4.8 BARMHARTIGHEID. Door Jezus Christus verdubbeld! II

b. Doelstelling en beginsel van tucht en het beoogde gevolg:

Spreuken 1:2-9: ‘Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands; 3 Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden; 4 Om de slechten kloekzinnigheid te geven, de jongeling wetenschap en bedachtzaamheid. 5 Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijze raad bekomen. 6 Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen. 7 De vreze des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. 8 Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet; 9 Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.’

Spreuken 3:1-35: ‘Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. 2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen. 3 Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten. 4 En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen. 5 Vertrouw op de HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet. 6 Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. 7 Zijt niet wijs in uw ogen; vrees de HEERE, en wijk van het kwade. 8 Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen. 9 Vereer de HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten; 10 Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen. 11 Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; 12 Want de HEERE kastijdt dengene, die Hij liefheeft, ja, gelijk een vader de zoon, [in] [dewelke] hij een welbehagen heeft. 13 Welgelukzalig is de mens, [die] wijsheid vindt, en de mens, [die] verstandigheid voortbrengt! 14 Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. 15 Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. 16 Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. 17 Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede. 18 Zij is een boom des levens degenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig. 19 De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid. 20 Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw. 21 Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid. 22 Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals. 23 Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten. 24 Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen. 25 Vrees niet voor haastige schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt. 26 Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden. 27 Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen. 28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is. 29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. 30 Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft. 31 Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen. 32 Want de afwijker is de HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met de oprechte. 33 De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen. 34 Zeker, de spotters zal Hij bespotten, maar de zachtmoedigen zal Hij genade geven. 35 De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.’

Spreuken 4:1-13: ‘Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten. 2 Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet. 3 Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder. 4 Hij nu leerde mij, en zei tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef. 5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds. 6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren. 7 De wijsheid is het voornaamste; verkrijg [dan] wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting. 8 Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult. 9 Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren. 10 Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden. 11 Ik onderwijs u in de weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen. 12 In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen. 13 Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.’
Spreuken 4:18: ‘Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe.’
Spreuken 4:20-27: ‘Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. 21 Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten. 22 Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees. 23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens. 24 Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u. 25 Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden. 26 Weeg de gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. 27 Wijk niet ter rechter [hand] of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.’

Spreuken 5:1 en 2: ‘Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; 2 Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.’
Spreuken 5:7-10: ‘Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds. 8 Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; 9 Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren de wrede; 10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet [kome] in het huis des onbekenden;’
Spreuken 5:15-21: ‘Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; 16 Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, [en] de waterbeken op de straten; 17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. 18 Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd; 19 Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. 20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en de schoot der onbekende omvangen? 21 Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijn gangen.’

Spreuken 6:1-11: ‘Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; 2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds. 3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelf, en sterk uw naaste. 4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering. 5 Red u, als een ree uit de hand [des] [jagers], en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 6 Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7 Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8 Haar brood bereidt in de zomer, haar spijs vergadert in de oogst. 9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11 Zo zal uw armoede [u] overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.’
Spreuken 6:20-23: ‘Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet. 21 Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals. 22 Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve [met] u spreken. 23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;’

Spreuken 7:1-5: ‘Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg. 2 Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als de appel uwer ogen. 3 Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten. 4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend; 5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, [die] met haar redenen vleit.’

Spreuken 13:1: ‘Een wijs zoon [hoort] de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.’
Spreuken 13:24: ‘Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg [met] tuchtiging.’

Spreuken 23:12-14: ‘Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap. 13 Weer de tucht van de jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven. 14 Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.’
Spreuken 23: 22 en 23: ‘Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is. 23 Koop de waarheid, en verkoop ze niet, [mitsgaders] wijsheid, en tucht, en verstand.’

Hoe duidelijk is het, dat de bedoelde wijsheid niét alleen verstandelijke wijsheid is, maar dat die wijsheid onlosmakelijk verbonden en verweven is met: de vreze des Heeren! Het daarin met de Heilige Geest daartoe vervuld zijn. Telkens weer is er die onnavolgbare en onuitlegbare en onontwarbare samengang van Gods werk in het geloof wèrken in de mens, èn ieders eigen verantwoordelijkheid daarin. In het luisteren, in het gehoorzamen, in het zich daaraan onderwerpen dóór waar geloof.

Daartoe is er dus ook die aanhoudende oproep tot het kómen en het zich láten gezeggen en het zich láten vergaderen tot die blijde verkondiging vàn dat Woord. Ook het zich van harte onderwerpen áán die getrouwe, waarachtige tucht, indien nodig. Tegelijk, het zich afkeren van het wèigeren zich te onderwerpen en er zich toe te zetten, òm te komen en te blijven bij de zuivere verkondiging en het handhaven van de rechte en rechtvaardige tucht.

Gods Wijsheid in verkondiging en tucht verdraagt nooit eigenwillige inbreng of aanvulling of verandering, of toedoen of afdoen van het Woord. Luisteren, léren luisteren, léren gehoorzamen, léren onderwerpen aan het gezàg van dat Woord, de God van dat Woord! Zoals vóór de zondeval de gestelde òrde opnieuw handhavend: Gods Woord, Gods gebod, op de eerste plaats, overal, altijd. Alles wat daarmee in strijd is radicaal afwijzen en verwerpen.

Daartoe wil de Heere ook gebruik maken van allen die direct, indirect betrokken zijn bij de opvoeding. Vandaar het herhaaldelijke: Mijn zoon! Hoe indringend roept de vader zijn kinderen ertoe op die Wijsheid ernstig te zoeken, lief te hebben, te bewaren, omdat haar waarde vèr uitstijgt boven alles wat voor ogen is. Hij onderkent, dat mensen kunnen struikelen, vallen. Léér ervan, sta snel weer op, herstel je met haast.

Herinneren we ons Job 1:5: ‘Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen (zijn kinderen, bjp) heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde [naar] hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.’ Hoe duidelijk blijken Jobs onderwijs, maar daarna ook – als het moet! – Jobs tucht en vermaan tegenover zijn kinderen. En dat niet één of twee maal, maar telkens weer, aanhoudend, standvastig. Daarmee onderkennend het gevaar, het sluipende gevaar, dat de kinderen God vaarwel gezegd konden hebben.

Vergelijk Prediker 7:2-4: ‘Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; [want] in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart. 3 Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd. 4 Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.’

Nu wordt ons op diverse plaatsen in de Schrift ook voorgehouden te geniéten van al het goede wat God geeft. Het is de bedoeling ook niet van de Schrift deze gedeelten tegenóver elkaar te zetten, tegen elkaar uit te spelen, maar om de mens te brengen tot grote, blijvende bedachtzaamheid. Ofwel, geef, verlies het hàrt niet in het huis, op de plaats der vreugde en overdaad, alsof dàt, dáár het leven is. Nee, maar blijf bedachtzaam, geniet ten volle, toch ook met mate, bedacht zijnde op het moment, het even, het voorbijgaande erin.

En zo probeert Job geen domper te zetten op de feestvreugde van de maaltijden, de gezamenlijkheid en het samen zijn daarin, maar hij probeert daarin het evenwicht te handhaven en te bewaren. Voor zichzelf, voor zijn kinderen. Later lezen we over de overvloed in het leven van Job in zijn eerste gezonde dagen. Altijd weer is er het eigen leven waarin we de lessen, de levenslessen in woord en daad in praktijk hebben te brengen, dag in, dag uit, standvastig.

Daarom: laat die lering, die tucht tot wijsheid ons èlke dag scherp voor ogen staan en ons, u geleiden. Weest ijverig daarin gaandeweg het leven toe te nemen, vordering te maken. Weet: die weg is lang, kan lang zijn. Daarom: hoe noodzakelijk is daarbij volharding, voortgaande volharding! Dóór waar geloof, gedragen dóór ware liefde!

Want verslapping daarin ligt elke dag op de loer. De verleidingen van de wereld, de begeerten van het vlees, maar ook alle zelfingenomenheid en gearriveerdheid, ook alle ruis die ons elke dag overstroomt en haar dwingende claim wil opleggen, ze kunnen ons maar zo overweldigen en in beslag nemen, en houden.

Daarnaast persoonlijke slapheid in het handhaven van orde en recht en tucht. Het daartoe beïnvloed worden door de omgeving, de moraal van ‘iedereen’. Ook daarover lezen we in de Bijbel, I Koningen 1:6, betreffende Davids zoon Adonia: ‘En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en [Haggith] had hem gebaard na Absalom.’

Telkens weer blijkt, dat het niét zorgvuldig en rechtvaardig handhaven van recht en gerechtigheid in alle verhoudingen van het leven, uitsluitend náár Gods Norm en gebod!, leidt tot éénzijdigheid, partijdigheid, voortrekken en achterstellen, het buigen van het recht en het aanpassen aan de wensen en voorkeuren van mènsen. Want het duurt maar heel kort, of Gods gestelde en vereiste handhaving van de tucht wordt verlaten en ingeruild voor èigentijdse en èigenbedachte en èigenwillige ‘oplossingen’ en ‘mogelijkheden’.

Maar dan blijft er binnen de kortste keren niets meer over van de door God vereiste rechtvaardige en onpartijdige rechtspraak. Dan gaan we bijvoorbeeld met elkaar in gesprek en proberen op die manier tot een ‘werkbaar’ compromis te komen, een ‘door ieder te accepteren’ overeenkomst en overeenstemming om sámen verder te kunnen. Onderken daarbij: als we niet heel goed oppassen, worden even later allerlei meningen van mensen gelijk gesteld in orde en gezag met het uitdrukkelijke Woord van God. Even later is ‘hoe ik of u er tegen aan kijken’ bepalend, gevolgd door ‘de meerderheid’.

Of we leggen de nadruk op de burgerlijke correctheid in het naleven van de vastgestelde en algemeen aanvaarde gedragsnormen tegenover elkaar. Of een mix, of een tijdelijke noodmaatregel, of een ‘in dit geval’ uitzonderlijke maatregel. Wié bepaalt, wié is rechter, wié geeft de doorslag?

Helaas voor iedereen blìjkt het telkens weer, dat de door God vereiste tùcht daardoor en daarmee op de tweede of volgende plaats komt te staan, in orde. En wordt daaraan toegegeven, wordt dat verdragen, het is maar even, en het is de beleidslijn, de gedragscode, ‘zoals we met elkaar afgesproken hebben’. En de leiding, de leiders zijn belast met de handhaving daarvan. Ach, en de praktijk leert, dat ook de leiders binnen de kortste keren er zèlf hun invulling en uitleg en toepassing en uitwerking aan geven. En natuurlijk, zij bepalen ook of er ‘nú’ ‘in dit geval’ ‘hier’ een uitzonderlijke situatie is, waarbij de vastgestelde beleidslijn niet, onvoldoende, voldoet. Het gevolg is, dat we van de ene willekeur naar de volgende strompelen. Maar laten we vertrouwen hebben in de ‘goede bedoelingen’, de ‘integriteit’ van de leiders, de voorgangers.

Want het blijkt de hele geschiedenis door, dat deze gedragslijnen heel druk gekopieerd zijn en worden door kerken, groepen, sektes, enz., ambtsdragers daarin. En dat steeds weer onder de schoonklinkende schijn van ‘aannemelijkheid’, snel overdekt met een overvloed van vrome en vroomklinkende woorden en getuigenissen en aannames en redeneringen.

Maar vraag naar de door God vereiste rechtvaardige en onpartijdige tùcht, zowel in wóórden, als ook in dáden, controleerbaar door alle betrokkenen, aktief, passief, en het kaartenhuis van ‘zorgvuldigheid’ stort meteen in elkaar. Het gevolg daarvan was en is: kerkelijke verdeeldheid en chaos: ieder doet zoals goed is in eigen ogen. O ja, wel onder de dekmantel van de Naam van de Heere Jezus Christus: WIJ zijn Zijn kerk, Zijn gemeente. En dat, terwijl Zijn geboden recht en tucht vervangen zijn door eigenwillige regels en beleid.

En dat móet ook wel. Want God verdráágt geen enkel alternatief daarin náást Zijn geboden recht en tucht. Hoe heeft God op tal van plaatsen in de Schrift die rechte en rechtvaardige en onpartijdige rechtspraak vereist! En daarbij gewezen op de grote gevaren van omkoperij, geschenken die het recht buigen, het voortrekken van vriendjes in de rechtspraak. Of het lichtvaardig de één gelijk geven en de ander het recht tot verdediging onthouden. Daarbij alle persoonlijke vooringenomenheid. Nee, Gods recht en tucht moeten gehandhaafd worden en regeren.

Het beleid van en in het tienstammenrijk onder koning Jerobeam is daarbij zeer verhelderend. Onder schone schijn wordt de kalverendienst ingevoerd. Maar binnen de kortste keren worden ware priesters òf afgezet òf gedwongen mee te veranderen en alle ‘vernieuwingen’ toe te juichen. Niet goedschiks, dan kwaadschiks, met geweld. Onderken daarin, dat de duivel nóóit akkoord gaat met een compromis. Zeker, met woorden is hij daartoe de grootste pleitbezorger, maar als door kinderen van God aarzelend wordt meegegaan in zijn redeneringen, dan blijkt binnen de kortste keren zijn ware aard.

En toch leert de mens niet van de geschiedenis en moet elk nieuw geslacht die lessen opnieuw leren.

Hoe belangrijk is het om telkens tot bezinning te komen: wándel ik nog op de weg ten leven?, of leg ik gaandeweg het leven alle onderwijs en tucht als ‘achterhaald’ aan de kant en zoek ik al mijn geluk hier en nu in deze wereld en haar begeren? Terwijl ik kàn weten: deze weg is gebaseerd op ijdel drijfzand, vol onzekerheid en onvastheid, vol twijfel, ook vol leugen en bedrog, hoe vriendelijk en verleidelijk ook gebracht.

Onthoud: Gods BARMhartigheid in verkondiging en onderwijs en tucht lìjkt van ondergeschikte waarde, maar blìjkt eeuwigheidswaarde te hebben. Omdat Gòd het zegt, de levende God. Omdat ook dìt Woord nóóit leeg terug keert.

Merk Gods geduld op, waar Hij ons in geciteerde Schriftgedeelten zó breed en uitvoerig onderwees en onderwijst. Opdat we niet vergeten!

3 september 2016

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *