4.2 BARMHARTIGHEID. De staat van de mens herhaald.

De duivel háát alles waaraan ook maar iets van barmhartigheid kleeft en dùs die moederbelofte, en dùs dat verlossingsplan en helemaal de vervulling daarvan. Om de toevlucht te nemen tot die verlossing, dat herstel door onze Heere Jezus Christus, nemen we de toevlucht tot het ene òffer van onze Heere Jezus Christus. Dan zien we Gods grote onverdiende barmhartigheid in de moederbelofte.

Dan beseffen we ook, dat het er niet van willen weten of er ongeïnteresseerd aan voorbij lopen betekent: het ook op geen enkele manier déél hebben aan die barmhartigheid en aan de vrucht ervan: ònverdiende rechtvaardigmaking in Christus voor God!, eeuwig leven voor en in Hem! Gods barmhartigheid willens en wetens minachtend verwerpen in hoogmoed en eigendunk. Eerst in Adam en Eva, daarna in grote verharding in zonde en onbekeerlijkheid.

Het lijkt er sterk op, dat ‘barmhartigheid’ in de praktijk van het geloof, het geloofsleven, ontbreekt. Natuurlijk, God is barmhartig. En dat is waar. Maar Gods barmhartigheid is onlosmakelijk verbonden met Zijn liefde en Zijn rechtvaardigheid en oprechtheid en waarheid. Spreken we alleen over één van deze drie deugden van God, lòs van de andere twee, in feite spreken we over een verscheurde God. Ofwel, niét over de levende God zoals Hij Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard. Zijn deze deugden bij God onlosmakelijk aan elkaar verbonden, in volmaakte harmonie, willen Zijn kinderen kìnderen zijn, dan bij hen evenzo. Zo niet, dan zijn ze geen kinderen maar bastaards, schijn, onecht, vals, huurlingen, huichelaars, geveinsden.

Mensen zeggen, beweren, schrijven, dat de mens vanuit zichzelf ‘goed’ is, goed geaard. Hoewel de Heere overal in de Bijbel duidelijk betuigt, dat de mens vanuit zichzelf na de zondeval voor Hem totaal verdorven is in de zonde, menen sommigen, dat dat niet juist is, en zeker Nieuwtestamentisch niet. Om duidelijk aan te geven, dat dat ook Nieuwtestamentisch heel nadrukkelijk geleerd wordt, noem ik hieronder drie Bijbelgedeelten uit de Romeinenbrief:

Romeinen 1:18-32: ‘Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, [als] die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Omdat zij, God kennende, [Hem] als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden; En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende [gedierten]. Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren; [Als] die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geeerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen. Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het [gebruik] tegen nature; En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die [daartoe] behoorde, in zichzelven ontvangende. En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerde zin, om te doen dingen, die niet betamen; Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam; Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen; Dewelken, daar zij het recht Gods weten, ([namelijk], dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.’

Romeinen 3:7-20: ‘Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld? En [zeggen wij] niet [liever] (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede [daaruit] kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is. Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn; Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is [ook] niet tot een toe. Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; Vernieling en ellendigheid is in hun wegen; En de weg des vredes hebben zij niet gekend. Er is geen vreze Gods voor hun ogen. Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld [voor] God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.’

Romeinen 7:5-26: ‘Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om de dood vruchten te dragen. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij die gestorven zijn, onder welke wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet [in] de oudheid der letter. Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten [zonde te zijn], indien de wet niet zei: Gij zult niet begeren. Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden. Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood. Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed. Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde [is mij de dood geworden;] opdat zij zou openbaar worden zonde [te zijn]; werkende mij door het goede de dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod. Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is. Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is [wel] bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze wet [in mij]: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar de inwendige mens; Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.’

Niet om depressief te worden of te maken, wel om wakker te schrikken en te beseffen: is er (opnieuw) een uitweg, een weg tot verlossing uit deze doodsstaat? Kunnen we zèlf? Kan iemand anders? En dan leert de Bijbel van bladzij tot bladzij, dat God Zèlf onze Heere Jezus Christus gàf tot volkomen verlossing. Door Zijn offer, door Zijn vlees en bloed, door Zijn schulddragen voor ons, door Zijn verlossing uit vloek en dood, Zich ten eigendom. Omdat Hij zag, dat de mens(heid) zelf niet kòn, niet wìlde.

19 februari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *