25. De taak en plaats van Job èn Elihu in het grote eindgericht.

We moeten nog een punt scherp voor ogen zien: Israël. Waarom? Zoals we in een tekst hierboven al zagen, was er in Israël een stuk hoogmoed wegens afkomst. Hoe wordt in het Bijbelboek Job getoond, dat nòch Job, nòch Elihu uit Israël stamden. Des te meer schittert Gods grote Naam, dat er geen enkele gedachte in die richting van afkomst kan of mag zijn, maar dat God soeverein verkiest, wie Hij wil, wanneer Hij wil, waar Hij wil. Dit ziende, laten we des te meer bedacht zijn op onze eigen verantwoordelijkheid, hier en nu, en ons niet laten afleiden door gedachten of ideeën waarvoor de Schrift géén ruimte geeft. Zijn we vergeten, dat wij geënt zijn??? O, die hoogmoed, die eigendunk, we moeten ze háten! Bescheidenheid blijft een dagelijkse leerschool.

Hoe gemakkelijk wordt door mensen materiële voorspoed gezet náást zegen, en tegenspoed náást vloek. Het is een gevolg van de Schrift niét voldoende kennen. Zeker, de Schrift laat ons beide kanten overduidelijk zien! Maar we mogen het onder geen beding opvatten en ‘gebruiken’ als een automatisme. We moeten ook daarin scherp onderscheiden. Laten we er des te meer op toezien, dat – als voorspoed of tegenspoed in het leven komen, op welk vlak ook – we éérst nauwkeurig nagaan, òf er duidelijk aanwijsbare zonden, afwijkingen in ons leven zijn, waarom. Het is zeker, de Heere heeft elke dag méér dan voldoende reden om ons te tuchtigen. Maar laten we in alle gevallen ons eerst verootmoedigen voor God. En laten we ons daarna des te meer vastklemmen aan Zijn Woord, Zijn Verbond, Zijn Beloften, dat we vaststaan in het ware geloof en Hem bidden om kracht en volharding. Het is zeker: daarvan gaat een veel krachtiger getuigenis uit in deze wereld, dan dat we gemakshalve het gebruikelijke taalkleed van de wereld gebruiken. Er is toch geen enkele reden, dat we ons voor God schamen???

Duivel, vrienden: het negeren van gestelde vragen: het is pure minachting van de ander, tegelijk duivelse hoogmoed: IK ben koning, IK bepaal of ik wel of niet op terechte vragen inga. Daar nauw aan verwant: onvolledige en dus eenzijdige informatie verstrekken, altijd tot nadeel van ander, tot voordeel voor mij. Vertekenen van feiten. En dat op elk terrein.

We moeten nog een stap verder gaan: Deze teksten zijn de meest bestudeerde, de meest gecopieerde verzen uit de Bijbel, door de mèns. Steeds weer worden deze praktijken toegepast, verbogen, verfijnd, geraffineerd: ZWIJGEN, ER OVERHEEN PRATEN, ZICH NIET ERGENS OP LATEN AANSPREKEN en VERANTWOORDING AFLEGGEN, EENZIJDIGE VERKLARINGEN (maar ze doen voorkomen als volledig).
We noemen enkele praktijkgevallen:
a. De duivel deed het in het paradijs tegenover de mens: eenzijdige belichting waardoor de Waarheid verloochend werd; tegenover de Heere Jezus bij de grote verzoeking door niet de héle Schrift in haar verbanden te noemen, waarna de Heere Jezus de LEUGEN ontmaskerde door de volle WAARHEID te verkondigen.
b. Valse godsdiensten, ongeloof, bijgeloof, sinds de zondeval worden ze grif aangehangen en gevolgd door mensen. Uiteindelijk is er steeds weer zèlfhandhaving in: het zich niet volledig en hartelijk (willen) onderwerpen aan Gods Woord als het ene volstrekt betrouwbare Woord van de levende God; en zó vertrouwt de mens toch nog op zichzelf, op andere mensen. Het noodzakelijke gevolg is, dat de mens zich niet laat controleren, zich niet laat aanspreken inzake geloof, inzake werken, want dat is onverdragelijk. En prompt blijkt totale onvastheid, onzekerheid. Vervolgens spreekt men er elkaar ook niet meer op aan of het wordt dwangmatig.
c. Op alle terreinen van het leven wordt regelmatig bewust gewerkt met eenzijdigheid in berichtgeving, voorlichting, beïnvloeding. Tegelijk veel ontkenning, verdraaiing, manipulatie, omkoping, geweld. Het doel heiligt alle middelen. Het jagen is naar invloed, naar macht, naar geld, naar lust, naar hebben.

God zwijgt: eerst in het paradijs, als Adam en Eva verzocht worden: MENS, KEN JE JE DOOR MIJ GEGEVEN PLAATS IN MIJN SCHEPPING: KIND!
God zwijgt: nu tijdens de beproevingen van God en de verzoekingen van de KNECHT!
In beide gevallen: HET GELOOF, HET DOOR GOD GEWERKTE GELOOF MOET OVERWINNEN! IN DAT GELOOF DE BEWERKER VAN HET GELOOF: GOD!

In het geloof kijk ik vooruit: de jongste dag, ik zie een grote rechtszaal, het grote gericht. Aanwezig in die rechtszaal:
– de Rechter: God.
– alle mensen die geleefd hebben op de aarde
– alle goede engelen
– alle gevallen engelen, de duivelen
In de beklaagdenbank: de duivel zelf.
De Rechter vraagt de duivel: heeft de KNECHT het KIND blijvend overwonnen en daarin MIJN gestèlde orde blijvend omvergeworpen?
De aangeklaagde zwijgt.
Dan zegt de Rechter: dat twee getuigen uit de mensheid naar voren komen en getuigen.
Job en Elihu treden als getuigen der mensheid naar voren en getuigen: Heilige, almachtige, waarachtige, rechtvaardige Rechter, door waar geloof hebben wij – KINDEREN – de KNECHT overwonnen en Uw gestelde orde bevestigd en gerechtvaardigd. U ALLEEN ALLE EER!
Dan spreekt de Rechter het oordeel over de duivel uit, PUBLIEK!, mee op basis van het getuigenis van de twee getuigen, VOLMAAKT RECHTVAARDIG! In hem over zijn mede-duivelen, in hem over al zijn volgers in de mensheid.
Ook in de hel kan niémand God beschuldigen van enig onrecht! Tot en met het laatste gericht toe.

Het Bijbelboek Job: God handhaaft Zijn scheppingsorde.

deel 1: hoofdstuk 1 t/m 37 de mens herstelt alleen door waar geloof positie KIND-KNECHT
deel 2: hoofdstuk 38 t/m 42 God bevestigt Zijn positie: ALMACHTIGE SCHEPPER-KIND

Hiermee besluiten we het eerste deel van het Bijbelboek Job.

29 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *