9 Afgoderij

Afgoderij, wat is dat? Hoe klinkt Gods Woord? Exodus 20:3: ‘Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’ Heeft dat woord aan waarde, aan kracht ingeboet? Is het afgesleten in de loop van de tijd? We hebben gezien, dat het woord van de Heere zeer vast is, onverminderd in kracht, levend en scherper dan enig tweesnijdend zwaard.

Laat ieder mens dat erkennen en ook bij dit gebod met diep ontzag vervuld worden. God spreekt en ieder mens die dit woord minacht en terzijde legt moet dat onherroepelijk verantwoorden.

     Voorop blijft staan: hoe heeft God Zich geopenbaard en doen kennen vóór de zondeval? Juist, als de Almachtige, de Levende. De mens heeft vóór de zondeval de schepping gezien: steen, zand, water, van zichzelf dood; planten, struiken, bomen, levend, zwijgend, op ieders plaats; dieren, vogels, levend, ieder eigen geluid voortbrengend, bewegend; de mens als zijn gelijke, vaststellend, dat geen ander schepsel op zijn niveau staat.

Ná de zondeval weigert de mens terug te keren tot God. Dan komt hij ook te staan voor zijn zwakheid, beperktheid, onverstand, sterfelijkheid en schamelheid. Dan zoekt de mens hulp in zijn hopeloosheid en hulpeloosheid. Maar terug naar de levende God? Nee! En dan zoekt de mens ‘hulp’ in kracht, in leugen, in slimheid, in hulpmiddelen genomen uit dood materiaal, planten, dieren, mensen, afbeeldingen ervan, mensenmaaksel. En hij maakt die, knielt ervoor neer en zegt: jij bent mijn god, en prijst en aanbidt en offert aan steen en hout en zilver en goud …. en vertrouwt, dat dié hem zal helpen en verlossen.

Kijkt de mens terug, dan moet hij toegeven, dat hij zelf de godsdienst voor die afgod heeft bedacht en ingesteld. Of anderen. Maar in ieder geval loopt de mens achter eigen of andermans maaksel aan en knielt daarvoor neer.

     En als we bovenstaande als achterhaald voor ons, moderne mensen in de 21e eeuw, aan de kant gooien, laten we bedenken, dat denkbeelden, geld, kleding en wat niet al wel of niet zichtbaar hun plaats hebben ingenomen; het is verplaatsing, geen verandering en zeker geen vooruitgang. En dat mensen er minstens even hard achteraan lopen, er naar jagen, alsof ze hen kunnen helpen of redden. Ik denk aan Muammar Kaddafi. Hij mocht 69 jaar leven. Er is gepubliceerd, dat hij ruim $ 200 miljard naar het buitenland had weggesluisd. We zullen de kruimels in Lybië maar laten rusten. Toch kon hij met al zijn getrouwen, met al zijn geld, met al zijn olie dat stukje metaal in zijn hoofd er niet uit wegkopen of tegenhouden. En hij stierf. En nu moet hij verantwoording afleggen voor de levende God. Ook Allah kon hem niet redden, niet helpen, niet verlossen, want Allah zweeg!

     Wat staat er in de Bijbel? I Koningen 18: 450 profeten van Baäl roepen luid tot Baäl, hun afgod, ze roepen luider, ze verwonden zichzelf, ze brengen zichzelf in extase, en dan staat er, vers 29: ‘maar daar was geen stem, en geen antwoord, en geen opmerking.’ En dat gebeurde niet in eenzaamheid, nee, voor de ogen van al de priesters van Baäl, voor koning Achab en al het volk. En wat doet Elia, de profeet van de Heere dan? Hij herstelt het altaar van de Heere, maakt het offer gereed en bidt voor de oren van al diezelfde mensen: ‘HEERE, God Abrahams, Izaks en Israëls, dat het heden bekend worde dat Gij God in Israël zijt, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts gewend hebt.’ Toen viel het vuur des HEEREN, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja lekte dat water op, hetwelk in de groeve was. De Heere bevèstigt het woord van Zijn knecht en hoé!

We zien daarna, dat de koning, noch het volk zich bekeerde, ja, dat Elia vluchtte om zijn leven te redden. Was de Heere niet bij machte hem te redden? Zeker wel, maar de Heere wilde dat toen niet op een andere manier doen en gaf hem in de zin te vluchten. Maar ook al de vloekwoorden van Izebel bleken niets meer waard te zijn dan een luchtbel. Hoewel de mensen dit zagen, keerden ze zich om en bogen zich neer voor hout en steen, zilver en goud.

En ieder mens, die dat ook vandaag doet voor de goden van deze tijd, goud, geld, kleren, sport, auto’s, seks, eten en drinken, enz. ze zullen evenzo beschaamd uitkomen. Komt u in nood, in grote nood, ze redden niet, ze zwijgen, er komt geen geluid of reactie. Denk aan Kaddafi.

Ik denk aan 4 andere geschiedenissen in de Bijbel:

1. De farao in Egypte, Exodus 5:2: ‘Wie is de HEERE, wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken de HEERE niet, en zal ook Israël niet trekken laten.’ Zó spreekt de mens die God niet kent en niet wil kennen, de machtige mens, vol bravoure en zelfvertrouwen. Hoeveel tijd later? De Heere leidt het zó, dat dezelfde Farao en heel het volk Egypte Israël overlaadt met geschenken en het land uitjaagt. De Heere maakt Zijn woord van 430 jaar terug tegen Abraham wáár en verlost Zijn volk op wonderbare wijze!

2. I Samuël 17: Goliath de reus, hij zegt, vers 10: ‘Ik heb heden de slagorden Israëls gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij tezamen strijden.’ Wat doet de koning, wat doet het volk? Ze zijn doodsbang, ze vluchten weg, want wié kan voor hem bestaan?? David ziet in geloof, dat hier niet alleen Gods volk gehoond wordt maar daarmee God Zelf! En in het geloof treedt David hem tegemoet met een slinger en een steen, hij weerlegt het gebral van Goliath en profeteert de overwinning die God zal geven. En zó gebeurt: de Heere zegent het geloof van David – niet alleen woorden maar ook de daad – en velt door één steentje die grote reus: dood!

3. Jeruzalem wordt bewoond door de Jebusieten. De Heere had de vloek over de Kanaänieten, waaronder de Jebusieten, uitgesproken. Door klein geloof, ongeloof, had Israël verzuimd die vloek uit te voeren, zie het boek Richteren. In II Samuël 5 zien we, dat David Jeruzalem wil veroveren. De inwoners hebben zich niet bekeerd, ook niet na het zien van de verlossing uit Egypte, al de overwinningen op Amorieten en Kanaänieten. Dan zeggen ze tegen David, ziende op hun onneembare stad en burcht, vers 6: ‘Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.’ Hoort u de pure minachting, aan het adres van David? Nog één stap verder: pure minachting aan het adres van de GOD van David! Blinden en kreupelen zullen God tegenhouden! Nee, dat is onmogelijk en David verovert door Gods beleid en bestuur de stad en de burcht. Het is waar, we lezen weinig van groot geloof bij David, zijn mannen. Toch vernietigt God de minachting van Zijn heilige Naam en voert Hij de uitgesproken vloek uit.

4. We zien een andere kant: een man, geboeid met koperen ketenen, holle oogkassen, machteloos, omringd door een joelende menigte: we hèbben hem, onze vijand, hij die velen van ons volk gedood heeft. Daar moet een feestje op gebouwd worden in de tempel van onze god. En als het feest dan goed aan de gang is, ja, wat is er dan mooier, dan dat het slachtoffer, blind en machteloos, komt en het volk vermaakt. Ja, hier is alle reden om onze goden te loven en te prijzen! En de man zèlf, Simson? Hij hoort het gejoel en getier. Maar ver daar boven uit erkent hij zijn zonde en belijdt, dat God ook hier en nu machtig is bóven al die Filistijnen en hem opnieuw kracht kan geven die nodig is om in één slag de top van het Filistijnse volk te verdelgen. De Heere had de architect zó geleid, dat de twee pilaren waarop het hele gebouw steunde dicht bij elkaar stonden. En niemand vermoedde, dat het verzoek van die blinde, machteloze stumper enig gevolg zou hebben. Ineens voelt Simson, dat de Geest van de Heere over hem komt, hem opnieuw bekrachtigt en door het geloof duwt hij de twee pilaren omver, zodat het hele gebouw in elkaar stort. De Heere bewerkt, dat hij in zijn dood méér slachtoffers maakt dan tijdens zijn leven. Richteren 16. Zó wentelde de Heere de smaad van Hem, de levende God, en van Zijn volk af en stortte Zijn vijanden en tegenstanders in het verderf.
God sprak en handelde, toen en daar, luid en daadwerkelijk.

 

Op een ander moment was er de hel op aarde: Golgota: Mattheüs 27:46: ‘Jezus riep met grote stem: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Toen bleef het stil en God antwoordde niét! Toen, toen Zijn eigen Zoon riep zweeg Hij!, om zondaren van de eeuwige dood te redden en te verlossen, om Zijn Zoon te belasten met de vloek en verlating die terecht op ons rustte.

Wat is de hel? Onder andere dit, dat God dàn en dáár zwijgt voor ieder die dan roept, hoe luid ook, eeuwig, terwijl Zijn toorn, vloek en dreiging onverminderd uitgegoten worden over hen, die Hem hier en nu negeren, haten en minachten. Aan deze kant van het graf komt Hij met Zijn Woord naar ieder mens toe met de roep: Bekeer u, een ieder van zijn boze weg, naar Mij toe en leef!! Wie aan deze kant van het graf niet wil horen naar dat Woord, naar die antwoordt Hij aan de andere kant van het graf niet.

We gaan nog even terug naar het paradijs: volmaakte liefde, volmaakte harmonie, volmaakte gemeenschap tussen God en mens, tussen mens en mens. Ná de zondeval: individualisme, weg gemeenschap, weg liefde, weg harmonie. En ook de duivel, moordenaar van de beginne, heeft in zich géén liefde, géén gemeenschap, géén harmonie, enkel verderf en dood.

God bewerkt het zó, dat er een zekere mate van gemeenschap blijft tot aan de jongste dag door bloedband, door vriendschap, door contact. Een ander kenmerk van de hel is individualisme in alles, tot in de finesses. Daar bestaan liefde, harmonie en gemeenschap niet, ook het allereerste begin niet, ook niet tussen mensen die hier en nu gelukkig met elkaar waren, want daar zal God Zijn brandende toorn over de duivel en zijn trawanten, ook over de mensen die zich niet bekeerd hebben, uitgieten. Totaal verlaten van God en duivel en mensen! Spreken de mensen hier en nu over een ‘hel’, het is tijdelijk, er zijn pauzes, onderbrekingen. Maar dat is de hel dàn en dáár niet. Zonder enig rustpunt of onderbreking is er eeuwige toorn en vloek en wraak en verlating van de levende God, waar de duivel en waar mensen Hem en Zijn Woord genegeerd en geminacht hebben.
Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God!!

Kiest dan heden, vandaag nog, wie u wilt dienen en eren en aanbidden: de levende God, of dode verzinsels, die niet helpen en niet kunnen antwoorden of verlossen.

28 november 2011

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *