48 Barmhartigheid versus kwaad voor goed II

In dit artikel willen we nader stilstaan bij gebleken en bewezen barmhartigheid door onze Heere Jezus Christus. Om heel duidelijk te zien, dat de Heere Jezus niet Alleen werkte noch iets op Eigen initiatief ondernam, doen de volgende vijf Schriftgedeelten heel duidelijk zien, dat Gods raadsplan van eeuwigheid door de Heere Jezus nauwkeurig uitgevoerd werd.

– Johannes 5:19-24: ‘Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelve doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. Want de Vader heeft de Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert. Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; Opdat zij allen de Zoon eren, gelijk zij de Vader eren. Die de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.

– Johannes 10:26-30: ‘Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een.’

– Johannes 12:49, 50: ‘Want Ik heb uit Mijzelve niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal. En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.’

– Johannes 14:7-11: ‘Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien. Filippus zei tot Hem: Heere, toon ons de Vader, en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader [ben], en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelve niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader [ben] en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.’

– Johannes 17:4: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;’

En om te laten zien en horen aan de mensen, dat de Vader bovenstaande bevestigde en onderstreepte, deed Hij diverse keren Zijn stem horen:

– Mattheüs 3:17: ‘En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb!’

– Mattheüs 17:5: ‘Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!’

– Johannes 12:28-30: ‘Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit de hemel, [zeggende]: En Ik heb [Hem] verheerlijkt, en Ik zal [Hem] wederom verheerlijken. De schare dan, die daar stond, en [dit] hoorde, zei, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. Jezus antwoordde en zei: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.’

De Heere Jezus getuigt tegenover de discipelen van Johannes de Doper in Mattheüs 11:4-6: ‘En Jezus antwoordde en zei tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet: De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden.’

En inderdaad, de bewijzen liggen voor het oprapen in de Evangeliën. Daarbij moet opgemerkt worden, dat de Heere Jezus heel divers handelt. Dat onderstreept Zijn almacht, dat Hij niet gebonden is aan één manier. Nee, naar gelegenheid en omstandigheden werkt Hij volledig herstel van handicap, vergeeft Hij zonden, doet Hij doden opstaan, voedt Hij duizenden.

En of die dode nu pas overleden is, op het punt staat van begraven te worden, of al enkele dagen in het graf ligt, Hij overwint de dood en wijst hem terug als niet het laatste woord hebbend. Wie moet hier niet denken aan Ezechiël 37? En als we dan nog even verder kijken, dan is er niets vaster en zekerder dan Gods belofte, dat bij het bazuinen van een aartsengel de dood en het dodenrijk allen die ooit geleefd hebben moeten loslaten. Omdat God roept, de levende God, Bron en Oorsprong van alle leven en sterkte.

Tegelijk moeten we nog een ander aspect zien van al die wonderen die de Heere Jezus verricht heeft. Hij deed het om niet! Niemand ontving enkele dagen, weken later een vette rekening i.v.m. genezing, opwekking, zondevergeving, reiniging, spijziging.

Zien we temeer de grote BARMHARTIGHEID van de Heere Jezus? Zo bewogen was Hij met zondaren in hun liggen in de dood en ellende. Hij kwam om te redden, te verlossen, te herstellen.

Want telkens opnieuw moeten we die ene lijn blijven zien en vasthouden: door ONZE zondeval liggen en lagen we midden in de dood. En welke gevolgen daardoor ook op onze weg geplaatst worden door God, de allereerste zekerheid moet ons steeds weer voor ogen staan: IK heb dit verdiend, ja nog veel meer, nog veel erger, want IK heb gezondigd tegen God. En dan is er niets in mij dat mij enig recht geeft op herstel.

Dan is het alleen Gods onuitsprekelijke BARMHARTIGHEID en LIEFDE voor ZONDAREN die Hem dreef.

Tegelijk moeten we al die beschreven wonderen van herstel van handicap, reiniging, opwekking, vergeving van zonden, voeding, elk op zich zien als volmaakte VERZEKERING, dat er ook VOLMAAKT HERSTEL KOMT van zonde, dood, vloek. En de mensheid kan er niet zó de spot mee drijven, dat de belofte van wederkomst slechts een lege belofte was, want al die wonderen getuigen met grote kracht en bewijs: op Gods tijd HERSTELT God! Niets of niemand kan Hem daarin weerhouden. Met grote kracht heeft weerklonken: HET IS VOLBRACHT!

NU LIGT DE WEG NAAR VOLMAAKT HERSTEL WEER HELEMAAL OPEN!

Dit zeker weten moet diepe indruk maken op ieder mens: hoe leef ik voor God? Hoe leef ik voor de naaste? Nee, niet om er iets mee te verdienen voor God. Al ons doen en laten is onvolkomen voor God, vol gebreken, zonden en zwakheden. Als we alleen daarop zouden zien, we zouden hopeloos worden en zijn. Nee, ziende op Christus, Die om niet herstelde, reinigde, opwekte, voedde, moet ons in vast geloof des te meer scherp voor ogen staan: volmaakt herstel verkrijgen Gods kinderen om niet, alleen door het ene offer gebracht door onze Heere Jezus Christus tot een volkomen verzoening van AL onze zonden.

Dan klemt de oproep ook des te meer: Gods koninkrijk komt, wordt wakker, bekeer u, wees waakzaam. Immers, Hij komt als een dief, zo plotseling, zo onverwacht. Dat Zijn komst ons niet overvalt.

We mogen, moeten zeker gebruik maken van de mogelijkheden en middelen om te herstellen van ziekte en/of handicap. Onder Gods zegen, zeker. Maar we moeten niet doen alsof het herstel hier en nu al begint met gebedsgenezingen. Daartoe waren toen in de eerste plaats de wonderen niet; dat mogen ze ook nu niet zijn. Geeft de Heere middelen, mogelijkheden tot herstel onder Zijn zegen, dan mogen we Gods goede gaven in de schepping daartoe niet minachten. Maar als het gaandeweg duidelijk wordt, dat Gods weg met ons zo gaat – via die ziekte, via die handicap – dan zullen we die korte tijd geduld moeten oefenen en mogen we uitzien naar volmaakt herstel, dat God door het geloof zeker geeft. Dan vervallen we niet tot angstige onzekerheid, twijfel en wanhoop, maar dan stellen we des te meer onze vaste hoop en zekerheid in waar geloof op God.

Zijn de ogen van de tijdgenoten van de Heere Jezus wijd open gegaan voor al die getoonde en bewezen BARMHARTIGHEID? Dan moeten we met grote schaamte opnieuw erkennen: NEE!!! Niet alleen de tijdgenoten, nee, ook wij zijn vanuit onszelf geen haar beter. Ook ons ligt het veel gemakkelijker maar gauw te praten over ‘geluk’, ‘mazzel’, ‘toeval’, ‘een lot uit de loterij’ of welke uitdrukking ook om onze gevoelens te uiten. Vaak rechtstreeks uit de wereld.

Laten we ons des te meer aanwennen om onze diepe dankbaarheid te uiten, hardop, luidkeels. Dankbaarheid tegenover God, Jezus Christus, Die ons midden uit de dood en zonde en vloek wil redden en herstellen en heiligen en reinigen, tot Zijn eer!

Hoe snel raken we eraan ‘gewoon’, aan al die getoonde en bewezen barmhartigheid. Helemaal als we van Gods volkomen verzoening door het offer van Christus verzekerd mogen zijn. Dan bedekt schaamte ons gezicht, als we keer op keer zien, dat we ons – vaak – om kleinigheden maar zo weer ondankbaar en ongeduldig tonen, tegenover God, tegenover onze naaste. Het kan maar zo de schijn hebben, krijgen, dat de ontvangen tegenslag van het moment veel zwaarder weegt dan het herstel om niet, herstel uit dood en vloek en schuld en zonde. We hebben elke dag voldoende werk om onszelf kritisch te toetsen.

Des te meer moeten onze ogen er voor opengaan, dat al het brutale ongeloof weet kan hebben van de getoonde en bewezen BARMHARTIGHEID. Door ondankbare tijdgenoten van Christus, door ondankbare wereldburgers nu. Te meer moet het ons klemmen, dat de lichtvaardige verwerping en minachting van zoveel BARMHARTIGHEID om niet, verschrikkelijk gewróken zal worden door God. Hier en nu door allerlei rampen en oordelen en onheil, persoonlijk, als familie, als plaats, als volk, als wereld.

Maar al deze rampen en oordelen kunnen nauwelijks in de schaduw staan bij de eeuwige veroordeling, de eeuwige verdoemenis, die God bereid heeft voor allen die Hem niet oprecht hebben liefgehad, voor allen die Zijn barmhartigheid en liefde hebben versmaad en geminacht, bespot en verguisd, er zich mateloos aan vergrepen tot eigen tijdelijk genot. Hoe kortzichtig!! Iedereen, die zich hier en nu vergrijpt aan hebzucht, eerzucht, heerszucht, wellust, God zal ze tot openlijke spot en hoon doen zijn in de hel, eeuwig.

Opdat we hier en nu niet heersen, maar dienen, niet hoogmoedig en hooghartig, maar nederig van hart, ons klein wetend voor God. Elke dag opnieuw strijden tegen alles wat hoog is bij mensen. Tegelijk elke dag volop stof tot roem en prijs van Gods liefde en barmhartigheid om niet, voor arme zondaren. Armen van geest: mensen die niets van zichzelf verwachten, mensen die een diepe afkeer van zichzelf hebben vanwege hun zonden, mensen die sméken om genade en ontferming door het offer van Christus. Inderdaad, mensen die uit genade door God bewerkt zó tot God naderen, zij ergeren zich niet aan hun totale zelfverloochening, zij ergeren zich niet aan alle vernedering en verguizing, aan alle spot en hoon. Zij dragen met vreugde hun kruis achter Christus aan, alles alleen van Hem verwachtend. Zij ergeren zich niet aan het kruis van Christus, maar zij roemen erin. Weg alle hoogmoed, alle eigendunk, alle eigenwijsheid, alle gearriveerdheid, alle eigenroem. Wie roemt, roeme in de Heere Alleen!

Dat bovengenoemde tekst uit Johannes 10:26-30 ieder gelovige tot grote troost en bemoediging en volharding mag zijn, want Niemand minder dan Jezus Christus, de Opgestane, de ten hemel Gevarene belooft het!!

22 februari 2013

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *