6. De psychische confrontatie rond de ashoop. II

Job vindt en krijgt kracht en wijsheid en onderscheiding om te reageren, om te weerleggen. Immers, God verlaat nooit het werk, dat Hij begon! Het ondefinieerbare en onontwarbare in die samengang van Gods werk en de menselijke verantwoordelijkheid!

Job 6:2: ‘Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!’ Job klaagt zijn vrienden aan, dat zij in het door Elifaz voorgestelde, niet zuiver wegen. Die koppeling van verdriet en ellende áán zware zonde, die koppeling is duivels vàls, die is in het geval van Job duivels vàls! Zeker, er zijn tal van voorbeelden in de Bijbel, waar een directe lijn ligt van bedreven zonden en daarop door de Heere voltrokken straf. Denk alleen aan koning Manasse! II Koningen 21, II Kronieken 32.

Laten we de hand op de mond leggen. Laten we zien, dat God zó ontelbaar veel mogelijkheden heeft in verscheidenheid, hoedanigheid, dat een mens ook maar de geringste mogelijkheid heeft in het voorspellen, hoe een bepaald geval zich verder zal ontwikkelen in Gods rechtspreken. Gods wijsheid stijgt daar oneindig ver bovenuit. Opdat we leren, dat God altijd rechtvaardig oordeelt, ook als Hij het oordeel uitstelt, ook als Hij het oordeel uitstelt tot het grote gericht op de jongste dag. Laten we volledig overtuigd zijn, dat God Zijn ambt van RECHTER altijd op het juiste ogenblik, volmaakt rechtvaardig, bedient en uitoefent, op de door Hem geschikte en bepaalde tijd. Dat vraagt van de mens geduld, soms heel veel geduld. Laten we in de oefening van het geduld des te meer overtuigd zijn van de zekerheid van Gods beloften, in zegen èn vloek, en zo vrezen voor Hem. En volharden.

Want we moeten scherp opmerken, dat de koppeling van verdriet en ellende áán zware zonde de beproeving verdringt. Die koppeling èn beproeving kunnen niet naast elkaar bestaan. Zeker, zonde kàn gevolgd worden met beproeving. We lezen het regelmatig, dat God een mens beproeft, om te weten wat er in zijn hart is, zijn gezindheid! Denk aan de opdracht van God tot Abraham om Izak te offeren. En zó moet de mens steeds weer in allerlei situaties en ontwikkelingen proberen te onderscheiden: stràft God of bepróeft God? God doet nooit zo maar iets. En telkens weer moeten we Gods barmhartigheid opmerken, in beproevingen, in straffen. God waarschuwt, telkens weer, totdat God ziet, dat waarschuwen tevergeefs is. Dan volgt straf, oordeel.

Beproeft God ongelovigen? Nee. Ongelovigen geloven niet in God en kunnen dus ook niet onderscheiden in het geloof, tussen straf en beproeving. Mèt het geloof begint direct het onderscheiden ìn het geloof.

Daarom, Job heeft die roof van al zijn bezit en kinderen onderscheiden als een zware beproeving van God. Daarom, Job heeft die verwoesting van zijn lichaam, in die ziekte en haar gevolgen onderscheiden als een nieuwe, nog zwaardere beproeving van God. Hij bevestigt het uitdrukkelijk in zijn uitspraken daarna, in de terechtwijzing van zijn vrouw. Het wordt bevestigd in de woorden: in dit alles zondigde Job (met zijn lippen) niet. Begreep Job het? Nee. Daarom is die door de vrienden voorgestelde koppeling met zware zonde zo duivels vàls! Elke vermenging moet hier afgewezen worden. En dan erkent de gelovige het rècht van God, als God Zijn kind (zwaar) beproeft, op welke wijze ook. Dat kind van God ziet terug: IK ben vanuit mijzelf een arme zondaar! Als God mij beproeft om te weten wat in mijn hart leeft, dan moet ik die beproeving in het geloof ondergaan en daarin vast staan in het geloof. Heeft God er niet alle reden toe, ziende op Adam en Eva, die bij de eerste beproeving vielen? Ben ik – in mijn zondestaat – méér dan hen? Dan is de vrùcht van die beproeving, als we die in het geloof doorstaan hebben, de grote bevestiging ìn het geloof en rijke zegen, hier en nu en eeuwig. Hoe schittert Gods eed aan Abraham ná het offer van Izak.

De door de vrienden voorgestelde koppeling leidt alleen maar tot verschrikkelijke onzekerheid voor de gelovige. ALLES moet straf zijn, NIETS beproeving. Des te meer: hoe dùivels is deze ‘rechtsgang’ zònder onderzoek, zònder hoor en wederhoor en van daaruit die goedkope conclusie. En daar ze Job kenden, ook zijn handelwijze, zijn vroomheid, ze hadden eerst moeten horen en proeven en onderscheiden hóe Job de genoemde beproevingen van God gewaardeerd en onderkend had. Ze volgden argeloos de duivel, die ook niet onderzocht, die gestelde vragen volkomen negeerde. Telkens weer blijkt, dat èn de duivel, èn zijn volgers vasthouden in het net doen alsof ze aan God gelijk zijn en zèlf soeverein kunnen en mogen bepalen wat ze wel of niet doen en hoe en wanneer. Daarom wordt ook vaak zo gemakkelijk afgeweken van de door God gebóden zuivere en rechtvaardige rechtspraak.

We kennen de ‘rechtspraak’ van Izebel, Achab, de bestuurders, inzake Naboth, I Koningen 21. We kennen de ‘rechtsgang’ rond de veroordeling van de Heere Jezus Christus. Dan moet ons direct opvallen, dat àlle eigenwillige rechtspraak heel gemakkelijk uitloopt op pure willekeur, waar geboden barmhartigheid totaal àfwezig is. Dan worden schuldigen door mensen vrijgesproken en onschuldigen wreed vervolgd en uitgeroeid. En nee, de duivel erkent beproevingen van God ook niet, daar hij ze telkens weer tracht om te buigen naar zìjn doelstelling.

Maar zien we tegelijk, dat de duivel heel scherp zijn dóel voor ogen houdt? Het door God gewerkte geloof in zondaren belachelijk en onzeker maken door het als afgoderij voor te stellen, daar het geloof àfhankelijk zou zijn van bezit, van gezondheid. En als we dan zien, dat de Heere Zijn werk in het geloof van Job onwrikbaar vast doet staan; als we dan zien, dat de duivel niét erkent, maar doorgaat en steeds weer van taktiek verandert, dan moeten we des te scherper opletten. Dan moeten we onderkennen de duivelse sluwheid van de onbewezen verdachtmaking en beschuldiging waarvan hij zich hier bedient door de drie vrienden.

Hoe kunnen wij tegen de boze geesten de strijd aanbinden en daarin volharden, als we niet eerst het grote dóel van de duivel leren zien en onderkennen? Dat dóel blijft vanaf zijn zondeval hetzelfde, onmiskenbaar. Daarom zullen we dat dóel moeten kènnen! Daarom zullen we ook alle gehanteerde taktieken moeten onderscheiden, die de duivel aanwendt om tot zijn doel te komen! Leugen, bedrog, valsheid, misleiding, verleiding, vleierij, vertekening, eenzijdigheid, valse voorstelling, maar ook chantage, intimidatie, infiltratie, omkoperij, grote tekenen en wonderen, om maar iets te noemen, en alle mixen en combinaties daarin. Maar vóór alles zullen we onze uiterste best moeten doen om thuis te zijn in Vaders Woord. Want dat Woord is het zwáárd waarmee we kunnen en moeten vechten en weerleggen. Efeze 6. Zie de Heere Jezus, artikel 15 Geestelijke regering IV.

Job 6:7: ‘Mijn ziel weigert [uw] [woorden] aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.’ Hiermee bevestigt Job zijn uitspraak in vers 2 en karakteriseert hij al de woorden van Elifaz als inhoudloos, nietszeggend, waardeloos.

De Heere heeft gezwegen tot dan toe. Jobs ellende en aftakeling hebben zulke diepe sporen getrokken, dat Job verwacht, dat het sterven elk ogenblik kan komen. Ja, hij ziet er naar uit en hoopt, dat het spoedig komt, Job 6:8-10: ‘Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in de weedom, [zo] Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.’ Voor Job was zijn toestand – menselijk gezien – hopeloos en uitzichtloos. God had Job Zijn weg met hem niet bekendgemaakt. Maar ook, als de beproevingen zouden leiden tot sterven, Job wenst in het geloof te volharden.

Job 6:15: ‘Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;’ Opnieuw wijst Job de handelwijze van zijn vrienden scherp af.

Job 6:21: ‘Voorwaar, [alzo] zijt gijlieden [mij] nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.’ Nog eens karakteriseert Job de verdachtmakingen als inhoudloos. Inderdaad, vrienden, u hebt niet onderscheiden en daarom blijft u in totale onzekerheid rondtasten.

En God zwijgt.

9 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *