10e. Bijbelboek Esther. V

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Maar in het geding ìs de bànvlóek van de Heere over het volk Amalek! De BEtrouwbaarheid van het Wóórd van de Heere in Exodus 17:14: ‘… dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.’ Zeker, direct daarnáást het voortbestaan van het nageslacht van Abraham, dat is de weg open houdend naar Bethlehem. Heel veel woorden en beloften van de Heere daarmee vervullend, bevestigend. Zo móet iéder, die dit leest, daarin erkennen, dat Gods Woord dé Waarheid is, zoals uit dit Bijbelboek blìjkt!, daarom: volmaakt BEtrouwbaar!

En daartoe bevèstigt God de handelwijze van Mordechai en Esther. Want als Esther op de derde dag zich gereedmaakt om naar de koning te gaan, dan blijkt daarin haar volharding in het gelóóf. Laten we niet gering denken over al de aanvechtingen, al de twijfel, al de gedachten over het puur onmogelijke van hun streven omdàt er al tal van onomkeerbare maatregelen zijn getroffen. Ze kan immers nog terug, en niet gaan? En de Heere zwijgt.

Esther gáát! En zie!, de koning reikt haar de gouden scepter toe! Wat iedereen voor onmogelijk hield, gebéurt! Hoe zullen haar gedachten over elkaar heen gebuiteld zijn. Maar daarna ook meteen het voorbereide plan tot uitvoering brengen en de koning en Haman uitnodigen tot het feestmaal wat ze aangericht heeft. En de koning stemt direct toe en maant Haman tot spoed om te voldoen aan Esthers wens.

Hoe wònderlijk zijn Gods wegen, hoe onnaspéurlijk Zijn gangen, hoe hóóg Zijn gedachten! Ieder, die deze geschiedenissen leest, moet daarvan diep doordrongen zijn en het moet onuitwisbaar diep doordringen in ieders ziel. Want telkens wéér blijkt het: gelóóft u God op Zijn Wóórd, altijd, overal? Vertròuwt u God op Zijn Wóórd, altijd, overal?

Dat zien we ook in het vervolg, als Esther bij het drinken van de wijn het verzoek doet aan de koning en Haman, om ook de volgende dag te komen tot het feestmaal wat Esther dan zal aanrichten. En dàn zal ze haar wens en bede uitspreken.

Zie!, ZIE!!!, hoe God de regie, het bestuur, de leiding, ZIJN leiding, zeer vast in handen hééft!, en tot Zijn einde lèidt!

Want er gebeuren heel veel dingen. Want ook de duivel heeft gezien en gehoord dat Esther de gouden scepter werd toegereikt en wat daarna gebeurde en besloten is. En als Haman naar zijn huis gaat – vrolijk, in zijn beste humeur – en ziet, dat Mordechai zich niet verroert voor hem, dan jáágt de duivel Hamans haat en wraakzucht aan en brengt Haman tot grote woede. Hij beheerst zich echter tot hij thus is.

En thuisgekomen laat hij zijn vrouw en al zijn vrienden komen. En zie wéér dat heel kleine kringetje van het HIER en NU, want, Esther 5:11: ‘En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings.’

Haman, uw roem déugt niet, want niéts is van u, u hebt alles tijdelijk gekrégen, zolang het de Gever goeddunkt. Maar Die erkent u niet, en Zijn kinderen vervolgt u in dodelijke haat, u, zoals uw vaderen. Daarom, dááròm!, uw dagen zijn geteld. IK, de Heere, geef u nog één dag! Zie nu, hoe klein dat kringetje van HIER en NU is, en hoe kort dat duurt.

Maar Haman gaat door, Esther 5:12, 13: ‘Verder zei Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met de koning doen komen tot de maaltijd, die zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met de koning genodigd. Doch dit alles baat mij niet, zo lange tijd als ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort des konings.’ Hoe groot is de wraakzucht, hoe intens diep de haat. Die werpen een schaduw over al zijn eerzucht en roem.

Zie, hoe de duivel zijn volgers in al die blindheid van het HIER en NU verstrikt en verstikt door hen zó te bedwelmen en te imponeren en te betoveren met al zijn voorstellingen, met al zijn inbeeldingen, met al zijn lege beloften, met al zijn leugens. Daarbij continu elke waarheid verdraaiend en verdacht makend. De mens heeft zich láten verleiden en ìs hem gevolgd in de dood. Hoewel de mens wéét en ziét dàt er ontzaglijk veel ontbinding en ontwrichting is in alle delen en op alle gebieden van het leven láát diezelfde mens zich toch weer ompraten met alle beloften van: maar morgen, mòrgen gaat het beter; let maar op dié ontdekking, dié ontwikkeling, dié doorbraak, dié verzekering, dié…; en als die en die ook nog meewerken en als dat gevaar, die dreiging beteugeld wordt, en als… Geslachten gaan, geslachten komen en Prediker blijkt steeds weer bevestigd.

Maar de mens leert niét!, Haman ook niet, zijn vrouw ook niet, zijn vrienden ook niet. Ze gaan verder op de weg van het zien wat voor ogen is, en in het vertrouwen op wat beredeneerd kan worden. En daarom, Esther 5:14: ‘Toen zei zijn huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan de koning, dat men Mordechai daaraan hange; ga dan vrolijk met de koning tot die maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken.’ Niémand, die daar nog een speld tussen krijgt, niémand, die deze opzet nog ongedaan kan maken.

Esther 6:1a: ‘In dezelfde nacht was de slaap van de koning geweken,’ Wié geeft slaap, Wié ontneemt slaap? De Schepper, de levende God, wanneer het Hèm behaagt! Hoe wònderlijk zijn Gods wegen, hoe zéker voert Hij Zijn beleid uit, hoe trèfzeker zijn Zijn maatregelen. O, het lijkt allemaal zo toevallig, zeker. Maar in het geloof ìs er niets onzeker, ìs er de zekere overtuiging, dat God door alle chaos en ontwrichting en ontbinding heen dóórwerkt aan de uitwerking van Zijn raadsbesluiten. Door niémand daarin te stuiten.

Want God gaat onverstoorbaar door en doet de koning in zijn slapeloosheid verstrooiing zoeken. Op zijn bevel worden de kronieken voorgelezen, en de Heere bestuurt het zó, dat dié kronieken voorgelezen worden, waarin vermeld wordt wat Mordechai gedaan heeft, toen er een aanslag op de koning werd voorbereid door Bigthan en Theres. En dan lijkt het logische gevolg, dat de koning vraagt welke eer Mordechai daarvoor ontvangen heeft. Maar laten we diep tot ons doordringen, dat Gòd dat alles tot in detail leidt en bestuurt en de koning die vraag op de lippen legt. Is de vraag gesteld, dan moet het antwoord daarop volgen: ‘Aan hem is niets gedaan.’

Hoe wònderlijk doet God Haman in die onpeilbaar diepe afgrond storten!

Hoe indringend moet het Woord van de Heere de mèns steeds scherp voor ogen staan, zoals staat in Exodus 9:13-16: ‘Toen zei de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao’s aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde. Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pestilentie zou slaan, en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden. Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht [aan] u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde.’

Weet u nog, hoe Rachab 40 jaar daarna de twee verspieders vertelt van de schrìk voor Israël, die op al de volken gevallen was, toen zij hoorden van de doortocht door de Schelfzee, en de verbanning van Sihon en Og, de twee koningen van de Amorieten? Dat de echo daarover nog steeds naklinkt? De mens(heid) kàn dit weten, ìs niet te verontschuldigen. Maar de mens vergéét! in schùldig vergeten. Omdat Gods wegen heel ànders zijn en gaan dan de wegen van de mens. Het tempo daarin is zo onnavolgbaar anders. Omdat de mens in al zijn blindheid en onbarmhartigheid de duivel volgt en zich door hem in de diepe doodsslaap laat houden, gelovend, dat Gods oordelen nooit komen. In die doodsslaap ziét de mens niet verder dan het HIER en NU. Maar ze wìl het ook niet, en ze kàn het ook niet, naar Gods rechtvaardig oordeel. Omdat ze moedwillig éérst Gods Woord en gebod diep verduisterde in ongehoorzaamheid.

En als God hier tot de Farao zegt, dat Hij heel Egypte in één keer met de pest kan slaan, maar het niét doet om de grootheid van Zijn Naam over de hele aarde bekend te maken, dan gelóóft de mens dat niét! Hoe gemakkelijk geeft de mens zich in die verduistering van het WOORD van God over! Want omdat God die pest over Egypte niét brengt, beróóft diezelfde mens vervolgens Gods WOORD van alle kracht door er van te máken, dat God dat niet zou kùnnen. Maar de mens heeft toch gezién!, dat God de zondvloed bracht? Maar de mens heeft toch gezién!, dat God Sodom en Gomorra onderstboven keerde en met vuur verbrandde?

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *