4.4 BARMHARTIGHEID. Door Jezus Christus getoond en bewezen, de mens ten voorbeeld. II

2. Getuigenis van de Heere Zelf.
– Exodus 34:6: ‘Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.’ Heel nadrukkelijk zet de Heere ‘barmhartig’ voorop!

– Lukas 7:22 en 23: ‘En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, [namelijk] dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, de armen het Evangelie verkondigd wordt. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden.’

Het is één en al barmhartigheid! Om niet! En dáár ligt het grote verschil: Hoogmoed en eigendunk ergeren zich daar mateloos aan. Want barmhartigheid betekent van genáde leven, erkennend: IK ben het niet waard!

Mensen, die niéts van zichzelf verwachten, roemen en prijzen God daarvoor en geven zich daaraan in vol geloof over. De mens heeft van dag tot dag te strijden tegen alle hoogmoed en eigendunk en eerzucht. De verblindende uitnodiging, de suggestieve verleiding, alle bedwelmende bewieroking daartoe, vanuit eigen hart en vlees, door omgeving, vanuit de wereld, ze houden niet op om ons ìn die doodsslaap te houden! Want dóór MIJN zonde in Adam en Eva wìl IK niet anders dan daarin blijven!

3. Gebod tot barmhartigheid en oordeel over onbarmhartigheid.
– Mattheüs 5:7: ‘Zalig [zijn] de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.’
Hoe strekt de Heere de barmhartigheid, die hier door mensen in geloof betoond en bewezen wordt ùit naar de eeuwigheid: zij zullen deel hebben aan de eeuwige barmhartigheid van God in het eeuwige leven. Hoe wordt Gods betoonde en bewezen barmhartigheid nauw verbonden met de opdracht, de eis, het gebod tot het tonen en bewijzen van barmhartigheid tegenover onze naaste.

– Mattheüs 9:13: ‘Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.’

Hoe duidelijk wordt hier alle verstandelijk, beredenerend geloof, vertrouwend op eigen offers en prestaties, àfgewezen. Tenminste, als ze op zichzelf staan. Niet òf-òf, maar èn-èn. Als barmhartigheid betoond en bewezen wordt, volgen offeranden vanzelf. Alleen vaak van een heel andere inhoud. Hoogmoed en eigendunk verdragen barmhartigheid niet. En dan zegt Jezus: ‘Ik WIL barmhartigheid’. En dat kan alleen in woord en daad getoond en bewezen worden. En de Heere Jezus wijst het openlijk aan: ‘want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.’

BARMHARTIGHEID ten voeten uit! Ik ben gekómen! Niet geroepen, nee, gekómen! Alleen Eigen initiatief. Om zondaars tot bekering te roepen. Mensen, die erkennen en belijden, dat ze midden in de dood liggen en er zelf onmogelijk uit kunnen komen. Dat God Zelf ze daartoe moet opwekken en doen wedergeboren worden. En dan zegt de Heere Jezus: Ik wil barmhartigheid! Wat Ik Zelf betoon (in Mijn komen), wat Ik Zelf bewijs (In Mijn offer), wat Ik Zelf volmaak (in Mijn opstanding en hemelvaart), mens, volg me daarin ná!

– Mattheüs 10:7 en 8: ‘En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.’
Betoont en bewijst barmhartigheid! Om niet! Want Gòds barmhartigheid moet bekend en verkondigd en geprezen worden. Gòds barmhartigheid aan dode zondaren, opdat ze opstaan tot een nieuw leven in Hèm!

– Mattheüs 12:7: ‘Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.’
We zien hier een duidelijke verscherping ten opzichte van 9:13. Dáár: een bevel, opdracht. Hiér: ‘zo gij geweten had’. Blijkbaar hebben ze die opdracht, dat bevel, als minderwaardig naast zich neer gelegd. Wat was het gevolg er van? Dit, dat ze onschuldigen veroordeelden.

Barmhartigheid (ver)oordeelt niet hard en kil en zakelijk, maar barmhartigheid is voor alles met ontferming bewogen over de ander. Worden barmhartigheid en ontferming hoogmoedig verworpen en geminacht, dan volgen oordelen. Hier zien we, dat onschuldigen kil en hard en zakelijk veroordeeld worden zònder enige ontferming of barmhartigheid. Zagen we dezelfde onbarmhartigheid al niet bij de drie vrienden van Job in het lichtvaardig en onverhoord Job beschuldigen en veroordelen wegens vermeende ‘zware zonde’? Zie verder onder 9.

– Mattheüs 18:21, 22: ‘Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven [maal].’
Hoe eist de Heere niét ophoudende BARMHARTIGHEID in vergevingsgezindheid, ziende op Gòds barmhartigheid. De Heere doet het ten opzichte van zondaren om niét, zonder enige verplichting. De mens wordt er toe opgeroepen, waarbij hem steeds al zijn eigen struikelen en vallen en àfhànkelijk zijn van Gods ontferming scherp voor ogen moeten staan.

– Mattheüs 23:23: ‘Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en de komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, [namelijk] het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.’
Onbarmhartig wetticisme! Ze hadden niet geleerd. Ze wilden niet leren. Vandaar, het vlijmscherpe: GEVEINSDEN! Voor het oog zó vroom, zó rechtvaardig, zó heilig. Maar in werkelijkheid eigenwillig wetticisme, vijand van alles wat barmhartig is. Zie verder onder 9.

– Lukas 6:36: ‘Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.’
Barmhartig zijn, barmhartigheid betonen en bewijzen, ze zijn geen leervak op school. Mèt waar geloof moeten we onze gezindheid er mee vullen en invullen. Op alle terreinen, in alle verbanden, in alle verhoudingen, in alle situaties. Het is niet mogelijk – vervuld van barmhartigheid – ineens onbarmhartig te zijn.

De Heere Jezus is ook niet onbarmhartig als Hij de leiders in Mattheüs 23 ònbarmhartigheid verwijt. Nee, na hen jarenlang onderwezen en voorgeleefd te hebben wat ‘barmhartigheid’ IS, ziende hun onbekeerlijkheid, treedt Zijn rechtvaardigheid naar voren en bliksemt hen neer met: ‘WEE U!’ Hen daarmee overgevend aan hun onbekeerlijkheid.

– Lukas 10:37: ‘En hij zei: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zei dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.’ Zie, dat elke vrijblijvendheid gezet wordt onder dit gebòd! Hoe kan een mens nog zeggen: ik wist het niet!

– Lukas 14:12-14: ‘En Hij zei ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw magen, noch [uw] rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede. Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden; En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.’
Vgl. Mattheüs 5:7.

17 juni 2016

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *