44 De kerk, gemeenschap der heiligen II

Om meteen maar verder te gaan, om ons zelf maar heel duidelijk voor ogen te stellen, elke (lust tot) slaap verwijderend, lezen we verder in de Schrift, Hebreen 11:32-40: ‘En wat zal ik nog [meer] zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Simson, en Jeftha, en David, en Samuel, en de profeten; Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloften verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt; De kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in de krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht; De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding [weer] gekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de [aangeboden] verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis; Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen [en] in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; (Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en [op] bergen, en [in] spelonken, en [in] holen der aarde. En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen; Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.’

De geschiedenis heeft telkens weer getoond, dat verlichting van vervolging en druk, binnen de kortste keren leidde tot verslapping. Verslapping leidt dikwijls tot verzwakking in onderscheiden, met als gevolg gemakkelijker infectie, infiltratie, met gedachten, die niet in overeenstemming zijn met de Schrift. Daarna komt er nog een zucht naar behoud van vrij blijven van vervolging bij, en voor we het weten gaan we over tot compromissen, dan op dit vlak, dan op dat punt.

Ja, dan zien we de voortdurende strijd de hele geschiedenis door, dan hier, dan daar. Dan zien we ook, dat het Hoofd der kerk, de Heere Jezus Christus, telkens weer mensen aanzet en opwekt tot die strijd, daartoe vervult met Zijn Geest. Letten we op mensen, alle moed gaat verloren. Wat een zwakheid, wat een traagheid, wat een onverstand. En kijken we in de spiegel, er is niets in of van ons wat ons positiever doet uitkomen. Het is telkens weer Gods trouw, Gods trouw aan Zijn verbond, Gods trouw aan Zijn belofte, dat Hij nog voortgaat. Want, de nieuwe hemel/aarde móet vol worden. Zie laatste regels van bovengenoemd citaat uit Hebreen 11. Tegelijk: het getal wòrdt vol!

Het moet heel duidelijk zijn: Jezus Christus maakt door Zijn Heilige Geest mensen bereid en standvastig tot en in de strijd. Hij maakt ze geschikt, doet hen daarin hun grote verantwoordelijkheid verstaan en dragen. Maar het mag een mens nooit brengen tot zelfverheffing. En zo zien we ook, dat diverse mensen, die de Heilige Geest er toe heeft gebruikt en aangezet Bijbelboeken op schrift te zetten, Psalmen te dichten, beslist niet zonder zonde waren. Toch heeft Hij hèn daartoe gebruikt, opdat wij de moed niet zouden verliezen. Alles moet er steeds weer toe leiden, dat de levende God alléén àlle eer ontvangt!!

Hoe heeft de gelovige van dag tot dag te strijden tegen alle aanvallen van hoogmoed en hooghartigheid, zelfhandhaving tegenover de naaste, eigenwijsheid en eigendunk, het vervuld zijn van de gedachte beter te zijn, te kunnen, dan de ander, op dit punt of op een ander vlak en dat ook te laten merken. Daarbij komt de grote zuiging om met het meer-ontvangene – op welk vlak ook – zichzelf eer toe te wuiven, of – nog erger – dat tot eigen eer en voordeel te mìsbruiken. En daarbij komt meteen de gelegenheid de gaven van de ander te diskwalificeren, en hòe, en tegenover wíe.

De gemeenschap der heiligen. Overzien we zo enkele gedachten, gegevens uit de Schrift, Die ons steeds weer terug moeten brengen op de ene juiste weg, dan kan het niet anders, of we worden alleen maar kleiner in ons denken over ‘de mens’. Des te groter over God, Die ons van dag tot dag verdraagt en ons er toe vervult om vol te houden, om staande te blijven. Laat ons dan ook zo veel als we in Zijn kracht kunnen, onze verantwoordelijkheid verstaan en ook elkaar aansporen tot de strijd en tot volharding in de strijd. Christus heeft overwonnen en in en door Hem zullen we overwinnen.

We zullen ook moeten heroverwegen of onze karakterisering van ‘gemeenschap der heiligen’ vaak niet veel te oppervlakkig is. Bij voorbeeld, alsof het slechts geldt het meeleven voor hier en nu in persoonlijk moeilijke omstandigheden en tijden n.a.v. bepaalde gebeurtenissen. Maar dan merken we direct op, dat dat meeleven heel goed is, maar dat dat niet meteen gekoppeld hoeft te zijn aan de gemeenschap der heiligen met de geheiligden hier boven. En zó staat dié gemeenschap altijd voorop.

Want die gemeenschap is in de eerste plaats geestelijk. Die gemeenschap is uit en door en van God, dat eerst. We gaan terug naar het begin, Genesis 3:8a: ‘En zij hoorden de stem van de HEERE God, wandelende in de hof, aan de wind des daags.’ Wandelende. Wanneer er gewandeld wordt is er harmonie, rust, vrede. Nu wordt hier God voorgesteld, wandelende. Hieruit blijkt te meer, hoe eensgeestes de levende God met de mens – vol van de Heilige Geest – was. Volmaakte harmonie!

Toen God het gebod met de dreiging gaf leed die gemeenschap er niets onder. De mens aanvaardde dat gebod als schepsel, daarin God erkennend als God en rechtmatige Wetgever. En vervolgens lezen we diverse keren in de Schrift over mensen, die met God wandelden. Henoch, Genesis 5:22; Abraham, Genesis 18:16. Zeker, Abraham erkent in zijn pleiten voor de rechtvaardigen in Sodom en Gomorra zijn staat: stof en as. Des te meer moet het ons bemoedigen, dat God Zich dan niet vol afkeer van hem afwendt, maar dat God voort gaat met hem te spreken. Hier is één verklaring: OMDAT GOD HEM LIEFHAD! De enige bron van alle uitverkiezing.

Laten we opnieuw terug gaan naar het paradijs. Die volmaakte harmonie was er tussen Schepper en schepsel. Proberen we nu enkele punten te noteren, die met die harmonie in strijd zijn in het optreden van de duivel en in de reactie van de mens daarop:
1. De duivel komt als God afwezig is. Niet als God met de mens wandelt, in gesprek is.
2. De mens onderzoekt niet ‘wie’ het is die door middel van de slang spreekt.
3. De mens luistert onbekommerd naar de duivel als rechtmatige gesprekspartner.
4. De duivel doet alsof hij de bedoelingen van God kent en stelt ze discutabel, voorstellend, dat God niet alles heeft verteld; ofwel: God geeft een vertekend beeld en liegt feitelijk.
5. De mens luistert en gaat in deze redeneringen mee, onderzoekt niet, en onderscheidt daardoor niet direct de valsheid in het optreden en de leugens van de duivel.
6. De mens laat zich bedwelmen door de redeneringen van de duivel en begeert, en neemt, en eet, en zondigt tegen God.
7. Als de mens God dan hoort, verbergt hij zich met haast, daarin feitelijk schuld erkennend.
8. Maar als God de mens dan aanspreekt op zijn daden, dan liegt en verdraait hij de gang van zaken en schuift de schùld op de ander.

Uit bovenstaande blijkt één duidelijk feit en gevolg van de zonde: ONTBINDING van gemeenschap!

In bovenstaande zien we de basiskenmerken van de zonde die het leven van de natuurlijke mensen beheersen:
a. Hoe gemakkelijk en veelvuldig wordt er gekletst en geroddeld bij afwezigheid van betrokkene en wordt de waarheid geweld aangedaan. O, dat geniep, die achterbaksheid, die valsheid.
b. Het is de mens helemaal niet eigen een zaak te onderzoeken. Veeleer wordt onderzoek zoveel als mogelijk is tegengewerkt. Betreft het een zaak in eigen belang, dan moet het tot de bodem toe uitgezocht worden om de dader zwaar te straffen. Wordt ons eigen optreden onderzocht, dan kan het onderzoek per direct gestaakt worden. Hoe is het mogelijk, dat IK verdachte zou zijn??? Om maar niet te spreken over allerlei ongenuanceerde oordelen en veroordelingen n.a.v. gepleegde misdrijven, daarin gemakkelijk meegaand in allerlei berichtgeving en voorstelling. Ook naar onderzoekers en rechters.
c. De mens heeft nog steeds niet geleerd om ernstig te onderscheiden en gaat voetstoots mee in de meest onmogelijke redeneringen, snel geloof hechtend aan allerlei wind van leer.
d. De mens is zo hoogmoedig en hooghartig en overmoedig, dat hij zichzelf alle wijsheid toedenkt en zo na ampel onderzoek al overtuigd is van zijn conclusies. Daarin zichzelf steeds weer zettend op Gods troon, suggererend àlles voldoende te weten om te kunnen oordelen; ook zichzelf zó verheffend, dat zijn oordeel door iedereen geacht moet worden gefundeerd te zijn op waarheid en recht; onverdraaglijk, als het oordeel hardop in twijfel getrokken wordt; onverdraaglijk als geoordeeld wordt dat er nieuw onderzoek gedaan moet worden; ja, onderzoek door iemand anders bestrijden waar eigen onderzoek niet of nauwelijks plaatsvond.
e. De mens zal altijd heen en weer geslingerd worden tussen allerlei meningen en opvattingen totdat hij het Woord van God weer erkent als de enige basis, het ene fundament van alle waarheid. Daarbij niet beseffend, niet erkennend, dat hij sinds de zondeval totaal verblind is, daar de Heilige Geest van hem geweken is en hij metterdaad door God aan zichzelf overgegeven is en wordt. Door God gebonden tot die overtuiging, en overgegeven tot handhaving in die wil, en in het verstand verblind tot geloof van de leugen. Zo gaat de natuurlijke mens zijn leven lang zijn weg al zoekende, al tastende, zonder enig houvast te vinden. De dood wenkt ieder uur en hier en nu is niets blijvends. En ieder mens zal direct toestemmen, dat hij niets kan meenemen bij het sterven. En na het sterven? Men weet het niet, maar men wil het ook niet weten, en men kan het ook niet weten, omdat we vanuit ons zelf niét willen luisteren naar onze Schepper, de levende God.
f. De begeerte leeft en is onuitroeibaar. IK en HEBBEN. Onverzadigbaar! Niets en niemand uitgezonderd. En vervolgens doet de mens er alles aan om die begeerte steeds weer te stimuleren waarbij elke methode en suggestie wordt gebruikt om ‘de ander’ maar te overtuigen en aan te zetten. En de mens beseft niet – wil niet beseffen – dat het is voor dit ene ogenblik, deze korte tijd hier en nu. De mens wil ook niet horen, dat ‘begeerte naar’ blind maakt voor de eeuwigheid, hopeloos blind, dodelijk blind.
g. In die totale blindheid beeldt de mens zich in, dat hij – omdat hij voor medemensen veel kan verbergen – voor God veel verborgen kan houden. Om dat te bevestigen roept de mens luidkeels en bevestigt het naar alle kanten of zwijgt er totaal over: GOD VRAAGT GEEN REKENSCHAP! De snelheid waarmee de mens Gods oordelen vergeet bewijst het.
h. En dreigt er gevaar, dan weet de mens niet hoe snel hij zich moet verbergen of het meest onschuldige gezicht moet zetten. Wie kan er ooit op de gedachte komen dat IK iets verkeerds gedaan zou hebben!
i. En ja, wordt de mens dan toch in gedegen onderzoek op zijn woorden en daden aangesproken – terecht – dan weet de mens iedereen en alles aan te voeren om toch maar te BEWIJZEN hoe ‘onschuldig’ hij is. En hoe gemakkelijk wordt het door anderen geloofd en geaccepteerd.

Opnieuw, uit bovenstaande blijkt één duidelijk feit en gevolg van de zonde: ONTBINDING van gemeenschap!

Tegelijk moeten we opmerken, dat de zonde nooit stilstaat; er is altijd voortgang, ontwikkeling, verdergaande ontbinding.

Maar God blijft Dezelfde, de Onveranderlijke. Slaat de mens het onderzoeken en daarmee het rechtvaardige onderscheiden veelszins over, God niet! Hij onderzoekt naar recht en gerechtigheid en waarheid de zondeval. Daartoe zoekt Hij de mens op, ondervraagt die mens, geeft die mens alle ruimte en gelegenheid zich te verdedigen en oordeelt na gedegen onderzoek rechtvaardig! In de zaak van de zondeval door Adam en Eva, in de zaak van de broedermoord door Kaïn, vóór de moord, ná de moord, in de zaak van de goddeloosheid van Sodom en Gomorra.

25 oktober 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *