4.2e. Christus onderwijs inzake ZIJN WOORD richting gevend en bepalend voor ieder mens.

– Johannes 15:15: ‘Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, [dat] heb Ik u bekend gemaakt.’
De Heere Jezus zegt het opnieuw: ‘àl wat Ik van Mijn Vader gehoord heb,’ Hebben mensen zo slecht geluisterd? Hebben mensen zo slecht gelezen? Hoe komen mensen er dan toe zo gemakkelijk en lichtvaardig van het Woord àf te doen, tóe te doen, de inhoud anders te vertalen, te verklaren? Ook de andere kant: de mensen die hóórden, dat er afgedaan werd, toegevoegd werd, veranderd werd, anders verklaard en uitgelegd werd, wat deden zij?

We zullen weer terug moeten naar bovenstaande: Johannes 8:45-47: wie uit God is; wie niet uit God is. Telkens weer blijkt, dat dìt de uiteindelijke oorsprong is van ‘in Mijn Woord blijven’ òf ‘niét in Mijn Woord blijven.’ Het is de doorgaande weg van het zich telkens weer laten gezeggen, laten onderwijzen, laten corrigeren, laten vermanen door het Woord Alleen!, òf telkens weer toegeven, steeds meer toegeven aan alle eigenwilligheid, eigengereidheid en zich niét laten gezeggen, onderwijzen, corrigeren, vermanen door het Woord Alleen!

De Heere Jezus zegt hier: ‘Ik heet u niet meer dienstknechten, Ik heb u vrienden genoemd.’ Toch begint Paulus meerdere brieven met: ‘dienstknecht’, geïnspireerd door de Heilige Geest. Zo ook Jakobus, Petrus, Judas, Johannes in Openbaring. Zegt de Heere Jezus hier iets voorbarigs? Nee. Hier geeft Hij een doorkijk naar de nieuwe hemel/aarde waar de gezette orde: mens is kìnd, weer hersteld is, de volmaakt zuivere harmonie weer regeert, waar niet meer gedacht wordt aan wat voorbij ging in déze bedeling.

‘want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, [dat] heb Ik u bekend gemaakt.’ Hoe moeten we hier zien, dat dit Woord door Christus is vervuld in al Zijn prediking. Tegelijk, hoe traag is die prediking beluisterd en in geloof aangenomen. Daarom ziet het kind van God uit naar de grote toekomst, waar àl die traagheid en lauwheid en laksheid voorbij is en de volmaakte harmonie regeert. Daar en dan zal die vriendschap volmaakt zijn. Wonder van genade!

Maar in déze bedeling zijn we dienstknechten, wel of niet in een bijzonder ambt. Zolang we in deze bedeling zijn, zijn we behept met alle gevolgen van de zonde, kleeft de zonde ons aan, zijn we ermee besmet, leven we in de vergankelijkheid. Door het geloof zijn we wedergeboren en leven we door het geloof al eeuwig. De Heere Jezus heeft dat nadrukkelijk gezegd. Maar ook in het geloof kunnen we hier en nu niet breken met alle gevolgen en besmetting van de zonde.

Ziende op de eeuwigheid zijn we in het geloof vrienden, kinderen. Ziende op deze bedeling in de zonde zijn we dienstknechten, behept met allerlei zwakheid en gebreken en vergankelijkheid. Daarom moeten we er op letten, dat we het onderscheid niet wegnemen, door hier en nu al te doen, alsof de eeuwigheid al is aangebroken. Daarom is het misleidend, als in diverse liederen gesproken wordt over ‘Jezus, onze, een Vriend’. Hoe gemakkelijk wordt na een volgend stapje Jezus een Vriendje, gelijk aan menselijke vriendjes.

Als we zover gekomen zijn, dan zijn de volgende stapjes klein: zou Jezus ons nog iets kwalijk nemen van wat we zeggen, doen, hoe? zou Jezus het erg vinden als we God op eigenwillige en eigentijdse manier dienen? zou Jezus het erg vinden, als we de Bijbel toch anders lezen, dan dat er stáát!? als we daarin lezen naar eigen goeddunken? Kàn Jezus eigenlijk nog wel boos op ons zijn, worden? Om er maar helemaal niet aan te denken, dat Jezus ons voor eeuwig verdoemt. Immers, als vriend verdraag je toch heel veel van elkaar en zie je veel door de vingers, toch? Daarom, was Zijn lijden wel Borgtochtelijk lijden, door God begeerd, geëist!, of eigenlijk eerder een noodlottige samenloop van omstandigheden met een – helaas!!! – verschrikkelijke afloop? Het gevolg moet zijn, dat ook opstanding en hemelvaart helemaal niet meer noodzakelijk zijn.

Maar hoever zijn we MIJN, ONZE zòndeval dan al voorbij, hoever zijn we af van dat IK dóór MIJN zondeval midden in de dood lig en daar zelf niét uit kan en wil komen? Aanbid ik God oprecht, dat MIJN toestand door MIJN zondeval zó is en dat alleen het ene offer van Jezus Christus mij daaruit verlossen kan? Dat ook al mijn dagelijkse zonden telkens weer mijn natuurlijke verdorvenheid bewijzen en mijn schuld voor God groter maken?

Of slaan we dat station – gemakshalve! – over? Of staan onze slechtheid en verdorvenheid ons levensgroot voor ogen en kunnen we het nauwelijks geloven, dat God ook naar MIJ, naar ONS omzag in Zijn grondeloze ontferming, en ons Jezus Christus gaf tot volkomen verzoening van àl onze zonden, maar daarbij veel anderen voorbij ging en in de zonde liet?

Het is telkens weer èn èn. We kunnen en mogen hier en nu niet scheiden, waar God nog niet definitief gescheiden hééft. Hoewel losgekocht leeft de gelovige in deze wereld vol dodelijke haat en vijandschap, elke dag strijdend tegen de zonde en haar gevolgen, zich elke dag uitstrekkend naar Jezus Christus en Zijn offer, biddend en smekend om Zijn ontferming.

We zullen de apostelen beslist niet verwijten, dat ze hier niet goed geluisterd hebben, dat ze de Heere Jezus niet serieus namen. Maar dat èn èn beginnen we iets te verstaan, als we Openbaring 1:12-17a lezen: ‘En ik (Johannes) keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren; En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht. En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten;’ Dit is dezelfde apostel die zich aan Jezus borst wierp. Zó gróót en indrukwekkend is het verschil tussen deze bedeling en de strijdende en overwinnende en triomferende hemelvorst Jezus Christus.

Opdat wij er niet aards van denken.

– Johannes 15:18-20: ‘Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.’
Hoe nadrukkelijk zèt de Heere Jezus Zìjn plaats in deze wereld – daarin de overste van deze wereld, de dùivel, met al zijn volgers, zij die de ongerechtigheid doen en de leugen liefhebben en doen! – onlosmakelijk náást de Zijnen. Haten, van de wereld zijn, vervolgen, Mijn woord bewaren. In dit verband: Als de Heere Jezus zó vaak zó nadrukkelijk verkondigt, dat Zijn leer àlles is wat Hij van de Vader gehoord en gezien heeft, dan kàn het niet anders, dan dat Hij dié mensen hier bedoelt, die er hun uiterste best voor doen ook alleen maar dàt te leren, dàt te verkondigen, zó te leven, wat Zij van hun grote Leermeester Jezus Christus geleerd hebben, dat wat Hij van de Vader gezien en gehoord heeft, dat wat de Heilige Geest daarna aan de apostelen verder uitgewerkt en verklaard heeft, zoals beschreven in de brieven.

Op dié mensen zijn de genoemde gevolgen van toepassing. Dan is het van groot belang daarin op te merken, dat de Heere Jezus er geen enkele twijfel over laat bestaan, dat de wereld, de valse kerk, dat zàl doen. Daaruit moeten we leren, dat de kerk er scherp op moet toezien, dat ze in Zijn Woord blijft, in alle trouw, in alle liefde, in alle volharding. Daarin alle afwijking en afdwaling moet ontmaskeren en weerstaan en uitwerpen. Ze zijn toch navolgelingen van Jezus Christus? Vergelijk Openbaring 2 en 3. O, die telkens weer optredende verslapping en verflauwing, die toegeeflijkheid, die zuigkracht van gewoonte en traditie.

Of lezen we in de Schrift ergens, dat het later een stuk anders, ‘beter’ gaat? Dat er best samen te gaan en te werken is met hen, die daarop niét toezien, die rustig allerlei wind van leer en leven rustig hun plaats laten innemen. Dat we daarmee al die waarschuwingen om het begìn van die afwijkingen te weerstaan rustig kunnen vergeten en verwaarlozen. Wat blijkt? Als de kerk dàt doet, dan blijkt er van die nadrukkelijke gevolgen ook geen, nauwelijks sprake te zijn.

En zo is er tegelijk die andere onlosmakelijke verbinding: hoe eerbiedig lezen we het Woord van God? hoe eerbiedig luisteren we naar het Woord van God? als inderdaad het HEILIG WOORD VAN GOD, DE LEVENDE GOD? òf als een woord waarin de mens naar alle eigendunk en willekeur mag nemen of verwerpen naar dat het hem uitkomt? Het zal mondeling, schriftelijk zelden toegestemd worden, maar de praktìjk tóónt vaak zo veel. Vergelijk opnieuw Openbaring 2 en 3. Alleen, vandaag zijn we zèlf (mee) verantwoordelijk.

Het bovenstaande toont overtuigend, dat de Heere Jezus uitdrukkelijk de Eénheid van de Vader, Hemzelf, het Woord verkondigt en leert. De mensen die Hem daarin navolgen, zùllen hetzelfde doen. Van hèn zegt de Heere Jezus, dat de gelovigen ook hùn woorden zullen horen en bewaren. Hoe nadrukkelijk komt hier de èigen verantwoordelijkheid van ieder mens, ieder gelovige naar voren. Het onlosmakelijke: het Woord alléén verkondigen zonder afdoen of toedoen èn gehaat en verworpen worden door de wereld, de valse kerk òf niét alleen het Woord verkondigen maar een zelfbedachte fantasie erop en zó niét door de wereld en de valse kerk gehaat en verworpen worden.

Het blijkt telkens weer, dat mensen, die hun zelfbedachte fantasieën verkondigen als de ‘volstrekte waarheid’, op een ander punt direct struikelen en vallen: ze dulden géén tegenspraak, géén correctie, ook niet onderbouwd, van wie ook. Want dáár begint de sekte! En des te meer zal de duivel zich ook daarin voordoen als een engel van het licht, hij èn zijn volgers. Wat blijkt? Het beroep op ‘vrede’, ‘éénheid’, ‘verdraagzaamheid’, daarin ‘nederigheid’, ‘vriendelijkheid’, ze klinken steeds weer. En wie daarin niet meegaat, onvoldoende, naar algemene mening, mening meerderheid, mening leiding, ja, met dié is niet samen te werken, die is gestoord, nog erger, die moet gestopt worden, monddood gemaakt.

Zie Achab tegenover Elia, I Koningen 18:17, en wat Elia daarop antwoordt, vers 18. Zie Zedekia tegenover Micha, I Koningen 22:24, en wat Micha daarop antwoordt, vers 25. Zie Jezus optreden te Nazareth, Zijn onderwijs, Lukas 4:24-27, en hoe de bevolking daarop reageert en handelt, vers 28, 29. Telkens weer blìjkt: de volgers van de duivel handelen in navolging van de duivel, zie Job: zwijgen, er overheen praten, nauwelijks weerlegging, felle verwijten zonder onderbouwing, geweld, machtsvertoon. Het blijkt ook, dat velen daardoor onder de indruk zijn en – gemakshalve – zich daarbij maar snel aansluiten (ook weer zonder onderbouwing) en volgen.

Zien we vervolgens de gelovigen, we zien zóvéél en zó váák zwakheid, kleinheid, beperktheid, kortzichtigheid, kleingeloof, dat het telkens weer blìjkt: Zo de Heere Zèlf niet de gelovigen staande deed blijven in het geloof door Zijn Heilige Geest, dwars door al die zwakheid en kleinheid en beperktheid en kleingeloof heen, hen uitredde en uitleidde naar Zijn raad, maar ook staande hield tot in de dood, ze zouden vallen en niet weer opstaan. Het is de Heere, Die het geloof werkt en in stand houdt, ook als haat zich openbaart en manifesteert.

Alleen, het Woord wordt zuiver verkondigd en het werkt altijd dàt uit waartoe God het zendt: bekering en geloof òf verharding in de zonde en ongeloof. Maar het Woord van God is zó krachtig, zó machtig, dat God, Christus, het helemaal niet nodig heeft, dat Hij het met groot geweld en machtsvertoon afdwingt, noch het onderbouwt met grote aantallen, indrukwekkende vertoningen, enz. Het Woord overwìnt àl dat zwijgen, àl dat machtsvertoon, àl dat gebral, àl die felle verwijten zonder onderbouwing.

En zó dus ook bij Gods kinderen, Zijn profeten. Dan zien we, dat ze vaak veel onrecht hebben te verdragen, zie Elia, zie Micha (hierboven) en veel anderen. Dat is een zware les, die de gelovigen moeten leren, zich eigen moeten maken: vertrouwen op het Woord van God Alléén! Niet toegeven aan al de verleidelijke aspecten die de duivel en zijn trawanten hanteren, openlijk, bedekt, geraffineerd, geslepen. Vast geloven, dàt God werkt door Zijn Woord Alléén, dàt God altijd en overal kàn en wìl en zàl uithelpen en uitredden, naar Zijn raad en voorzienig bestel.

Hoe betoverend en indrukwekkend en oogverblindend is al dat schijnvertoon van de duivel en zijn volgelingen. Vaak als een engel van het licht. En ze verleiden vélen. De Schrift zègt het, voorzegt het, herhaaldelijk. Niet om bang te maken, wel om ernstig te waarschuwen, wijzend op eigen verantwoordelijkheid. Maar velen willen zich niet laten waarschuwen, weten het beter. De mens doorgrondt heel vaak helemaal niet de sluwheid, de geraffineerdheid, de geslepenheid, de doortraptheid van een verleiding. De mens is zo vaak heel diep onder de indruk van de maniér, het dóel, het resultáát, zonder de eigenlijke bedoeling te vatten.

En laten we goed zien en beseffen: welke indruk maken we met alleen het Woord van God? ‘Omdat de Heere het zegt.’ Het zegt weinigen iets, het doet de meesten nog veel minder. Ook als we de grote daden van de Heere vertellen, in de schepping, in de geschiedenis, ze brengen mensen nauwelijks in beweging. Een schouderophalen, een meewarige gezichtsuitdrukking, een zucht, een vertwijfeld: val je me dáármee lastig?

De Heere Jezus zegt: ‘Indien zij Mijn Woord bewaard hebben.’ Dat is àlles. Zijn Woord bewaren. Dat moeten dienstknechten van Jezus Christus zich ook steeds scherp voor ogen stellen: ik kom niet met mijn eigen boodschap, mijn eigen redenering, mijn eigen fantasie, tot vermaak, tot tijdverdrijf, om volgelingen te kweken, om mijn gelijk te halen.

Nee, hij zal er des te scherper op toezien, dat hij het héle Woord brengt, in al Haar verbanden, in al Haar gegeven en geboden verbanden. Dáárin moet hij trouw zijn, niet meer, niet minder. Dan zal het Woord Zelf dàt uitwerken wat God behaagt, naar Gods rechtvaardig oordeel, door de Heilige Geest gewerkt.

En elke fantasie over ‘als je het zó brengt, of zó, dàn …’, het is lege fantasie. Want opnieuw probeert de mèns – door de duivel misleidt! – het béter te weten dan God! Dat is die levenslange strijd van ieder mens om alle eigen fantasie en redenering ten onder te brengen aan het Woord van de levende God, òpdat het Woord van God regeert, eeuwig.

Van Mozes staat geschreven: ik ben geen man van het woord. Van Paulus: niet met schittering van woorden. Opdat het optreden, het vertoon van de mens de ìnhoud van de boodschap niet verdringt. Hoe gemakkelijk trekt een welbespraakt redenaar met meeslepende betogen volle zalen. Hoe magertjes is de toeloop op het zuivere woord van God. En als het scherp wordt – terwijl het Woord Zelf scherp, tweesnijdend scherp ìs!, nee, dan is het niet aan te horen, dan stoot het af, dan is het onverdragelijk. Zie Johannes 6:60, 66, 67. Het staat er zo openlijk. De praktijk vanaf de zondeval toont niet anders.

Verwachten wij wat anders? Verbaast het ons als mensen zich afkeren? Zijn (ook) wij onder de indruk, als verleiders volle zalen trekken, als de afval groot is? Of proberen we in het licht van de Schrift nauwkeurig te toetsen, te beproeven, wèlke geest hier spreekt? Of dat de spreker zelf indruk wil maken met groot vertoon, met meeslepend betoog, met indrukwekkende gebeurtenissen? Brengt het ons tot jaloezie, afgunst, ergernis?

Hoe indrukwekkend is Jezus antwoord, Johannes 6:67. NIETS VAN DIT ALLES!!! En mocht ons dit dan overkomen en dergelijke gedachten en gevoelens ons bekruipen en bespringen, laten we deze verzen weer aandachtig lézen, er aandachtig naar lùisteren, en ons tot rust brengen: dit is zo tijdelijk, zo kortstondig, zo onbetekenend, een ogenblik, een strovuur, even en het is voorbij. Voor God zònder enige betekenis.

MAAR HET WOORD VAN GOD BLIJFT, EEUWIG, VOL KRACHT EN MAJESTEIT!

De Heere Jezus heeft uit de wereld uitverkoren. Het gróte geheim wat geen mens kan bevatten noch verstaan. Uit die door de zonde in de dood liggende mensheid mensen tot leven wekken, doen opstaan tot de nieuwe gehoorzaamheid, door het Wóórd. En dat werd mogelijk door het ene offer van Jezus Christus. Hoe dwáás de mens, die het Woord als nietszeggend en krachteloos verwerpt.

Er zijn vele en grote vervolgingen geweest van Gods kinderen. Vaak zeer gewelddadidg. Maar de Heere heeft Zijn kinderen daaruit gered, telkens weer, hetzij door verlossing, bevrijding, hetzij door lijden en sterven en doorgang. MAAR HET WOORD IS NOOIT GEBONDEN, GEVANGEN! Hoe dwaas en kortzichtig is de mens daarin in navolging van de duivel: dènken, dat als de verkondigers, de volgelingen, uitgeroeid zijn, dat dan de Boodschap ook daarmee uitgeroeid en tot zwijgen gebracht is.

Die vervolgingen zijn er nog. Zeer gewelddadig en verdrukkend in tal van landen. Misschien wat minder gewelddadig in de westerse wereld, maar zeker niet minder gevaarlijk. Sluipender, geraffineerder, verleidelijker. Eén element blijft hetzelfde: elke vervolging zit boordevol leugen en bedrog en onrecht, waarin suggestie, subjectiviteit, selectiviteit, agressie, afpersing, intimidatie, chantage, verleiding en misleiding hun bedenkelijke aandeel hebben. Schijn is de grote misleiding.

Zó fel is de háát. De duivel, zijn volgers, hoewel ze (kunnen) weten, dat God de Oorsprong en Bron van alle leven is, verkiezen in hun háát de dood. Jezus, Bron en Oorsprong van alle leven, komt als Dienstknecht naar deze wereld, om Zichzelf te geven tot in de dóód, om de Zijnen te redden uit de dood en deelgenoot te maken tot het eeuwige léven.

Alleen in en door geloof, door het ware geloof klemt de gelovige zich vast aan het Wóórd, het betrouwbare Woord van God, daar hij God in het geloof voor volmaakt betrouwbaar houdt, en zó Zijn Woord. Ook bovenstaand Woord. We kunnen breed lezen hoe diép en hoe fèl en hoe meedógenloos de háát was, en dat die haat zich uitstrekte tot en met Jezus volgelingen, ook na Zijn opstanding en hemelvaart. Het boek der Openbaringen doet alleen maar zien, dat die haat alleen maar verder zal toenemen.

Hoe kunnen wij dan menen, dat dit Woord van Christus behoorlijk aan kracht heeft ingeboet? En inderdaad, als die waarneming betreffende dìt Woord juist is, dan vallen ook alle andere Woorden daaronder. Ja, dan zijn alle woorden onbetrouwbaar, onzeker, onvast, betrekkelijk, tijdelijk.

Echter, de praktijk bewijst het tegenover gestelde. Want bij de léugen hoort de ontkenning, hoort ook het zwijgen, zie Job. Zoals de duivel zweeg, en weer zweeg, zo zwijgen zijn volgers ook steeds weer. Voor het oog lijkt het er vaak sterk op, dat zwijgen ‘beloond’ wordt met minder straf. In de Bijbel leert de Heere heel duidelijk, dat zwijgen voor God enkel een uitdrukking van verhàrding is, verharding in de zònde, en dus een verzwáring van het oordeel.

Dat de mens zich opnieuw laat misleiden door zijn inbeelding, is ook enkel kortzichtig. Prediker 8 doet overduidelijk zien, dat Gods geduld nóóit leidt tot àfstel. Hoe huiveringwekkend, als we vaak zien, dat God ongelovigen vaak overgeeft áán hun hebzucht, áán hun praalzucht, áán hun begeren. Plotseling breekt Hij het af, en dan … Dan is er het afschuwelijke ontdekken: te laat, ik heb niet gewild, ik heb me láten verleiden en ik heb niét aandachtig gelezen en niét aandachtig geluisterd. Zie de gelijkenis van de rijke man, Lukas 16:23.

27 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *