2.4 De ALMACHTIGE SCHEPPER aanvaardt het gelovige gebed en herstelt soeverein de staat van het KIND Job.

De Heere wijst de vrienden ook de weg: ‘en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen,’ Hoe sterk doet deze weg denken aan de gebeden van Mozes, opdat de Heere het gedreigde onheil van Israël zou afwenden. Des te sterker het gebed van de Heere Jezus: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.’ Maar telkens weer moeten we scherp opmerken, dat dit beslist niét betekent, dat de Heere àfziet van Zijn toorn en straf en oordeel, maar dat de Heere alsnog (enige) tijd geeft. Tijd, opdat betrokkenen zich met haast bekéren. Dus, beslist géén àfstel, maar op zijn hoogst (enig) ùitstel!

Hoe zwáár rust Gods toorn op mìjn, ònze zonde! Hoe gróót moet dan wel het gewicht van Christus’ òffer zijn, om al die zonden te vergeven. Hoe hoog moet Gods toorn dan branden, waar zùlk een offer geminacht en bespot en veracht wordt en waar mensen verharden in het SLAAF blijven van de KNECHT! In woord en daad en gedachte en gezindheid. Des te zwaarder weegt het, als God nòg geduld heeft.

We moeten ook opmerken, dat de Heere de vrienden niét gebiedt zèlf te bidden. Ook niet ná het offeren. De Heere stelt hier een duidelijke grens! Hoe wordt die grens telkens weer in de Schrift gelègd, gezèt, door de Heere: de GEZINDHEID van de bidder voor God. De gezindheid van het hart. Is die recht voor de Heere of niet recht.

Hierin maakt de Heere duidelijk scheiding. De léugen van de duivel, dat alle bidden de Heere aangenaam is en dat elk gebed door Hem verhoord wordt, is veel mensen in slaap sussend.

Zou alleen bovenstaande daarover in de Schrift opgetekend zijn, het moest ons voldoende zijn. Maar de Heere heeft dit veel vaker doen optekenen, opdat het des te beter tot ons doordringt:
– Spreuken 28:9: ‘Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.’
– Psalm 66:17-20: ‘Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong. Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben. Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.’
– Spreuken 15:8: ‘Het offer der goddelozen is de HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen.’
– Spreuken 15:29: ‘De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.’
– Johannes 9:31: ‘En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.’
– Psalm 145:18: ‘[Koph]. De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.’
– Johannes 4:24: ‘God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten [Hem] aanbidden in geest en waarheid.’

Hoe zuiver en heilig is Christus’ plaats ten opzichte van de Vader, als Hij openlijk bidt:
– Johannes 11:42: ‘Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik [dit] gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.’

De Heere toont ons ook de andere kant. Namelijk dáár, waar zich verharde onbekeerlijkheid vertoont:
– Jeremia 7:16: ‘Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen.’
– Jeremia 11:14: ‘Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.’
– Jeremia 14:11: ‘Wijders zei de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.’

Maar ook de gebeden van de oprechten, heiligen, ze kunnen vanuit zichzelf de Heere niet aangenaam zijn. Opdat iedere vrome beseft en erkent, dat ook het gelovige gebed geheiligd en gereinigd moet worden. Hoe heilig is Gods Naam!
– Openbaring 5:8: ‘En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam [neder], hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen.’
– Openbaring 8:3: ‘En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het [met] de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is.’

Uit bovenstaande moet ieder mens er diep van overtuigd zijn, dat het gebed veel meer is dan ‘iets’ wat er bij hoort. Het moet uit waar geloof gedaan, geofferd worden. Die overtuiging stempelt meteen ook de inhoud. En de houding: grote eerbied, we naderen tot de levende God! Welk voorbeeld geven we daarin de jeugd? Ook, hoe leren we ze? Hoe moeten onze zonden ons voor ogen staan, ons berouw daarover, ons mishagen aan en onze afkeer van onszelf vanwege die zonden.

Dat betekent meteen ook, dat een gebed voor God niet meer zeggenschap heeft, als dat gebed door die of die wordt uitgesproken. Ook niet als het maar prachtig en innemend geformuleerd wordt. We moeten ons niet laten misleiden door bijzaken.

Hoe duidelijk moet het nu voor ieder mens zijn: tot God naderen in gebed, maar ondertussen gewoon vasthouden aan bedreven zonden en zich daarop niet willen laten aanspreken, hoe houdt de mens dan vast aan eigen HOOGMOED en EIGENDUNK en spòt met Gods heiligheid. Alsof God dat in ‘dit’ geval wel goedvindt.

Job 42:9a: ‘Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, [en] Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had;’ Zij lùisterden! Laat ons dat voldoende zijn en telkens weer tot navolging brengen: eerbiedig luisteren naar het Woord van de Heere in gehoorzaamheid.

Laten we ook direct de hand op de mond leggen. Opdat we onze nieuwsgierigheid ten onder houden en niet gaan gissen over hun gedachten, over de echtheid van hun handelen, ook daarna. De Heere heeft het niet geopenbaard.

Job 42:9b: ‘en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.’ Hoe machtig is dit Woord! De Heere dóet wat Hij tegen de drie vrienden gezegd heeft! Ook tegenover deze drie mannen, die zich zó verhardend in dienst van de duivel gesteld hebben als tégenstanders van Job, houdt de Heere Zijn Woord. Opdat de kràcht van al Gods beloften, ook van Zijn bedreigingen, Zijn oordelen, voor ons des te vaster staan.

Nee, laten we over de inhoud van Jobs gebed niet gissen. De Heere nam het aan. Alles spreekt van Gods liefde, barmhartigheid, genade, gerechtigheid, ontferming. Zó is God! Opdat we niet vergeten, maar telkens weer in waar geloof de toevlucht tot Hem nemen.

Job 42:10a: ‘En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden;’ Hoe groot is Gods barmhartigheid over Job. En dat, nádat Job barmhartig voor zijn vrienden had gebeden. Elke haat- en wraakgedachte moet bij een gelovige àfwezig zijn. Aan Gòd komt de wraak toe, en de vergelding. Naar Zijn rechtvaardig oordeel. Hoe moeten de gelovigen telkens weer van God barmhartigheid léren, ook over tegenstanders, ook over vijanden. Dat kan alleen, als we eerst Gods onverdiende barmhartigheid over zondaren hebben leren zien en kennen.

Want Job was nog steeds doodziek, uitgeteerd, beroofd van kinderen en bezit. God wendde! Hoe groot is Gods macht! En Job, èn Elihu, ze hadden niet anders verwacht, dan dat Job spoedig zou sterven. ‘de HEERE wendde!’ Hij gaf volkomen herstel van ziekte, van krachten, van gezondheid. Opdat we aan Gods almacht nóóit twijfelen, in welke omstandigheden de Heere ons ook plaatst. Vast in het geloof, in leven èn in sterven.

Job 42:10b: ‘en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.’ We moeten niet nieuwsgierig overwegen hòe God dat deed, maar onderkennen dàt God dat deed. Soeverein! Zou voor de Heere iets te wonderlijk zijn? Tegelijk, de Heere had Job ernstig beproefd in het geloof. Job had in het geloof overwonnen. Hij had nòch met kinderen, nòch met bezit, nòch met gezondheid afgoderij gepleegd. Hoe heeft de Heere dat door Hem Zèlf gewerkte geloof gezegend, ook in verdubbeling van bezit.

Wie durft dàn nog te twijfelen, of God àl Zijn goede beloften wel zal vervullen op de door Hem bepaalde tijd. Ja, hier al in begin, straks eeuwig. Hij kàn het doen, Hij zàl het doen. Zó waarachtig is Hij!

Job 42:11: ‘Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.’ Ja, wat is hierover te zeggen? We zagen al eerder, dat ze Job in de steek hadden gelaten. Welk een psychische kwelling was dat voor Job. En nu? Laten we het ter harte nemen tot een leerzaam iets, waarmee we vandaag onze winst mogen doen. Wellicht, dat ‘verlegenheid’ hier het meest passend woord is.

Job 42:13-15: ‘Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren. En hij noemde de naam der eerste Jemima, en de naam der tweede Kezia, en de naam der derde Keren-Happuch. En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen.’ De Heere zegent Job opnieuw met nog eens tien kinderen. Opnieuw, is de hand van de Heere ooit te kort? Hoe duidelijk blijkt in de geloofsgehoorzaamheid van Job hoe ver Jobs zien in het geloof was. Want het mee-erfgenaam zijn van de dochters is zuiver naar de Schrift. De Heere wees Mozes nadrukkelijk daarin de weg met betrekking tot de vijf dochters van Zelafead. Hoeveel te meer wijst dit vooruit op de nieuwe aarde, waar de gelovige vrouwen zullen erven temidden van de gelovige mannen als gelovige KINDEREN.

Job 42:16: ‘En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten.’ In het geloof ontving Job een talrijk nageslacht. Want de Bruiloftszaal móet vol worden. Hoe is dit geslacht van Job daartoe een heerlijke vervulling. Het refrein: DOOR HET GELOOF!!!

Job 42:17: ‘En Job stierf, oud en der dagen zat.’ Job stierf, vast in het geloof, in de zalige verwachting van de wederopstanding ten jongsten dage. Hij is niet beschaamd uitgekomen.

Opdat we hem in het geloof navolgen.

Heilige God, hoe wonderlijk zijn Uw wegen met Uw KINDEREN!

God bevestigt Zijn positie: ALMACHTIGE SCHEPPER-KIND!!!

Graag willen we er nog met nadruk op wijzen, dat de drie vrienden en Elihu vermeld staan mèt hun afkomst. Waartoe? Wel, opdat niemand dit Bijbelboek en deze geschiedenis plaatst in de categorie van de fabelen. Nee, dit Bijbelboek is authenthiek, deze geschiedenis is authenthiek, hun afkomst was authenthiek. Ieder mens, die dat wil ontkennen, móet deze gegevens moedwillig geweld aandoen. Geloofd zij God, ook dit Woord van Hem is volmaakt betrouwbaar!

Hiermee besluiten we het tweede deel van het Bijbelboek Job.

17 december 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *