54 Eén lichaam III

Bij nadere bestudering van I Corinthe 12 blijkt mij, dat deze artikelen niet àf zijn, als ik niet met grote klèm benadruk, dat I Corinthe 13 – het hoofdstuk over de liefde! – èn bij I Corinthe 12, èn bij I Corinthe 14, als overkoepeling van die twee hoofdstukken moet staan. Ja, dat zònder liefde, waarachtige liefde, zoals in I Corinthe 13 in al haar veelzijdigheid en veelkleurigheid getekend wordt, I Corinthe 12 en 14 als gehandicapt blijven staan.

Dan blijkt des te meer, dat I Corinthe 13 – de LIEFDE – die beide hoofdstukken moet doortrèkken en doordrènken, nog sterker, dat zònder I Corinthe 13 ernstig tekort gedaan wordt aan het kennen en aan de doorwèrking ervan in de praktijk in elke gemeente, bij elke gelovige. Dat geldt ondertussen ook van de hele Bijbel: de LIEFDE moet de constante inspiratie vormen òm de goede strijd van het geloof volhardend te strijden.

Hoe moet die LIEFDE, die gebóden LIEFDE, telkens weer èigen kleinheid en beperktheid en kortheid benadrukken en onderstrepen, om zó in alle bescheidenheid de ontvangen gaven en talenten te ontwikkelen en in te zetten. Om zo ook aan al de andere leden alle ruimte en mogelijkheid te geven en te laten om hùn ontvangen gaven en talenten te ontwikkelen en in te zetten.

Ziende op de Heere Zelf, Die die gaven en talenten uitreikt en toedeelt, al naar dat het Hem goeddunkt. Scherp beseffend, dat Hij geen enkele verplichting tegenover iemand heeft, òm te geven of uit te delen. Tegelijk beseffend, dat de gave tegelijk òpgave betekent òm die ONTVANGEN gaven en talenten te gebruiken en in te zetten tot nut en heil van de andere leden. Tot eer en roem van de GEVER! Laten we er scherp op bedacht zijn om géén eerroof tegenover Hem te plegen, alsof wij onszelf hadden voorzien van enige gave of talent, noch van de inzet daarvan.

Met bovenstaande aanvulling wil ik graag dit ernstige verzuim opheffen.

11 januari 2017

Nu leert de geschiedenis, dat het ‘één lichaam zijn’ nogal eens bedreigd wordt. Door mensen, die menen vanwege hun plaats, positie, status, inbreng, ambt, eigenlijk toch boven het lichaam te staan, althans over andere leden te kunnen heersen. Daarnaast door het niet juist verstaan van de Schrift betreffende twee duidelijke argumenten, die de Schrift Zelf noemt om misstanden te voorkomen. Dat zijn het Pinksterfeit en de staat van het lid als ‘kind’ en niet als ‘slaaf’. Vervolgens het niet juist verstaan als ‘niet van toepassing zijn’ te behandelen, met alle gevolgen van dien. Dat laatste geldt evenwel niet alleen de leiders, voorgangers, ambtsdragers, maar ook de leden zelf, die het zich veelszins gemakkelijk laten aanleunen, het in elk geval accepteren en daarmee aanvaarden als ‘juist’.

Over het eerste hebben we al het één en ander gezegd.

Het Pinksterfeit. De Heilige Geest is uitgestort op àlle vlees, op àlle gelovigen. Weer staat God de Heillige Geest op de eerste plaats. In die uitstorting deelt Hij al de gaven uit, aan de één die, aan de ander andere, aan de één meer, aan de ander minder, al naar Zijn soeverein welbehagen. Staat daarmee de ene gave op hoger niveau, dan de andere gave? Er is inderdaad verschil, immers, I Corinthiërs 12 zegt in het laatste vers: ijvert naar de beste gaven.

Maar dat mag voor de ontvanger nooit reden zijn zich op grond van die gave te verheffen boven broeders en zusters. Voorop staat in deze bedeling: dienen, dienstbaar zijn. Christus voor ogen houden, in de gestalte van een Dienstknecht! Steeds moet voor ogen blijven: dit betekent grotere verantwoordelijkheid in al mijn zwakheid. Wie ben ik? Daarnaast: de Geest Die gaf, kan ook weer afnemen. Ofwel, misbruik maken is een verleiding die van het begin af aan ten onder gehouden moet worden. Door ieder persoonlijk, samen. En daar is ieder lid mee verantwoordelijk voor, ook als het al ontaard is.

Dan Galaten 4: ‘Doch ik zeg, zo lange tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd van de vader te voren gesteld. Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, [en] opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus. Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn; En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen? Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb. Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan. En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb; En mijn verzoeking, die in mijn vlees [geschiedde,] hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, [ja,] als Christus Jezus. Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben. Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren. Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben; Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u. Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van de berg Sinai, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar; Want dit, [namelijk] Agar, is Sinai, een berg in Arabie, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft. Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was. Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar de Geest [geboren was], alzo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met de zoon der vrije. Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.’

Leest u? ‘Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, [en] opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.’ Zie artikel 50 God is onveranderlijk I.

Hoe is het mogelijk, dat de mens, de gelovige, zich toch telkens weer met haast buigt onder het slaaf zijn, door heerszucht en heerschappij voeren in de kerk, de gemeente, door mensen, ambtsdragers, te verdragen, toe te staan? Het is het toegeven aan vleselijke lusten om alsnog enkele aspecten van het individuele koningschap – beloofd door de duivel! – vast te houden, door te voeren, op te leggen. O zeker, we zullen het met de meest vrome woorden en redeneringen verdedigen en beschermen. Echt, daar is geen speld tussen te krijgen. En de overgrote meerderheid accepteert en ondersteunt het. Wie durft daar nog wat van zeggen, daar tegenin gaan?

Ziet u de verschuiving? Niet een beroep op de Schrift, niet een verdediging op grond van de Bijbel, maar een aannemelijke, suggestieve, redenering, met als laatste, allergrootste argument: het AANTAL voorstanders en medestanders. De inhoudelijkheid is niet meer van belang. Dan, gespeelde verbazing, dat de ander zich daardoor niet laat overtuigen. Hoe is het mogelijk!!!

Dat zien we ook met regelmaat terug in het Oude Testament. Profeten, die alleen staan tegenover honderden valse profeten, tegenover de grote meerderheid van het volk. Denk aan Elia tegenover het volk en 450 profeten van Baäl, I Koningen 18. Denk aan Micha, de zoon van Jimla, tegenover koning Achab en 400 valse profeten, I Koningen 22.

Tegelijk zien we daarnaast het zich steeds weer gemakkelijk verlaten op het aantal, de massa, en daarmee de overmacht, de invloed, waartegen die ene toch nooit opkan. Hetzelfde zien we bij de heidenen, bij Goliath, I Samuël 17, tegenover Israël. En het bewijs zie je toch: ze (de Israëlieten) slaan massaal op de vlucht!

We zien het ook bij de knecht van Elisa, II Koningen 6:13-15: ‘En hij (de koning van Syrië) zei: Gaat heen, en ziet, waar hij (Elisa) is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan. Toen zond hij daarhenen paarden, en wagenen, en een zwaar heir; welke des nachts kwamen, en omsingelden de stad. En de dienaar van de man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zei zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen.’

Dan komt de reactie van Elisa, de verzen 16 en 17: ‘En hij zei: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn. En Elisa bad, en zei: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de HEERE opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa.’

Nee, de Syriërs zagen dat leger niet. Dan lezen we in de verzen 18-23: ‘Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot de HEERE, en zei: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa. Toen zei Elisa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot de man, die gij zoekt; en hij leidde hen naar Samaria. En het geschiedde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elisa zei: HEERE, open de ogen van deze, dat zij zien! En de HEERE opende hun ogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in het midden van Samaria. En de koning van Israel zei tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader? Doch hij zei: Gij zult hen niet slaan; zoudt gij ook slaan, die gij met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken. En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden der Syriers niet meer in het land van Israel.’ Welk een wonderlijke weg van barmhartigheidsbetoon tegenover vijanden. Rijk gezegend door de Heere in verhoring van gebeden en weerhouding van nieuwe vijandelijkheden.

Wat is het antwoord? Ongeloof, waar alleen gezien wordt op-, en waar gerekend wordt met wat voor ogen is, wat beredeneerd kan worden. Ja, zich daarop beroepend, zich daarmee volstrekt veilig achtend. Tegelijk een verschrikkelijk hoogmoedige brutaliteit: nu staat ook God machteloos! Niet hardop gezegd, wel overtuigend getoond in overmoedig tonen van geweld en macht en aantal. Ofwel, met open ogen toch stekeblind zijn.

En geloof? Geloof ziet niét met vleselijke ogen (in de eerste plaats) op wat voor ogen is, op macht, op grootte vijand, op aantallen, op dreigende woorden. Geloof ziet op de levende God, op het Woord van de levende God. Geloof heeft wéét, vertrouwt vàst, is overtùigd, dat God helpt, kan helpen, ja, daarin en daartoe op geen enkele manier beperkt is in Zijn mogelijkheden en middelen, in Zijn almacht. Welk een enorme diversiteit toont de Schrift. En géén gelovige is beschaamd uitgekomen, nee, ook niet als Gods weg anders was dan gehoopt, gebeden was. Zeker, we begrijpen Gods wegen daarin niet altijd, maar het geloof is er vàst van overtuigd, dat God Zich nooit vergist. En Gods kind weet zich in leven en sterven het eigendom van Christus, gekocht en betaald met Zijn kostbaar bloed.

We keren terug naar Galaten 4 en lezen daar: ‘En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.’ Hoe nadrukkelijk wordt het uitstorten van de Heilige Geest in de harten van de gelovigen verbònden met het kind zijn; daarmee het slaaf zijn met het niét vervuld zijn van de Heilige Geest en daarmee het blijven onder de wet en daarmee onder de VLOEK van de wet.

Maar dan zien we ook meteen, dat het zich laten zien en het zich laten horen en het zich laten kennen àls slaven door zich steeds weer te beroepen op wat voor ogen is en beredeneerd kan worden, enkel òngeloof toont en bewijst.

Gelooft u in God, op Zijn Woord? Dan zult u ook alles wat u in de richting van slaaf zijn en zijn gedrag, ontvluchten. Hoe wil een gelovige getuigen kind van God te zijn en daarnaast in zijn doen en laten en spreken niet anders laten zien dan het gedrag van slaaf en dienstknecht en onterfde?

En daarmee is ook een ander element duidelijk verklaard en beantwoord: wat houdt het in zich onder opzicht en tucht van een kerkenraad stellen? Dan zullen we opnieuw de gebóden VOLGORDE eerst weer zien: de GEVER, de GAVE, de VERSCHEIDENHEID van gaven, en als laatste de ontvanger. Daarnaast het vervuld zijn met de Heilige Geest, het kind zijn, het erfgenaam zijn, het vrije zijn. Daarmee is het altijd een onmogelijkheid, dat het ene het andere kan of mag bestrijden of verdringen, dat de één heerst over de ander, op welke manier ook. Hoe zijn de door God gegeven en voorgeschreven gaven en verhoudingen vol harmonie en vrede en eenheid, nu en eeuwig.

Dit geldt in de kerk, in de gemeente, in het kerkverband. Maar dan is er ook geen aarzeling meer om hiernaar te jagen, dit te bewerken en te bevorderen, vasthoudend, vast in het geloof.

Denk niet, dat dit zonder slag of stoot kan gebeuren en doorgevoerd wordt, hoe gebrekkig ook. Integendeel, de duivel, die de huidige situatie alleen maar bevestigt en aanmoedigt, hij zal alles en allen in het werk stellen om dit aan te merken als puur goddeloos activisme, om dit tot en met verdacht te maken, om dit in de kiem te smoren.

Nee, vast in het geloof weten, dat God ook daarin wonderen kan werken, ook, dat het een zeer moeizame weg is, vol strijd en tegenstand. Toch, ziende de geboden orde en volgorde, de gaven en het door Hem in vrijheid vervuld zijn met de Heilige Geest, niet aarzelen, maar daarin groeien en toenemen en volharden. Niet om eigen naam of eer of positie. Wel uit diepe eerbied en ontzag en vol dankbaarheid voor de gegeven verlossing in Christus. Uitziende naar de erfenis die wacht.

Eén lichaam onder het ene Hoofd, Jezus Christus, nu en eeuwig.

13 april 2013

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *