10b. Bijbelboek Esther. II

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Maar als Saul en het volk wèigeren dat oordeel in gehoorzaamheid te voltrekken, als alle koningen gepasseerd zijn, als tienstammenrijk Israël en tweestammenrijk Juda al jaren in ballingschap zijn gevoerd vanwege hun afdwalen en afwijken van God, Zijn Woord, Zijn geboden, WIE denkt dàn nog aan de vervulling van Gods Woord, Gods bànvloek? Opnieuw is de BEtrouwbaarheid van God, de BEtrouwbaarheid van Zijn Woord in geding.

Of laat de Heere ook wel eens een ‘steekje’ vallen? Moet de mens Zijn Woord, Zijn belofte, Zijn zegen, Zijn eis, Zijn vloek, Zijn oordeel, ook wel eens met een ‘korrel zout’ nemen? Maar wat is dan nog de wáárde, de vàstheid, de BEtrouwbaarheid van Gods Woord? Jeremia 1:12: ‘En de HEERE zei tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.’ Is dit Woord nu krachteloos geworden? En zouden mensen vergeten, de duivel zeker niet! Hoe heeft hij zijn uiterste best gedaan om zo geraffineerd mogelijk de mens(heid) tot zonde te verleiden, Genesis 3, de BEtrouwbaarheid van dat Ene Woord te ondermijnen en af te breken. En daarom doet de duivel ook àlles wat mogelijk is om te bewìjzen!!!, dat Gods Woord toch niet zo betrouwbaar is als God wil doen vóórkomen en wil doen gelóven. En dit naar ongelovigen toe, maar ook naar gelovigen.

Want de duivel begrijpt heel goed, dat daarmee – met die BETROUWBAARHEID van God, Zijn Woord! – àlles stáát òf vàlt! Maar ìn al zijn LEUGENS probeert hij de mens van dag tot dag voor te houden, in te prenten, dat dáárom de jongste dag, de wederkomst van de Heere Jezus, het eeuwig oordeel over hem, over de mens, niet anders is dan belachelijke fantasie. En heeft hij de mens(heid) in het paradijs verleidt met zijn leugens, blijkt het niet van dag tot dag!!!, dat de mens(heid) hem in deze voorstelling van zaken nòg steeds vertrouwt en volgt?, en zich dùs niét laat waarschuwen en niet wil láten waarschuwen door Gods Woord?

Het kan niet voldoende beklemtoond worden, dat God telkens weer tóónt en bewìjst, dàt Zijn Woord BEtrouwbaar ìs, volmaakt BEtrouwbaar. In het grote óórdeel dat kòmt!!! zàl God daarom ook steeds weer verwijzen naar Zijn Wóórd!, zoals geschréven ìs! En de duivel, èn de mens móeten dan erkennen, dàt Gods Woord volmaakt BEtrouwbaar wàs, ìs en blìjft! De wroeging is enorm groot, waar eeuwige herinnering is aan ONgehoorzaamheid, terwijl we het kònden weten, wìsten.

Dan zien we de wereldbevolking ná de zondvloed trekken naar het oosten – Genesis 11 – en zich vestigen in een laagte in het land Sinear. En zij woonden daar. God had gebóden in Genesis 9:1 en 7: ‘Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!’ ‘Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloedig voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.’ Maar de mensen luisterden niét en vervulden de aarde niét! Integendeel, ze besloten dáár te blijven in die vlakte en dáár een hoge toren te bouwen en ze zeiden, Gen. 11:4: ‘Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!’

Zie de geslepenheid van de duivel. Want hij herinnerde zich Gods belofte aan Noach, Genesis 9:11: ‘En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.’ En in hun beslùit – Gen. 11:4! – vòlgen ze de duivel in woord èn daad. Luister, hoe de Heere Zich in Zijn Woord telkens weer neerbuigt tot het niveau van de mens, opdat de mens géén verontschuldiging heeft in verband met ‘onbegrijpelijkheid’. Zie ook, hoe de mens mìsbruik maakt van dat neerbuigen van God tot het menselijk niveau, daarmee en daarin èigen hoogmoed en eigendunk strelend. Dan zegt de Heere in Gen. 11:6: ‘Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?’

Inderdaad, de duivel wéét, dat hij Gods gebod daarmee totaal van kracht berooft. Hij wéét tegelijk, dat éénheid de mogelijkheid tot ‘slagen’ vergroot. En hij wéét, dat God de aarde niet weer kan onderdompelen en oordelen in een zondvloed, zònder Zijn Woord te breken en zó als ONbetrouwbaar te doen kennen. En hij ziét tegelijk, dat de mens(heid) hem gewillig volgt en al zijn ingebrachte voordelen direct beaamt. De blindheid in het kleine kringetje van HIER en NU is weer totaal. En als het HIER en NU goed is en goed gaat, wie zal dan nog mopperen??? Wie zal zich dan nog Gods Woord en geboden en ordes herinneren?, laat staan het toestaan dàt er aan herinnerd wordt?

God ziet dat óók! Tegelijk wéét God àlles wat door Hem Zelf gezegd en gedaan is, daarvóór. Alles staat Hem in dezelfde punt van elke tijd voor ogen. Alleen dàt gegeven al moet elk mens tot grote bescheidenheid en nederigheid brengen. Want levend in de tìjd is voor de mens àlles ná elkaar en zó is er steeds weer de plicht en noodzaak tot herìnneren. ‘Wat heb ik toen ook al weer gezegd?, gedaan, beloofd, verklaard, gezworen?’ ‘Waarmee heb ik tegenover dié ook al weer gedreigd, als hij dat of dat wèl of niét zou zeggen, doen, schrijven… ?’ Maar zo is de Heere niet!!! Alles staat Hem elk ogenblik voor ogen, onuitwisbaar. Hoe oneindig groot de afstand tussen Schepper en schepsel. Hoe haspelt en stamelt de mens, wetend, dat alle gezochte woorden om dat gróótte van God onder woorden te brengen àltìjd ernstig tekort schieten… en daarmee afdoen van Gods heerlijkheid en majesteit en grootheid en wijsheid.

Dezelfde vergeetachtigheid bij de mèns!!! zien we daarin, dat de mens vergéét!, dat hij als pasgeboren kind jááárenlange ontwikkeling heeft tot volwassenheid. En als volwassene nog elke dag moet bijleren, bijstellen, afleren, verdiepen, ja, zolang hij leeft. Maar zo is de Heere niet!!! Ook daarin moeten we een geweldige vernedering zien in het leven van de Heere Jezus Christus, als Mèns! En toch is de mens bezeten van hoogmoed en eigendunk! Zelfs als diezelfde mens ziet, dat de ontwikkeling van dieren vanaf geboorte tot volwassenheid veel en veel korter is dan bij mensen, het brengt de mens niet tot inkeer. Wat vergeten we graag die spiegel!

Daarom, Genesis 11:7: ‘Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.’ Met als gevolg, vers 8 en 9: ‘Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.’ Hoe overduidelijk blìjkt, dàt de Heere regéért en dat Hij àlle plannen van de duivel en zijn volgers doet mislukken. Op Zijn tijd, op Zijn wijze. In volmaakte tròuw aan Zijn Woord!

We zagen Jeremia 1:12. Daarbij noemen we Jesaja 55:11: ‘Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, [ook] zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn [in] hetgeen, waartoe Ik het zend.’ Dit zegt de levende Gòd! En als Hij zó nadrùkkelijk herháált!!!, om òns wakker te schudden, om òns te herinneren, om òns in te prenten, dàt Hij zó ìs!!!, dat Zijn Woord zó ìs!!!, zó absoluut BEtrouwbaar!!!, tenzij er ooit enig schepsel opstaat en Hem daarin met feiten kan weerleggen.

Dan zien we dat schepsel, de duivel, inderdaad God, Gods Woord, niét weerleggen, maar verdacht maken, als ONbetrouwbaar voorstellen, als niét volledig aanmerken, Genesis 3, vergelijk Bijbelboek Job. En de duivel wist Deut. 29:29 meteen uit, en èigent zichzelf en anderen de ‘vrijheid’, de ‘vrijblijvendheid’, het ‘recht’ toe Gods Woord als verdacht, ongeloofwaardig, ONbetrouwbaar voor te stellen en af te wijzen. En het kind – de mens – volgt daarin de duivel – de knecht – en onderwerpt zich daarmee aan dezelfde DOODZONDE!!!

En ja, dan dóet de Heere de mens telkens weer zién, dàt Hij ZIJN WOORD wáár máákt! Herinner, Exodus 17:14: ‘Toen zei de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.’ DAT IK DE GEDACHTENIS VAN AMALEK GEHEEL UITDELGEN ZAL VAN ONDER DE HEMEL. Hoe beklèmtoont Hij hiermee de onvergeeflijkheid van de zònde van Amalek, haar ONbarmhartigheid, haar onverzoenlijke háát, als kinderen van Ezau. In woord, in daad. Wat Ezau bestreft, vergelijk Psalm 137:7-9; Ezechiël 25:12-14; het Bijbelboek Obadja.

In het boek Esther zien we hoe de duivel àlles in het werk stelt om de BEtrouwbaarheid van Gods Woord als onbetrouwbaar, verdacht en ongeloofwaardig aan te merken en te doen zien. Tegelijk zien we (opnieuw!), dat de Heere ogenschijnlijk de duivel helemaal doet slagen in zijn streven en pas op het aller-, àllerlaatste moment ingrijpt en in die weg de tótále overwinning behaalt. De triomftocht van de BEtrouwbaarheid van Zijn Wóórd dóet zién èn blìjken!

Waarom doet de Heere dat zo vaak op deze wijze? Om het geduld van Zijn kinderen op de proef te stellen, òf zij Hem inderdaad gelóven en vertròuwen op Zijn Woord, ook als Hij nog talmt met de uitvoering. Ook hierin zien we, dat de vijanden van God dat meteen omkeren en er direct van maken, dat God niét ziet, niét kan, niét weet. Hoe moeten we dit scherp voor ogen houden en ons oefenen in gedùld!

Of vindt u het vanzelfsprekend, dat de Heere Jezus nog steeds niet teruggekomen is, en naar het lijkt die belòfte! vergéét in te lossen??? En als ‘bewijs’ daarbij, dat de chaos en ontwrichting en ontbinding in tal van opzichten steeds sneller toenemen?

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *