8. De glans van het Woord door God gehandhaafd.

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Hoe gemakkelijk wordt de glans van het Woord verduisterd, door mensen. Vervolgens, hoe gemakkelijk laten mensen zich daardoor meenemen, meeslepen, worden ze erdoor betoverd. En vervolgens, door ons verduisterd verstand, onze bijziendheid en blindheid, lijkt het toch vaak een ‘kleinigheid’. En kunnen we ons nauwelijks voorstellen, dat Gòd daar ‘moeilijk’ over doet, daar een zaak van maakt.

En aangezien die blindheid zo algemeen is, die duisternis zo intens, kàn de mens nauwelijks zíen dàt Gods Naam en eer en grootheid met en door het gedane, grote smaad aangedaan zijn.

Neem nu Numeri 20. De Heere gebiedt Mozes de staf te nemen en te spréken tot de rots zodat zij water geeft. Mozes (en Aäron) neemt de staf mee en slaat vervolgens twee keer op de rots en spreekt, vs. 10-11: ‘En Mozes en Aaron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zei tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen? 11 Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.’

Dan Gods oordeel over de afwijking van Mozes en Aäron, Numeri 20:12: ‘Derhalve zei de HEERE tot Mozes en tot Aaron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israel, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.’ Zié, hoe de Heere waakt over de heiligheid van Zijn Wóórd! ‘MIJ NIET GELOOFD HEBT’. God en Zijn Woord zijn ÉÉN!

Laten we de heiligheid van de Heere, Zijn Woord, onderkennen. Lezen we opnieuw Genesis 1. Er ZIJ!!! En er WAS!!! En nú! zou Gods Woord alléén tekort schieten? En dùs moet het bevestigd worden met slaan? Niet alleen bevestigd, maar ook bekrachtigd?

Want zie, hier is veel méér aan de hand dan alleen een ‘kleinigheid’. Opnieuw Genesis 3: die gezette òrde van God is niet (helemaal) goed. Er kan (en moet) een andere orde náást komen te staan. Daarom eerst die gezette òrde ondermijnen en ondergraven en vervolgens die andere orde er zo onschuldig mogelijk náást plaatsen. Er is toch niets aan de hand?

Hoe ijverig wáákt God over de heiligheid van Zijn Woord, Zijn geboden! En omdat Die zo vòl kracht en majesteit en glans en heerlijkheid ZIJN!!!, ìs het voor God een gruwel, als de duivel, de mens hem daarin vòlgend!, denkt God een handje te moeten helpen, een kleine aanvulling te moeten bijbrengen, een alternatiefje te moeten toevoegen. Niet alleen móeten, ook mógen, ook kùnnen. Want vervolgens beroemt diezelfde mèns zich op de èigen inbreng en prestatie en hulp en manier. Ofwel, God had het Alleen niet klaar gekregen…

En staat God dat tóe, dan zègt God Zèlf daarmee toch ook, dat Zijn WOORD ALLEEN feitelijk zwak en ontoereikend is, ja, zwaar gehandicapt? Maar dan kan en moet Genesis 1 ook van al haar glans en majesteit ontdaan en beroofd worden. Dan kàn Genesis 1 niet meer historisch gelóófd worden, ja, dan móet Genesis 1 daarmee als een mythologische fantasie afgedaan worden. En ná Genesis 1 volgt vanzelf Genesis 2 en 3 en 4 en de rest.

Dan is God een menselijk bedenksel, dan is het Goddelijk gezag in Woord en gebod fantasie, dan is het geloof een menselijke afwijking, enzovoort.

Dáárom is die zonde van Mozes en Aäron zo uitermate gevaarlijk en verleidelijk, omdat ze de vastheid en betrouwbaarheid van het WOORD van GOD aanvecht en verduistert. God bevèstigt hierdoor de volstrekte BEtrouwbaarheid van Zijn WOORD, te beginnen in Genesis 1! En dáárom van elk volgend Woord en gebod. In kracht en zuiverheid en majesteit en heerlijkheid en wijsheid. Daarom moet Numeri 20 ieder mens scherp voor ogen staan en telkens opnieuw ernstig waarschuwen voor alle eigenwilligheid.

We gaan een grote stap verder in de geschiedenis en zien het WOORD, Vlees geworden in de Zoon. Hij komt met het WOORD, Hij voegt niet toe, Hij doet niet af. Hij getuigt Zelf, dat Hij àlles volbracht heeft wat de Vader Hem te doen gegeven had. De volmaakte gehoorzaamheid. ‘ZOALS GESCHREVEN STAAT’. ‘OPDAT VERVULD WORDT HET WOORD GESPROKEN DOOR DE PROFEET’. Hoe Eén is God in raad en wijs beleid.

Opdat we het HOOFD, de grote ZOON van God, als kìnderen navolgen, in woord, in daad! Steeds weer wijzend op het WOORD, dat màchtige WOORD van de levende God!

Hoe veelvuldig is die zonde van Mozes en Aäron herhaald, wel of niet aangepast. En dat onder een veelheid van gezochte verontschuldigingen èn redeneringen, alsof die daarmee het kwaad ervan schoon wassen voor God. Herhaald, goedgepraat, suggestief aangepraat. Opnieuw, dat WOORD van God is zwaar gehandicapt!!!, krachteloos!!!, en daarom moeten WIJ wel onze èigen manieren en middelen en methoden toevoegen en gebruiken, want die werken ècht! Tenminste hiér, nú. In ons kleine kringetje.

Israël wordt verdrukt door de Filistijnen, Richteren 15. Ze trekken op tegen Juda en eisen de overgave van Simson. Dan trekken 3000 Judeeërs op naar Simson om hem gevangen te nemen en over te leveren aan de Filistijnen. Hoe diep zijn ze gezonken! Hoe liéf hebben ze de rust, hier en nu. Hier kijken we weer in dat kleine kringetje van hier en vandaag en wìllen we niet zien op- – en helemaal niet meewerken aan! – Gods verlossingsplan uit de macht van de Filistijnen. En dus vinden we het (blijkbaar!) helemaal niet erg, dat in die onderdrukking de levende God en Zijn machtig Woord diep veracht en vernederd worden, waar we inderdaad gelóven, dat de Filistijnen machtiger zijn en dat we ons onder hen moeten buigen.

De Judeeërs maken Simson hevige verwijten over de uitvoering door hem van het door Gòd gebóden en verrichte verlossingswerk! Hier is niet alleen een schuldig vergéten! van al Gods grote werken in het verleden, maar dit is tegelijk een moedwillig verláten van God, Zijn Woord. En zó stelt men zich nu na enige druk direct beschikbaar als slaaf van de vìjand en uitvoerder van haar wil. En dùs zijn die verwijten zo logisch als maar kan, is het binden van Simson een vrijwillige bevèstiging van onderwerping aan de Filistijnen, de vijanden van God, Zijn Woord.

En Simson??? Inderdaad, dwars door al zijn vleselijke en zondige aandriften heen schìttert!!! Gods trouw! Er lìjkt geen redden aan, er lìjkt geen ontkomen mogelijk. Simson láát zich binden, hij láát zich meevoeren, hij láát zich overleveren, totdat!

Inderdaad, totdat God zegt: tot hiertoe, niet verder! Dàn grijpt de Geest van de Heere hem aan, hij scheurt de touwen van zich af, hij vindt een vochtig ezelskinnebakken – hoe heerlijk en groots Gods voorzienigheid! – en slaat er duizend Filistijnen mee dood. En de Judeeërs? We lezen er niet meer over daarna. De Heere zwijgt ze dood. Dàn, de smaad de Filistijnen aangedaan met een ezelskinnebakken. Is voor de Heere iets te wonderlijk? Schiet Hij in iets te kort, is Zijn Woord in iets ontoereikend?

Hoe bevèstigt God hierdoor de absolute BEtrouwbaarheid van Hem, van Zijn Woord. Dan opent God Simsons mond tot die schone belijdenis: ‘Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven;’ Inderdaad, Gòd Alleen alle eer, in niets was Hij ook maar in het geringste aangewezen op mìjn hulp of aanwezigheid of kracht.

Hoe vaak zien we dat de geschiedenis door, dat God in TIJD zolang wacht, dat elke menselijke logica en redenering tot zwijgen is gekomen. Ofwel, elk mens staat daarmee tegen de muur en ziét, wéét, onderschéidt geen enkele uitweg of ontkoming meer. Zo ook ieder gelovige. Dan vouwt hij de handen en erkènt!: ‘Heere, ik zie geen enkele uitweg, maar ik weet, geloof, vertrouw, dàt U zult uithelpen en uitredden, op Uw tijd, op Uw wijze. U al de eer!’

Dan dat heel veelzeggende vers 11 uit I Samuël 23: ‘Zullen mij ook de burgers van Kehila in zijn hand overgeven? Zal Saul afkomen, gelijk als Uw knecht gehoord heeft? O HEERE, God van Israel, geef het toch Uw knecht te kennen! De HEERE nu zeide: Hij zal afkomen.’ David, naar het Woord van de Heere opgetrokken en de Filistijnen een grote nederlaag toegebracht. En daar, in Kehila, hoort David van de snelle nadering van Saul. Er is nauwelijks ontkomen aan en daarom meteen maar alle vragen tegelijk. Dan het antwoord van de Heere: Hij zal afkomen. Antwoord op de eerste vraag.

Hoe worden Davids geduld en zelfbeheersing hier beproefd! Elke seconde telt! Het is op leven en dood! En God doet net ‘alsof er niets aan de hand is’. Hoe hoog is de spanning hier. Dan stelt David de volgende vraag en de Heere geeft antwoord. En David ontkomt.

Aan het slot van hetzelfde hoofdstuk zien we de Zifieten die David aan Saul verraden. David vlucht, maar Saul is sneller en weet David te omsingelen. Hier is voor David geen ontkomen meer aan. Dan, dàn komt er een bode met de boodschap aan Saul: de Filistijnen zijn het land binnengevallen. En Saul begrijpt meteen, dat het hele land nu gevaar loopt en staakt de achtervolging van David.

Maar dwars door deze en veel andere geschiedenissen zien we, dat God Zijn WOORD houdt! Dat Hij alles zó bestuurt, zó wonderlijk leidt, dat de vijand terugdeinst. Hoe worden de betreffende gelovigen daardoor versterkt in het geloof, bevestigd in het vertrouwen. Toch zien we ook weer terugval. Hoe brengt David zichzelf en anderen later in grote moeite als hij – zonder God te vragen! – zijn toevlucht zoekt bij de Filistijnen.

Ja, wie ontkomt aan deze zonde? We zijn zó gehaast, telkens weer. En daarom vergeten we zo gemakkelijk het geduld en de zelfbeheersing te bewaren en daarnaast maar zo weer terug te keren in dat heel kleine kringetje van het hier en nu, het aanpakken en gebruiken en toepassen van èigen middelen en methoden en manieren. Hoe gróót moet telkens weer onze mond vòl worden van Gòds roem in Zijn voorzien, in Zijn bewaren, in Zijn uitredden, in Zijn verlossen, op Zijn tijd, op Zijn wijze. Hoe diép moeten we ons telkens weer schámen over ons kleingeloof, ons wankel vertrouwen, onze zwakheid en bijziendheid.

Want in die periode tussen zondeval en wederkomst zien we diezelfde mens(heid), die zo vast geloofde en gelooft aan het woord van de duivel: u zult als God zijn!, kennend!, zich van ogenblik tot ogenblik vastklemmen aan àlles wat voor ogen is en beredeneerd kan worden. En dat niet alleen, nee, ook alle medemensen worden daartoe opgeroepen dàt te doen, zó verder te komen. Toch moet diezelfde mensheid erkennen, dat het hooguit tijdelijk ‘helpt’, ‘werkt’, tenminste voor het oog.

Neem nu àlle geslachten van de 19e, 18e, 17e, 16e, 15e, 14e eeuw, en alle eeuwen daarvoor van onze jaartelling. En leg nu openlijk neer wat al die geslachten en al die mensen in die geslachten blìjvend tot stand gebracht hebben, meegenomen hebben. Hoe wáár blijkt het Predikerboek: ‘àlles is ijdelheid en najagen van wind.’ Tenminste, zolang we blijven in dat heel kleine kringetje van het hier en nu. Immers, we kunnen niets meenemen en we weten niet wat het geslacht ná ons doet met wat we nalieten.

Wel laat het boek Prediker ons het volgende weten:
Prediker 3:14: ‘Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet [dat], opdat men vreze voor Zijn aangezicht.’
Prediker 5:6: ‘Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo [in] veel woorden; maar vrees gij God!’
Prediker 7:18: ‘Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, die ontgaat dat al.’
Prediker 8:12, 13: ‘Hoewel een zondaar honderd [maal] kwaad doet, en [God] hem [de] [dagen] verlengt; zo weet ik toch, dat het die zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. 13 Maar de goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.’
Prediker 12:13, 14: ‘Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit [betaamt] alle mensen. 14 Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.’

Hoe vèr tilt de Prediker – geleid door de Heilige Geest! – ons uit boven wat we zien en horen en waarnemen en beredeneren binnen dat kleine kringetje van het hier en nu. Daarbij de oproep, de indringende oproep, voor God te vrezen, in diep ontzag voor Zijn Majesteit, wetend, beseffend, dat Hij oneindig ver boven het hier en nu staat in kracht en macht en majesteit en heiligheid en wijsheid. Zie Spreuken 8! En telkens weer moet ons daarbij heel scherp voor ogen staan: God en Zijn Woord zijn onlosmakelijk één!

Dan mogen we zeker genieten van al het goede wat God ons geeft, hier, nu. Maar tegelijk moeten we de door God gezette òrde scherp voor ogen houden en God dienen in gehoorzaamheid naar Zijn Woord. Dat altijd, overal, in de eerste plaats. Hoe treffend staat dat beschreven in bovengenoemd hoofdstuk 8:12 en 13: de rechtvaardigen krijgen deel aan de eeuwige heerlijkheid met God door Jezus Christus; de goddelozen en zondaars hèbben hier en nu hun ‘leven’ en dat zal niét verlengd worden: hen treft de eeuwige verdoemenis.

Want IK, WIJ hebben gezondigd tegen God, Zijn Woord onbetrouwbaar geacht en de zelfredzaamheid openlijk geloofd en verkondigd. En als God Zèlf niet door Zijn Geest en Woord – onverdiend!!! – het geloof in ons legde en werkte, we zouden nooit uit die doodsslaap ontwaken. Hem Alleen alle lof en eer en aanbidding!

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *