AL WARE HIJ OOK GESTORVEN; We leggen de hand op onze mond. Wie kan dit bevatten, wie kan dit doorgronden? Hoe intens moet de verstikking zijn van de schijnwereld die de duivel in al zijn leugens voorstelt en wil doen geloven. En toch, de grote massa loopt hem gewillig achterna. Naar onze oude natuur doen wij automatisch hetzelfde. Laat elke gedachte van zelfverheffing en gearriveerdheid ver van ons blijven.

Het GELOOF! Alleen door Gòd gewerkt en gegeven, opdat Hij ook Alleen àlle lof en eer en dank en aanbidding daarvoor ontvangt. Toch, daarbij de grote èigen verantwoordelijkheid: GELOOFT GIJ DAT? Opdat de mens zich nooit tracht te verschuilen achter: ik wist het niet, ik kon het niet. Zeker, vanuit onszelf niet. Het is een gave van God, tegelijk onze èigen verantwoordelijkheid, die alle verontschuldiging wegneemt.

Voorop staat: God is in deze weg volmaakt rechtvaardig.

De duivel weet dit, hij siddert. Zijn veroordeling is nabij, onafwendbaar. Maar naar zijn aard gaat hij op deze weg voort: verleiding, misleiding, dood, leugen, valsheid en vuilheid, geslepenheid en meedogenloosheid. Hij kan niet anders, hij wil niet anders.

– Johannes 12:44, 45: ‘En Jezus riep, en zei: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft. En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.’
Opnieuw betuigt Jezus de Eénheid van de Vader en Hem, de Zoon, zonder de orde daarin aan te vechten. We zagen het al eerder: hoe diep is onze natuurlijke doodsslaap, dat Christus dat zó vaak moet herhalen om ons te overtuigen, om elke verontschuldiging weg te nemen. Zó lief heeft Hij de wereld, Zijn kinderen, dat Hij niet wil dat één ervan verloren gaat.

Zó hecht, zó vast is die Eénheid, opdat we daarop bouwen, daarin schuilen. Dan kàn de schijnwereld van de duivel ons niet zó betoveren, dat we in Christus die Eénheid inruilen voor minder dan drijfzand.

Daarnaast moeten we onderkennen, dat de bewijzen van die schijnwereld voor het oprapen liggen. Hoe wordt er keer op keer geroepen om recht, om waarheid, om gerechtigheid. Want er wordt ontzaglijk veel onrecht en leugen gezien en gehoord.

Het begint er telkens weer mee, dat er één vaste Norm is, Gods Woord. Beginnen we daarmee niet, dan moet iets, iemand anders norm zijn. Zoals we weten, is alles en iedereen beïnvloedbaar, veranderlijk, omkoopbaar. En zo zien we ook in de praktijk van het leven, dat het gebeurt, dat iemand op het ene moment beloond wordt voor bepaalde diensten, verrichtingen en op een volgend moment voor diezelfde diensten, verrichtingen aangeklaagd en veroordeeld wordt. Vanuit veranderde inzichten, zienswijzen, meningen, visie.

Wie het betreft is verbaasd en verbijsterd, omdat het ook nog vaak in opdracht gebeurde en gedaan werd. Het leidt er toe, dat mensen zich terughoudend opstellen, geen mening durven hebben en die verdedigen, ook tegen (grote) meerderheid in.

Dan is het geweldig, dat we in het geloof ons steeds weer mogen en kunnen beroepen op die ene Norm, Gods Woord. De enige Norm, tegelijk ons enige Houvast, onze enige Borg, de levende God, Zijn waarachtig Woord. Nee, daar valt elke schijnvertoning van de duivel, in woord of daad, als nietszeggend en nietsuitrichtend bij in het niet. En tòch dat natuurlijke wantrouwen in ons, dat Gods Woord wantrouwt en bouwt op alle dood en leugen van de duivel en zijn volgers.

Laten we ons steeds meer gezeggen ook door en met deze tekst.

– Johannes 13:3: ‘Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging,’
Ontroerende momenten voor de Heere Jezus. Hoe strijdt wat komen zal en komen moet – Zijn lijden en sterven – en deze wetenschap om de voorrang. Toch, dit mag niet gebeuren. Christus moet al die gegevens en gedachten in de juiste verhoudingen en afmetingen voor ogen houden en waarderen. Hoe gemakkelijk wordt een mens overmand door emoties. Het mag Hem niet gebeuren. Hoe zwaar is de strijd om hier en nu als Mens daarin Gods wil te volgen.

Naast deze menselijke gedachten en overwegingen moeten we de ogen openen voor de werkelijkheid, dat Christus hier opnieuw die Eénheid belijdt en verkondigt. En in die Eénheid klinkt hier zoveel droefheid over zoveel verharding en blindheid en zelfhandhaving bij de discipelen, die nauwelijks iets begrijpen van Zijn dienstknecht-zijn en Zich dienstbaar opstellen en tonen en bewijzen in wat volgt.

Als we dat zien, als we dat opmerken, we moeten tot onszelf inkeren en onderzoeken hóe onze opstelling is, hoeveel wij er van begrijpen, hoe diep deze geschiedenis van de voetwassing tot ons doordringt en ons in beslag neemt. Of nemen we dit oppervlakkig voor kenninsgeving aan, vinden het een fraaie en emotionele geschiedenis, maar keren vervolgens snel weer tot de werkelijkheid terug?

En niet alleen tot de werkelijkheid, maar ook tot de praktijken, die we gewend zijn, die we ons aangemeten hebben, die ons in de traditie overgedragen zijn, zonder ze te toetsen aan de ene Norm. En nee, dat willen we ook graag zo houden.

Hier zien we onze diepe beperktheid, waarin we al die aspecten zo gemakkelijk náást elkaar en tegelijk lòs van elkaar zetten en zien en behandelen en hanteren. Het gevolg is maar zo, dat de gebéurtenissen bepalen wèlke aspecten hier en nu wèl gelden en toegepast moeten en mogen worden en welke aspecten we – gemakshalve – maar negéren. Het is de gelegenheid, tegelijk een vaak blinde vlek. Maar worden we er op gewezen, dan komt dat in dìt geval op dìt moment zeer ongelegen.

30 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *