2.3 De ALMACHTIGE SCHEPPER gaat voort met Zijn rechtvaardig rechtspreken.

Job 42:7: ‘Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.’

Merkt u de verandering? God vraagt Elifaz, de vrienden, niet eerst naar wat ze gedaan hebben, maar spreekt direct Zijn rechtvaardig oordeel uit: u hebt niét recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

In de eerste plaats erkent en bevestigt de Heere daarmee, dat het lichtvaardig ‘rechtspreken’ van de vrienden terecht door Job (en Elihu) scherp veroordeeld is. Job 6:24: ‘Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.’ Elihu, Job 32:3: ‘Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.’ De drie vrienden hadden niet geluisterd. De Heere èrkènt die vermaning en bestraffing, als terecht gedaan zijnde in Zijn Naam. Herhalen is niet nodig.

Hoe bevèstigt dit, dat de Heere spréékt door trouwe kinderen van Hem, in het bijzonder ambt, buiten het bijzonder ambt, als zij getrouw Zijn Woord naspreken. Hoe bevèstigt dit het trouwe vermaan door Elihu van Job. Ook, hoe bevèstigt dit de houding van Job in het ontvangen en aannemen van trouw vermaan. Zij zijn broeders, de één staat niet boven de ander, de één verheft zich niet boven de ander. Ze vermanen, ze ontvangen vermaan, als uit Gods Eigen mond. Hoe groot is die les telkens weer! Tegelijk, hoe dùivels is dan vàls en leugenachtig vermaan, en dat tòch gedaan is en wordt in de Naam van de Heere!

Hoe erkent en bevestigt de Heere hierin, dat de mens door waar geloof kan onderscheiden en weet te onderscheiden wàt de wil van de Heere is. Dat noodzaakt elke keer weer tot nauwkeurig onderzoeken en bestuderen van Gods Woord, om te wéten, wat wáár is en niét waar, wat in overeenstemming met de Schrift is en wat niet. Tegelijk, waar niét vermaand wordt waar zònde is, en waar dan de zonde voortwoekert en uitzaait.

Dit moeten we des te meer scherp onder ogen zien, als we bedenken, dat Job en Elihu niet als wij de hele Bijbel hadden en kenden. Zeker, de Heere had Zich aan hen zó bekendgemaakt, dat zij Hem kenden en dat zij ook toen al zó wisten te onderscheiden. Hoeveel zwaarder is onze verantwoordelijkheid, daar wij het hele Woord van God mogen hebben en kennen.

In de tweede plaats erkent en bevestigt de Heere daarmee, dat Job terecht de beproevingen onderscheiden heeft als beproevingen van de Heere. Daarmee vèroordeelt de Heere de drie vrienden heel scherp in hun kòppeling leggen tussen verlies bezit en kinderen èn zware zonde. Tegelijk bevestigt de Heere Jobs volharding daarin, dat Job tot het einde van de gesprekken de vrienden in hun vàlse koppeling niets tegemoet gekomen is.

Hoe onderstreept het de PLICHT tot nauwkeurige rechtsgang vanaf het eerste begin, onpartijdig, onbaatzuchtig, rechtvaardig.

In de derde plaats, de Heere spreekt alleen Elifaz aan, in hem Bildad en Zofar. Hoe barmhartig is de Heere daarin! Hoe gróót was Gods toorn tegen hen, daar ze zich restloos aan de duivel hadden overgegeven in zoveel hartgrondige en verhardende rechtsverkrachting! Daarna, dat ze zich nòch door Job, nòch door Elihu daarop hadden laten aanspreken en gezeggen. Zó gewaarschuwd, tegelijk, zó verhard in hun lichtvaardig oordelen en veroordelen, niet onderscheidend. Dit betreft dus hun kwaadaardige rechtsgang, daaruit voortkomend hun valse en ongegronde vèroordeling. Hoe hebben ze gegóócheld met alle duivels venijn en gevlei, om Job tot afval te bewegen en God te vloeken.

Inderdaad, dan is de Heere heel barmhartig, als Hij hen alsnog opzoekt en aanspreekt. Opdat elk mens die grote barmhartigheid ziét en erkènt! De Heere had hen geen enkel onrecht gedaan, als Hij ze in hun blindheid gelaten had. Ze waren zó nadrukkelijk en zó vaak door Job en Elihu vermaand, ze hadden geen enkele verontschuldiging. Opnieuw, hoe schittert Gods barmhartigheid hierin! Hoe verzwaart elke oproep tot berouw en bekering ieder die zich daarop nièt met haast en van harte bekeert.

Dit moet ons er echter des te meer ernstig voor waarschuwen, dat we nooit goedkoop terècht Schriftuurlijk vermaan naast ons neer kunnen en mogen leggen. We moeten er diep van overtuigd zijn, dat de Heere nergens verplicht is ons opnieuw te doen vermanen, door wie ook. Tegelijk moeten we er op letten, dat we onze criteria door wié, en hóe, en wannéér we vermaand worden, meteen moeten laten vallen. De Heere bewerkt een mens en spoort hem aan die of die te vermanen, om die zònde, rechtvaardig, zonder aanzien van, zonder enig winstbejag. O, die enorme HOOGMOED en EIGENDUNK!

Wat zegt u? U zou zich wèl door Elihu hebben laten gezeggen? De drie vrienden niet. Bedenk: HOOGMOED en EIGENDUNK verdragen terecht vermaan nóóit! Ze verzetten zich altijd!

De Heere spreekt de drie vrienden aan op hun zònden, niet op hun vergissingen, niet op een mogelijk misverstand. ‘niet recht van Mij, de Heere, gesproken’. Hoe zuinig is de Heere op Zijn recht, Zijn geboden rechtsgang! Want zie hier ook meteen Gods tóórn tegen de duivel, die àlles wat de Heere gebiedt en liefheeft, háát en veràfschuwt. Het grote gericht kòmt! En zouden de SLAVEN van de KNECHT dan vrijuit gaan en verschoond blijven?

‘zoals Mijn knecht Job’. Hoe wordt de trouw van Job in waar geloof hier tot voorbeeld gesteld, voor de drie vrienden, voor ons. Nee, de vrienden worden hier door de Heere Zelf er nadrukkelijk in bevestigd, dat Job recht van God gesproken heeft naar gang en inhoud, en zij niet.

Wat moet deze publieke rechtszitting ons ernstig waarschuwen, ook bemoedigen, ook bevestigen. Opdat we ons òf met haast bekeren, òf standvastig in die rechtvaardige rechtsgang volharden. Onze hartelijke gezindheid om God lief te hebben boven alles en iedereen móet ons Zijn recht en rechtvaardigheid en gerechtigheid doen liefhebben. Hebben we die hier en nu hartelijk lief in woord en daad, de Heere zal ons de gerechtigheid van Christus toerekenen tot eeuwig behoud.

Hebben we die geboden recht en gerechtigheid en rechtvaardigheid hier en nu niet hartelijk lief in woord en daad, hoe kunnen we ook maar één ogenblik er naar uitzien, dat we met de gerechtigheid van Christus bekleed worden? We zouden voor onszelf vreemden zijn.

En dat niet om ons bang te maken. Wel, om onszelf ernstig te onderzoeken hoe onze gezindheid voor God is, naar Zijn volmaakt rechtvaardig oordeel. En zó ook onze gezindheid naar elkaar. En we moeten niet uitstellen, daar we niet weten òf God ons nog uitstel en tijd en gelegenheid gééft.

In Job 42:8a zegt de Heere tegen Elifaz, Bildad en Zofar: ‘Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden,’ Als we de eerste hoofdstukken van Leviticus lezen, dan gebiedt de Heere voor gepleegde zonden òf een var òf een stuk mannelijk jongvee. De Heere gebiedt hier zeven varren en zeven rammen: een heel groot brandoffer! De Heere onderstreept met dat bevel Zijn brandende toorn tegen de zonden van de drie vrienden. En opnieuw blijkt: er is voor die vrienden geen enkele verontschuldiging; ze zijn en worden helemaal verantwoordelijk gesteld en gehouden voor hun daden en woorden.

Opdat we tot bezinning, tot inkeer komen, tot onderscheiden ná nauwkeurig onderzoek. Rechtvaardigheid gekoppeld aan barmhartigheid, in liefde, in vrees.

Job 42:8b: ‘en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.’ We moeten nauwkeurig zien, dat de Heere hier opnieuw nadrukkelijk de aandacht vestigt op: ‘want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.’ Hier móet elke onduidelijkheid en onzekerheid verdwijnen. Wie kan nu nog twijfelen, of de Heere (eenmaal) rechtvaardig oordeelt??? Wat een troost voor Gods kinderen. Huiveringwekkend voor de duivel, zijn volgers, wetend, dat God volmaakt zuiver en rechtvaardig onderscheidt en scheidt, eeuwig!

Hoe barmhartig is de Heere alsnog tegenover de drie vrienden. Immers, de Heere zegt: ‘opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid’. Hoe grùwt de Heere van hun misdadige handel en wandel. De Heere is er sterk toe bereid hen daarnaar te doen! En nee, ook dat grote brandoffer nam geen enkele zonde weg. Elk offer riep steeds weer om Golgotha. Opdat geen mens nog een poging doet gepleegde zonden schoon te praten. Ook niet, als ‘iedereen’ ze goed vindt en er aan mee doet. In de wereld, in de kerk. Hoe heilig is Zijn Naam! Hoe heilig wil de Heere dat wij leven, in woord en daad en gedachte.

17 december 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *