4.4d. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 10:11-15: ‘Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Maar de huurling, en die geen herder is, wie de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen. En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne, en word van de Mijnen gekend. Gelijkerwijs de Vader Mij kent, [alzo] ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.’
De Heere Jezus betuigt hier tot twee maal toe, dat Hij de goede Herder is. Opnieuw, om onze traagheid tegemoet te komen, om ons te wekken om wakker te zijn. Want het gaat uiteindelijk niet om een kleine bijzaaak, maar dit heeft eeuwigheidswaarde: geloof òf niét geloof. Geloof, maar dan ook restloos aan Hem toevertrouwen, Hem geloven op Zijn Woord, alles van Hem Alleen verwachten. Niet geloof, dan zijn we op onszelf aangewezen, op eigen inzicht, op eigen redenering en fantasie. Ja, dan is ons leven wankeler dan een grasspriet in de wind.

Christus zegt: ‘en Ik stel Mijn leven voor de schapen.’ Nou, dat kunnen we lezen, dàt Hij dat gedaan heeft, hóe Hij dat gedaan heeft, tot het einde toe. En nòg geloven we Hem niet, dàt Hij de goede Herder is? Want Hij stelt daar tegenover de huurling, de valse herder. Die ziet de wolf aankomen en vlucht zelf het eerst en laat de schapen hulpeloos in de steek. Want hij is bedacht op èigen belang, èigen voordeel, èigen eer. Daarom praat hij ook liever de hoorder naar de mond en minacht zo zijn grote Zender, ja, erkent Die helemaal niet. Tegelijk minacht hij de Bóódschap van zijn grote Zender, en voegt toe, doet af, naar eigen willekeur. Hij is een broodprofeet.

Hoe scherp is hierin de felle tegenstelling. Opnieuw Johannes 7:16, 17: als we inzake de leer kunnen onderkennen of die uit de hemel is of niet, dan kunnen we toch ook onderkennen of een herder wáár is of vàls, of de boodschap wáár of vàls is? Maar als we niet wìllen onderscheiden, dan blijven we midden in de dood. Waarom onderkennen we naar Gods Woord niet, dat de duivel enkel ons verderf, onze ondergang zoekt, en dat hij er meedogenloos naar jaagt? Waarom geloven we de duivel, dat het ook wel náást elkaar kan?

Of laten we ons opnieuw in slaap sussen door de duivel, dat het wel ‘meevalt’? Als we leren de duivel en onszelf te wantrouwen, dan leren we ook zien, dat de Heere ons in Zijn Woord nèrgens te scherp vermaant en waarschuwt en aanspoort, maar dat Hij dat doet om ons levenswil, daar Hij ziet in welk een doodsslaap wij door onze zonden verkeren. Wantrouwen we de duivel, we haten zijn werken, zijn praktijken, zijn methodes, zijn geraffineerdheid, zijn valsheid, zijn leugens.

Onderkennen we de werken van de duivel, zo zullen we ook de werken van zijn volgers onderkennen en daarin onderscheiden en daarin moeten haten. Onderkennen we onszelf als volger ìn de werken van de duivel, ìn het hanteren van zijn methodes, zijn geraffineerdheid, zijn valsheid, zijn leugens, hoe subtiel ook, we moeten ons met haast bekeren en die vuilheid afleggen en haten en bestrijden. Eerst onszelf, maar daarna ook de anderen. Doen we dat niet, willen we dat niet, terwille van!, we worden steeds verder erin meegenomen, erin meegesleurd en de weg terug wordt steeds moeilijker, zo niet onmogelijk.

Tegelijk zien we, dat de mens zovéél doet en reageert en handelt en denkt op grond van de mening van mènsen, ook van volgers. En zijn die mensen, die volgers van de duivel, vooraanstaande, leidinggevende mensen, op welk vlak ook, maar ook in de kerk, ja, juist in de kerk, die daarin voorop lopen, die het goedpraten, die het toedekken, die daarin adviseren erover te ZWIJGEN, dan wordt het benauwend, dodelijk benauwend. Want tegelijk horen we met grote regelmaat verkondigen: Geliefde gemeente, leden van onze Heere Jezus Christus. Is dat verkeerd?

Als we door de Heere Jezus Christus geliefde gemeente, leden ZIJN!, dan moeten we ons ook zó gedrágen, in leer, in leven, in woord, in daad. Maar als we in onze leer, in onze praktijk de werken van de duivel toestaan, bedrijven, gedogen, aanmoedigen, zijn methodes volgen, zijn valsheid en leugens, zijn geraffineerdheid en geslepenheid, dan is de benaming en benoeming: Geliefde gemeente, leden van onze Heere Jezus Christus, een VLOEK, een verschrikkelijke VLOEK! Want hiermee verkondigen we, dat deze wijze van leren en handelen in Christus kerk in návolging van Zijn leer en handel zijn, ja, in gehoorzaamheid aan Zijn Woord en geboden zijn, dat we Hèm daarin getrouw navolgen. Dat deze werkwijze en methodes Zìjn werkwijze en methodes zijn. Dan blijft er één conclusie over: Jezus Christus was de grootste hypocriet, huichelaar, die er ooit geweest is. Terwijl we ze (moeten) onderkennen en waarmerken als: uit en naar de duivel, naar zijn aard. Herken: zich voordoen als een engel van het licht.

Huiveringwekkend zijn dergelijke gedachten. We zullen moeten onderkennen, dat we hiermee niet anders doen dan wat de duivel deed en doet. Wat deed de duivel, in het paradijs? Hij plaatste enkele vraagtekentjes bij de betrouwbaarheid, de vastheid, de éénheid van God, van Zijn Woord, van Zijn gebod, verbod, Zijn gestelde orde. Maar die vraagtekentjes maakten God verdacht, Zijn Woord verdacht, onbetrouwbaar, onjuist. En zou dat juist zijn, dan was immers heel Gods optreden en handel en leer één schijnvertoning, één hypocrisie, één huichelarij, één brok onwaarachtigheid?

Onderkennen we daarmee, dat we Hem, de Heere Jezus Christus, bespotten en belachelijk maken en in feite als nietszeggend en puur ongeloofwaardig aan de kant schuiven? Wie is Hij, Wat is Zijn Woord, dat we Daarmee zouden rekenen! Denk aan Farao. Maar omdat de gemeente die aanzegging graag hoort, omdat de leden zo gesteld zijn op die aanspraak, daarom voldoen we graag aan die wens. Of die inhoudelijk en in de uitwerking ons leren en handelen dekt, dat is bijzaak. Hoe sluipend is traditie ook dan weer zeer verwoestend en bedervend. Dan blijkt die aanspraak één groot slaapmiddel te zijn, met zeer verdovende werking.

We zullen nog een les moeten leren: de mening, de gedachte, de beoordeling van mensen over mij, ons, móet ik heel kritisch benaderen, móet ik heel kritisch bezien en beoordelen. Is die mening, die gedachte, die beoordeling eerst getoetst in het licht van Gods Woord, ja of nee? Dáárvan hangt namelijk het vervolg af. Is die niet getoetst in het licht van Gods Woord, dan moet ik die voor kennisgeving naast mij neerleggen en er geen enkele waarde aan hechten, nee, ook niet aan mogelijke gevolgen ervan, ook niet, als IEDEREEN dat vindt. Nog veel minder mag ik mij door die mening, gedachte, beoordeling laten leiden, sturen, beïnvloeden, regeren. We zullen steeds weer heel scherp moeten onderkennen: de mening van mensen is een moment, een gedachte, onbetrouwbaarder dan drijfzand, die even later maar zo verandert. Zie, dat geen mens daaraan ontkomt.

Des te meer, des te duidelijker zien we dat de Heere Jezus die Eénheid van de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, Zijn Woord, zeer terecht zo nadrukkelijk mogelijk beklemtoont, bevestigt, leert, òm de betrouwbaarheid van HEM, de Levende God, Zijn eeuwig Woord te onderstrepen. Het is waar, de mens zou in het scheppen en onderhouden van de schepping al meer dan voldoende bewijs van die betrouwbaarheid moeten zien en onderkennen.

Opnieuw moet het schaamrood ons dik op het gezicht staan: zijn wij zó blind, zó hardhorend, zó dwaas en vol onverstand??? Het antwoord moet zijn: JA!

Maar laten we des te meer met grote blijdschap vaststellen en geloven: God, Zijn Woord, Zijn beloften en verbond, ZE zijn volmaakt betrouwbaar, door niets of niemand te verkleinen of te verzwakken.

Hoe bemoedigend, hoe vertroostend, hoe beschermend zijn dan de woorden van deze tekst. De mens is van zichzelf geneigd elke tekst op zich te zien, los van de andere. Hoe nuttig en noodzakelijk is het te trachten elke tekst te zien in het geheel van de Schrift. Het bewaart ons voor uitglijden, het bewaart ons voor eenzijdigheid, het bewaart ons voor depressiviteit, het bewaart ons voor HOOGMOED en EIGENDUNK.

Want we worden dàn getroost en bemoedigd en vermaand en gewaarschuwd, waar de Heere ziet, dat we dat daar dan nodig hebben. Evenzo staat een preek niet op zichzelf, alsof een preek bepaalt of de leer daar goed is of niet. Elke prediker zal zijn uiterste best moeten doen àlle delen van het Woord recht te doen en recht te leren verstaan. Want hij ziet op zijn Zender, Jezus Christus, Die ook niet afdeed, niet toedeed, maar leerde àlles wat Hij van de Vader gehoord en gezien had.

En omdat ook een preek of veel preken niet op zichzelf staan, zullen we scherp moeten onderkennen of het leven van elke dag wèl of niét op gespannen voet staat mèt het verkondigde Woord. Het leven in de praktijk van het dagelijks leven, ook het ambtelijk werk en de ambtelijke praktijk.

Iedereen weet, kan weten, dat, als er aan de ene kant zó geleerd wordt en aan de andere kant tegenóvergesteld gehandeld wordt, actief, passief, één ding heel duidelijk is. Dit: òf de gebrachte leer is waardeloos en hoeft op geen enkel punt serieus genomen te worden; immers puur tegenovergesteld kan en mag toch gehandeld worden? òf men doet willens en wetens niét naar wat men leert en men laat het stilzwijgend geworden. Maar in beide gevallen staat Eén te schande: de grote Zender, Jezus Christus, en zo God, zo Gods Woord.

Dan wordt er openlijk met Hem gespòt! Zó kunnen we – ongestraft! – de draak steken met de levende God, Zijn heilig Woord. Zó geven we publiek aan, dat we Zijn Woord minachten, zonder enige zeggingskracht, zonder enig gezag. En God zwijgt, zie je wel? Hij vindt blijkbaar alles goed, of Hij weet naar het lijkt ook niet hoe hier mee om te gaan. De losbandigheid regeert, de anarchie zit op de troon.

We keren terug naar Prediker 8:11, 12. We keren terug naar Psalm 10. We beven, we vrezen met grote vrees voor Gods aangezicht. We geloven vàst: God ziét het en God houdt afrekening, op Zijn tijd, op Zijn wijze. En niets of niemand kan iemand daaraan onttrekken of er van vrijstellen. Want Hij vergeet niet! Zijn onderbouwing en bewijs: HET WOORD!

Want God is ook de grote Rechter, waarachtig, rechtvaardig, zonder aanzien van, onpartijdig, onomkoopbaar.

29 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *