9e. 2 Koningen 5. IV

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

De duivel ziét dat hij verliest, keer op keer. De duivel ziét en wéét!!!, dat God overwìnt en zàl overwinnen. Maar dat toegeven, erkennen, dat nooit! Zie Bijbelboek Job. Dan liever zwijgen, negeren. Maar – geslepen als hij is – hij weet, ziet, spoort aan, dat de begeerte van de knecht van Elisa – Gehazi – ontvlamt. Gehazi, héérs over die begeerte en onderwèrp die begeerte aan het WOORD van uw heer, aan het WOORD van God. Herinner het WOORD van God tot Kaïn, vóórdat hij zijn broer vermoordde.

Maar Gehazi heerst niét over die begeerte en hij onderwerpt haar niét aan het Woord, maar hij geeft er aan toe. En er aan toegeven en het in praktijk brengen komen hier direct ná elkaar. En onderweg bedenkt hij met welke schoonschijnende LEUGEN! hij het WOORD ogenschijnlijk ‘onschuldig’ kan verduisteren. En Naäman willigt het verzoek in, ja, het dubbele. En hij stuurt knechten mee om het zware geschenk voor Gehazi te dragen.

Gehazi bedenkt, dat het niet slim is als Elisa hem met die knechten van Naäman en hun last, ziet. En daarom neemt hij die het laatste stukje over en draagt en verbergt ze zelf.

Zie hier het werk van de duivel in het trachten het door God begonnen werk in het bekeren en tot geloof brengen van Naäman de Syriër, af te breken en te verstikken. Want is de gedachte niet groot, dat – óók!!! – de God van Israël veranderlijk is? zoals elke afgod? Want Naäman zag die knecht toch duidelijk ‘vóór in de kerk zitten’, eerder al de koning de weg wijzen, daarna de boodschap van DE profeet getrouw overbrengen en ten slotte was hij aanwezig toen Elisa pertinent wèigerde! enig geschenk in ontvangst te nemen. En nu?

Dat is dé werkwijze van de duivel: vertroebelen, verstikken, verduisteren. Daarmee het WOORD van God verdacht maken, voor onzuiver, onzeker, onbetrouwbaar, veranderlijk, ongeloofwaardig houden en vóór doen komen. En welk mens God dan tòch gelóóft en vertròuwt op Zijn Woord, altijd, overal, de duivel schuift iets op en verplaatst de aandacht van het WOORD naar die mèns. En zó wordt die mens gemaakt tot een speelbal en voorwerp van verdachtmaking en laster en smaad en hoon en uitwerping. En meestal zijn er genoeg volgers te vinden om daarbij hun diensten in te zetten. Het dóel heiligt immers àlle middelen? En dat doel is die mens van het geloof af te brengen en God vaarwel te zeggen. Zie Bijbelboek Job.

En Gehazi wàs hier die volger en gedroeg zich als een gewillige knecht en hanteerde daarbij de wapens van zijn heer – de leugen! – en gaf zich gewonnen aan zijn hebzucht, HIER, NU. Dit is een volgend kenmerk van de duivel: het liefst zoekt hij volgers uit de naaste familie, vrienden, kennissen, buurt, die als ‘betrouwbaar’ gekènd worden. Hoe ernstig waarschuwt de Heere Jezus er voor, dat de zoon zal opstaan tegen zijn vader, de schoondochter tegen haar schoonmoeder. Kan het dichterbij? Zo Job door zijn vrouw, vervolgens door zijn drie vrienden. En Paulus zegt tegen de ouderlingen van Efeze: uit uw eigen midden! Hoe waar het andere Woord: TROUW MOET BLIJKEN!!! In woord, in daad, elke dag weer. Hoe dringend noodzakelijk dat TOEZIEN OP ELKAAR!!! in liefde, zeker, maar net zo dringend in gehoorzaamheid aan God, aan het Woord van God, in òrde voorop zelfs. Hoe scherp de waarschuwingen in Openbaring 2 en 3 van het Hoofd Zèlf! We kunnen niet volhouden: we wisten het niet; we konden het niet weten.

Is de duivel geslaagd in zijn opzet en streven t.a.v. Naäman? Het wordt ons niet vermeld. Toch mag geen enkele gedachte ons beheersen, dat God nu ònmachtig zou zijn Zìjn begonnen werk in Naäman, ook in de slavin, voort te zetten en te voleindigen. Want daarmee – alleen al die gedàchte! – zouden we de twijfel vóeden, dat èlk werk van God tot bekering van een zondaar niet méér is dan een zeer onzekere kans: het kan goed gaan, het kan verkeerd gaan. Het hangt dus af van de sluwe weerstand van de duivel en van de volharding van die mens daarna, of niet.

Hoe wil God ons voor dàt drijfzand bewaren, door ons in Zijn WOORD van bladzij tot bladzij te bewìjzen!!!, dàt Hij, Zijn WOORD, volmaakt BEtrouwbaar zìjn! Hoe heeft Job daarin geworsteld! Maar Gòd, de Heilige Geest, wèrkt soeverein het geloof, in wie Hij wil, wanneer Hij wil, naar Zijn vrijmachtig welbehagen. En dóór dat geloof blijft de gelovige staande ìn dat geloof, zich verlatend op dat WOORD, op de Gòd van dat Woord. Is Job beschaamd uitgekomen? De Schrift openbaart het tegenovergestelde: de drie vrienden van Job kwamen tot zwijgen, gaven zich daarmee gewonnen, erkènden daarmee hun onmacht. En zo de volgers, zo de duivel zèlf. En zó overwon Job dóór het gelóóf en tóónde zich kìnd van God. Vergelijk I Johannes 5:4 en 5.

Tegelijk moeten we de ogen er wijd voor opendoen, dat Gods wegen daarin met Zijn kinderen zelden wegen van gezapig voortkabbelen zijn, het rustig blijven in de weg van gewoonte en traditie en sleur, wegen waarin het aankomt op de slimheid en geslepenheid van de gelovige. Integendeel, de persoon moet in al zijn hoogmoed en eigendunk totaal afgebroken en tot niets gebracht worden, zodat hij niéts meer van zichzelf verwacht maar als een smekeling tot God gaat en in Jezus Christus àlles heeft, in Zijn offer. Daarbij àlles in het HIER en NU in òrde onderwerpt aan de dienst en gehoorzaamheid aan God, Zijn Woord!

In die weg keert de zòndáár als slááf van de knècht weer terug tot het kìndschap van God en heerst over de knecht. Zie Job en Elihu. Alleen, omdat het geloof, door God gewerkt, onoverwinnelijk is. Weet u nog, dezelfde God van Genesis 1 en Genesis 2 enz.

Gehazi keert terug naar Elisa. Wat doet hij? Volgt hij de weg van Kaïn: ‘ik weet het niet’, of de weg van David: ‘ik heb gezòndigd’. Want Elisa bewandelt de geboden weg van de Heere: ‘Van waar Gehazi?’ Daarmee geeft hij Gehazi alle mogelijkheid zich te verdedigen, vóórdat Elisa in Naam van God tot een oordeel komt. Ja, daarmee Gehazi er met de neus opdrukkend: ‘Gehazi, overweeg ernstig vóórdat je antwoordt.’ En dat, terwijl Elisa even later te kennen geeft, dat hij door de Geest wìst van de weg die Gehazi gegaan was. Toch, eerst de weg van hoor en wederhoor. Opnieuw, hoe kostbaar is die weg van gedùld en bedachtzaamheid naar Gods òrde. Daarin meteen tónend en vòlgend Gòds barmhartigheid en rechtsorde tegenover Adam en Eva en Kaïn: ‘Leg verantwoording af, verdedig je zo goed mogelijk, vóórdat Ik tot het oordeel kom.’

Dan het antwoord op de vraag van Elisa: ‘Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.’ Hoe móeilijk is het tot erkenning van zonde te komen voor de vanuit zichzelf zo hoogmoedige mens. Dan zien we twee dingen: Gehazi stormt voort op de ingeslagen weg van hebzucht en leugen en bevestigt zijn wil tot het blijven in dat kleine kringetje, dat potdicht is: HIER, NU! En vanuit dat kleine kringetje ìs het onmogelijk, dat Gòd verder kàn gaan dan de middelen en mogelijkheden en oplossingen die die mèns in dat kleine kringetje ziet en beredeneert. En daarom: verborgen camera’s, satellieten, ze zìjn er niet!, en daarom kàn Elisa niet weten waar ik wèl geweest en gegaan ben. En daarom moet hij mij wel op mijn woord geloven en kàn hij niet weten dat ik lieg! Maar zie hoe verstikkend dicht dat kleine kringetje ìs, tegelijk, dat het voor God tegelijk een heel open boek is.

Daarom is het antwoord van DE profeet daar tegenover ook zo ontwapenend en niets verhullend: ‘Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet?’ Opnieuw: de Heere is op geen enkele manier afhankelijk van middelen, gebonden aan beredeneerde oplossingen van mènsen. Hij niet, Zijn kinderen ook niet, als het Hem behaagt. En daarom Gehazi, niéts van uw gelieg en gedraai is ook maar iets steekhoudend. Ja, de Heere openbaarde mij uw gang, al vóór dat u die man groette! Opnieuw, de totale BLINDHEID van de mens, zie Psalm 10.

Elisa gaat verder. En zie, zié!, hoe hij in naam van de Heere iédere lezer de ogen ópent voor dat kleine kringetje: HIER, NU! Hij zegt: ‘Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden?’ Alles wat uw hart begeert, HIER, NU. Inderdaad: ‘WAS HET TIJD?’ Want daarmee zegt de Heere: Onderwèrp àlles in verlangen en wensen en streven àltijd eerst aan de door MIJ gezètte òrde! Treedt daartoe àltijd eerst uit dat kleine kringetje van HIER en NU. Als het MIJN tijd is, dan kan IK u duizendmaal meer geven. Maar hiér en nú, nu alléén Mijn WOORD moet stralen en schitteren, nu kàn, nu màg er geen enkele poging gedaan worden Dat te vertroebelen door toe te geven aan uw begéren. En u dééd dat wèl!!!

En met het zo uitgebreid benoemen van alles wat voor u begeerlijk is, HIER, NU, druk ik u er met de neus tot en met op, hoe verschrikkelijk kortzichtig en bijziend dat kijken in dat kleine kringetje ìs!

Want Gods oordeel over u en uw nageslacht is: ‘Daarom zal u de melaatsheid van Naaman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid!’ Hoe nadrukkelijk staat hier vóórop: Mens, let altijd, overal, eerst op Gòds òrde!!! In waar geloof, in vast vertrouwen, altijd, overal. Want Gehazi, zie nu het loon van het toegeven aan die zucht naar geld en goed, HIER, NU. U zult melaats zijn, u, uw zaad, in eeuwigheid. De vergankelijkheid, de afbraak, tegelijk de uitsluiting: ONREIN, ONREIN! zal u van dag tot dag achtervolgen en geleiden tot de dag van uw dood. U en uw nageslacht, eeuwig. En àl dat geld en goed – zojuist verkregen – het zal u van dag tot dag uitlachen en bespotten. Een blìjvend teken, een blìjvende waarschuwing voor allen die u kennen, voor allen die hiervan horen, voor allen die dit zullen lezen, in welke taal ook.

De grote les: GOD LAAT NIET MET ZICH SPOTTEN!!! Bewijs? ‘Toen ging hij (Gehazi) uit van voor zijn aangezicht, melaats, [wit] als de sneeuw.’ Daarmee het onderwijs en het oordeel van DE profeet van Hem bevèstigend. Daarmee ZIJN òrde bevèstigend en handhavend.

Heeft Gehazi zich alsnog bekeerd? We weten het niet. God is barmhartig! Zeker! Als we daarvan niet overtuigd waren op grond van Gods Eigen Woord, we zouden wanhopen als we zien, dat we zo vaak in zwakheid en onverstand terugvallen in oude zonden. Telkens weer moeten we erkennen en belijden: Heere, zo U mij niet telkens weer oprichtte wanneer en waar ik viel in al mijn zwakheid en kortzichtigheid en onverstand, ik bleef liggen waar ik viel en zou blijven in de eeuwige doodsslaap. U, U Alleen daarom àlle lof en eer en dank en aanbidding om Uw onuitsprekelijke BARMHARTIGHEID, opnieuw getoond en bewezen!

Maar tegelijk daarbij de ernstige waarschuwing: val niet terug in die gezapige zorgeloosheid van het HIER en NU, maar richt uw ogen omhoog, op Jezus Christus, uw Redder en Verlosser, Die ons in deze weg vóórging, de òrde van Vader nauwgezet handhavend. En ìn het ware geloof, en ìn het vast vertrouwen, gewerkt door de Heilige Geest door het WOORD: wáákt, weest wakker, strijdt, strijdt de goede strijd van het geloof, volhardend, standvastig, ziende op Jezus Christus, het Hoofd, voorbijziend aan het HIER en NU.

Nee, dat betekent niet, dat we HIER en NU zetten tegenóver het leven van alle dag, hier en nu. Het betekent wèl, dat we de òrde daarin scherp voor ogen houden en daarmee de gehóórzaamheid aan God, Zijn Woord, in òrde op de eerste plaats zetten en houden, vóór het gemak en gewin en eer en roem en positie en naam en … gezelligheid, en … traditie, gewoonte, enz.

Hoe schèrp heeft Jezus Christus onderkènd en áángewezen het ònderscheid, tegelijk het verschìl, ja, de onoverbrugbare klóóf, indien die òrde niet nauwgezet in acht genomen wordt. Lucas 4:27: ‘En er waren vele melaatsen in Israel, ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naaman, de Syrier.’ Gelóóf, God geloven op Zijn Woord, ook onder druk, ook onder grote onzekerheid en rumoer. Dat zegt Jezus tegen Zijn (oud) dorpsgenoten in Nazareth. En zij begrepen Hem meteen ná dit Woord en voegden er tegelijk de daad bij, de verzen 28 en 29: ‘En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op de top des bergs, op dewelke hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.’ Ze wierpen Hèm uit en daarmee vèrwierpen ze Zijn Wóórd, Zijn gezètte orde. Zo vaders, zo kinderen.

Gelóóft u God op Zijn Woord, altijd, overal? Vertròuwt u God op Zijn Woord, altijd, overal?

Nee, we moeten dit hoofdstuk niet ‘christocentrisch’ maken, inkleuren. Doen we dat tòch, in het Oude Testament, waar niet nadrukkelijk verwezen wordt naar de Heere Jezus Christus, we kùnnen daarmee de indruk wekken, de gedachte plaats geven, dat het WOORD, zònder de Christus uitdrukkelijk te noemen, erbij te trekken, eigenlijk toch wat tekort schiet, niet voldoende is, incompleet is, aanvulling nodig heeft.

Maar laten we eerst Genesis 1 weer lezen…

Want bedenk: de gelovigen onder het Oude Verbond waren niét armer dan wij, omdat zij de eerste komst van de Heere Jezus nog niet gezien hebben. Ze hèbben die vanuit de verte gezien en daarom gelóófden en vertròuwden ze God op Zijn WOORD. In Johannes 14:23 en 24 zèt Christus Zichzelf en het Woord daarom ook gelijkwaardig náást elkaar! Hoe zou Hij Zèlf Genesis 1 van kracht of aanzien of gezag beroven???

En als we velen zien en horen, die zich telkens weer beroepen en beroemen op Jezus, Jezus in het hart dragen, Jezus volgen, Jezus liefhebben, maar ondertussen zichzelf, anderen toestaan, dat het WOORD wordt veronachtzaamd, verkwanseld, prijsgegeven aan èigen invulling en uitleg en toepassing en fantasie, en ze de door God gestelde grènzen (Deut. 29:29!) verwaarlozen, dàn staat diezelfde Jezus Christus straks tegenóver hen: IK HEB U NOOIT GEKEND!

Maar ook ambtsdragers in reguliere kerkgenootschappen die het WOORD van God niét kennen, niét onderhouden, niét bewaren, maar daarnáást, in de plaats daarvàn, èigen middelen en manieren en methoden gebruiken en hanteren en opleggen en verdedigen, voor hen geldt hetzelfde. Want – hoe dan ook – ze verzetten zich er niet, te weinig, tegen, dàt het Woord van God daardoor zeer verduisterd en geminacht wordt. In plaats van oprechte vrees voor Gòd, Zijn Wóórd, vervult dat mensen eerder met angst en vrees en ontzag voor hèn, hùn middelen en methoden en manieren, èn de uitwerking en uitvoering ervan. Maar het Woord Zèlf wordt daarmee monddood gemaakt, als zwaar gehandicapt aangemerkt en afgeserveerd. WIJ wéten het nu béter! WIJ kùnnen het nu béter. WIJ!!!

Zal God over de door Hèm in Zijn Woord gebóden en gezètte òrdes geen verantwoording vragen, eisen? Zal Hij ieders hart en gezindheid daarop niet nauwkeurig onderzoeken? Van ambtsdragers – voorbeelden van de kudde – maar tegelijk van al die leden van de kudde afzonderlijk evenzeer! En nèrgens in het Woord lezen we, dat het Woord, noch de ordes in iets tekort schieten, zodat de mèns wel gebruik móe(s)t maken van enige eigenwillige invulling en uitvoering en toepassing.

Maar laten we hiér en nú overwegen: als IK – mens – Gods gezètte òrdes hier en nu, in woord en daad, in de wereld, in de kerk, te pas en te onpas gebruik, negeer, dat toe sta, hoe geloofwaardig ben IK dan nog als IK zèg te verlangen naar Christus komst? Want IK wil toch niet volhouden, dat IK straks op de nieuwe hemel-aarde niet anders wìl dan MIJ aan diezelfde ordes met vreugde onderwerpen? En van IK naar WIJ. Herinner, dat in de Bijbel ook mensen genoemd worden, die verlangden naar de Dag des Heeren, Amos 5:18. Maar daarbij het ‘WEE U!’

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *