42 De kerk VI

We sloten het vorige artikel af met o.a. de volgende zin: ‘Mag de mens in het lied eigen gedachten laten regeren náást, vóór het Woord van de Heere, er volgt meer, steeds meer.’

Het lijkt ons goed daar in dit artikel wat meer aandacht aan te geven.

Daarbij is het wellicht goed eerst een paar zaken (opnieuw) te vermelden. Niet om in voortdurende herhaling te vallen. Wel, omdat het steeds weer blijkt hoe vergeetachtig de mens is, hoe snel de mens te beïnvloeden is, hoe gemakkelijk de mens meegaat met aangereikte gedachten, meningen, ideeën van …… mensen!

Wat is de tekening door de Bijbel van de ‘staat’ van de mens na de zondeval door diezelfde mens verschrikkelijk afgevlakt. De hele tekening door de Bijbel is zó geminimaliseerd, zó stomp gemaakt, zó verloochend, zó ontkracht door de mens, dat ònze tekening van ònze staat als mens als volledig juist wordt geoordeeld. Kijk eens naar alles wat ‘de mens’ bereikt heeft!! En dan wordt niet gewezen op de toestanden in sloppenwijken ….. En christenen weten zich daarin nauwelijks te onderscheiden, vaak.

In het kort: de Heere zegt: als je van die boom eet, zul je de dood sterven. Waren onze eerste voorouders daarvan diep onder de indruk? Verstonden ze de reikwijdte? We kunnen gissen. Nu lezen wij die woorden opnieuw, als hun verre nageslacht, in hen begrepen, met zo’n 6000 jaar geschiedenis er tussen. Zijn wij alsnog diep onder de indruk van dat gebod? Verstaan wij – met die geschiedenis – de reikwijdte? Ook als we zien, dat het leven één voortdurend sterven is? Maar tegelijk is er al een zekere vermenging van geestelijk sterven en lichamelijk sterven, terwijl het met de zondeval vooreerst ‘beperkt’ bleef tot geestelijk sterven.

Vervolgens: verstaan we de eeuwige dood? Verstaan we het eeuwig van God verlaten zijn? Verstaan we het terecht dragen van Zijn oordeel en vloek en wraak over onze zonde, verdiend? En dan kan het nauwelijks anders, dan dat we met grote schrik moeten constateren, dat we zo ontstellend zijn afgestompt, dat het ons nauwelijks meer bezighoudt.

En we gaan gemakkelijk mee in de sleur van alledag, in de sleur van de massa, in de sleur van heel veel mede-christenen …… en …… we doen nauwelijks anders dan de medemens: we zien op wat voor ogen is, we vergelijken ons met anderen (‘het valt nog best mee!’ denken we) en ….. Ja, en dan komt het levensgevaarlijke: we plakken onze afweging, onze beoordeling, onze taxatie maar zo op God. Het gaat zo automatisch …..

En zoals mensen elkaar, zoals mensen ons beoordelen, zoals in het algemeen het oordeel is van christenen, zó zal het oordeel van God ook wel zijn. En we zijn behoorlijk gerustgesteld, nee, het staat er met ons nog helemaal niet zo beroerd voor. En als voorgangers dat ook nog onderstrepen, ja, dan zijn we er al bijna…..

Want er is een volgend punt: onze totale verdorvenheid, onze totale vijandschap tégen God. Genesis 8:21: ‘En de HEERE rook die liefelijke reuk, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van `s mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.’ Gods barmhartigheid schittert hemelhoog! De mens zwijgt er consequent over, wil het niet horen.

Dat zegt de Heere meteen ná de zondvloed. En de Heere zegt er niet achteraan: behalve het hart van Noach, die Mij in gehoorzaamheid gevolgd heeft. En we staan daarin en daarmee gewoon voor onze ‘staat’: voor God totaal verdorven, alles wat uit ons hart komt. En heeft God ons tot geloof gebracht, ons hart doen wedergeboren worden, dan is dat Zijn werk, Zijn werk alleen. Maar dan moeten we daarmee ook terug naar vóór de zondeval en tegelijk naar de nieuwe hemel/aarde: ALLEEN GODS WOORD REGEERT! Nooit mag Gods Woord voor Gods kinderen een overlegstuk zijn of worden, nog minder een discussiestuk, nog erger: ook een mening. Het begint en eindigt altijd met: wat zegt de HEERE! als einde van alle tegenspraak. En dan: gehoorzaam volgen, niet afwijken, rechts noch links.

VERSTAAN WE DE TOTALE VERDORVENHEID VAN ONS NATUURLIJK HART???

Geloven we God daarin op Zijn Woord, of denken we er toch wat lichter over? Of wordt het wat lichter, als we tot geloof mochten komen? Is ons hart, ons natuurlijke hart daardoor ‘beter’? Moeten we niet veeleer met schaamte erkennen, dat AL ons doen gebrekkig is voor God, en slechts voor Hem kan bestaan als het gereinigd en geheiligd is door Christus bloed?

Daar zit een volgende valkuil: de mens is zo hopeloos hoogmoedig en hooghartig, dat hij steeds weer probeert iets in en bij en van zichzelf te zoeken en te verwachten. En doen we dat niet bij ons zelf, vervolgens is er tal van medemensen, die het ons vast willen doen geloven en elkaar elke dag weer aanpraten: ‘Wat goed van jou!!!’

We gaan nog weer terug naar onze eerste voorouders. Toen ze door de duivel werden aangesproken hebben ze niet eerst ernstig onderzocht. En vervolgens zien we tot op de dag van vandaag ontzaglijk veel onrecht en ongerechtigheid bij de mens, omdat er nauwelijks wat onderzocht wordt. Breed tekent ons de Bijbel dat in tal van geschiedenissen en het is vandaag niet anders. En mochten we nog een gedachte hebben, dat het in de kerk beter gaat, dan kunnen we opnieuw de Bijbel openen en de kerkgeschiedenis nalezen tot op vandaag toe. Het is nauwelijks anders dan diepbedroevend wat de ‘rechtspraak’ toont. En als we dan nog een gedachte hebben: we gaan het aan de orde stellen en betrokkenen er op aanspreken, helaas, we zien nauwelijks schrik, nee, ook nauwelijks wederkeer, ook nauwelijks herstel. Veeleer een vertekenen, een afdekken, een bedekken, een afschuiven.

En lezen we enkele keren van mensen, koningen, dat ze recht en gerechtigheid handhaafden, zelden zien we navolging, uitbreiding. Wel een zwakke afbeelding van het rijk van onze Heere Jezus Christus. Maar de verguizing, verwerping, uitwerping van Hem laat niets meer bedekt van onze ‘staat’. ZO ZIJN WIJ! En Nieuwtestamentisch toont niet anders.

En daarmee gaan we opnieuw terug naar onze eerste voorouders. Nadat ze zèlf niet onderzocht hadden en daarna en daardoor zich lieten verleiden en ontdekten dat ze naakt waren, gedaan hadden wat God verbood, verstopten ze zich en vervolgens ontkenden ze tegenover God – Die vasthield aan gedegen onderzoek!!! – schoven ze de schuld door naar de ander en trachtten zo de misdaad te verkleinen, en trachtten zo hun verantwoordelijkheid daarvoor te ontkennen. Nee, de mens volgt God niét in consequent gedegen onderzoek!!! Onpartijdig, onafhankelijk, onomkoopbaar.

Dan kunnen we opnieuw de Bijbel lezen, de geschiedenis, de kerkgeschiedenis er op nalezen, het is ook daarin één hopeloze en eindeloze stroom van hetzelfde. En de geslepenheid en geraffineerdheid en vindingrijkheid dragen daarin aanzienlijk bij. En helpen ze nog niet afdoende, dan zijn macht en invloed en geld en verleiding nog nieuwe instromen om het doel te bereiken: onschuldig verklaard worden, voor en door mensen, hier en nu! Inderdaad, het liegen is niet van de lucht!

En God hebben we ondertussen dood verklaard, dus elke dreiging van oordeel, rechtvaardig oordeel en straf en vloek en dreiging en wraak, ach, wie ligt daarvan wakker? Dat zijn toch fabeltjes? En zo praten de mensen zichzelf en anderen aan, dag in, dag uit, uit volle overtuiging, in grote zelfverzekerdheid, onder betuiging van groot bewijs, wijzend op wetenschap en knappe koppen en tal van ‘bewijzen’ die het toch zo overduidelijk aantonen! En vervolgens – einde van àlle tegenspraak!! – : wat we ZIEN!!! En zó wordt ons ZIEN het einde van alle discussie. Terwijl Gods Woord ons zegt, dat we hopeloos BLIND zijn, als we niet verder zien dan met onze vleselijke ogen.

Maar wie toegeeft aan alle hang naar verandering – onder welk motief ook – waarin ook, die stapt willens en wetens in drijfzand, verliest alle vastheid en gaat verloren. Hoe vaak spreekt de Schrift niet: hij week af! Als we dat lezen, rinkelen dan alle alarmbellen bij ons, worden we met huiver bevangen, dat dàt nooit van ons gezegd kan worden? Of lezen we er gemakkelijk overheen en vergoelijken we met een schouderophalen: ach, het viel ook nog wel wat mee. Nee, HIJ WEEK AF!!! Hij ging daarin en daarmee weer in de wegen van Adam en Eva, hij zette daarin en daarmee Gods Woord weer buitenspel. Elke gearriveerdheid en zelfingenomenheid van de mens moet tot de grond toe afgebroken worden.

En daarin moet het kind van de Heere telkens weer nauwkeurig onderscheiden, puur op grond van de Schrift. En alles wat door mensen aangevoerd en ingebracht wordt eerst leggen onder de Norm van de Schrift. Niet meer, niet minder. En schaamte bedekt ons gezicht als we moeten erkennen, dat we daarin zo vaak zo hopeloos traag en lui zijn, niet (voldoende) onderscheidend. Tegelijk, mensen graag gelovend op hun woord, hun vroomheid, hun goede bedoelingen. Maar daarvan spreekt de Bijbel ook al op tal van bladzijden. En dus kunnen we ons niet verbergen achter onwetendheid en moeten we bedacht zijn voor de valkuilen waaraan onze eerste voorouders toegaven.

Zeker, we kunnen discussiëren over de vraag op welk vlak de mens het eerst afweek, ook de kerkmens die andere liederen invoerde. Want er wordt in de eredienst op veel méér vlakken afgeweken. Nee, ik zal geen poging doen ze te noemen. Het gaat er om de drijfveren te ontmaskeren en bloot te leggen.

Maar laten we eerst zien wat reformatoren deden vanuit de Schrift en naar de Schrift. Daarbij stond hen bepaald voor ogen Handelingen 2:42: ‘En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.’

Ziet u, de leer der apostelen, het geopenbaarde Woord van God, dat staat centraal! Dat moet centraal staan, dat alleen, volhardend. En daarbij wordt gevoegd de gemeenschap, het één zijn in de leer en het één zijn in het christelijke leven, in woord en daad, volhardend. De breking van het brood, het heilig Avondmaal. En de gebeden. Daarin verenigt de kerk zich voor Gods aangezicht vanuit waar geloof. Volhardend.

VOLHARDEND!

Nu toont het Oude Testament overduidelijk, dat er toen en daar keer op keer door de kerkmens, door de ambtsdrager, van het Woord werd afgeweken, er aan werd toegevoegd. Daarin zien we steeds weer de arglistigheid van het hart van de mens. Hoe tekenend beschrijft de profeet Jeremia, 5:31: ‘De profeten profeteren vals, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde van die maken?’ Openlijk, onder publieke aanmoediging! En het blijkt ook Nieuwtestamentisch, dat de kerk zich zelden weet te houden aan die vier kenmerken van de ware kerk. In alle eenvoud, in alle soberheid, niet toegevend aan menselijke wensen en vindingen en verlangens. Elke verleiding daartoe vastberaden weerstaand.

Nee, dan hoeven we niet meer breed uit te weiden over allerlei toepassingen, aanpassingen, veranderingen, invoeringen, opleuking, enz. enz. Dan gaan we wel proberen met haast vanuit waar geloof ALLES wat die eenvoud en soberheid vertroebelt te verwijderen, volhardend. Alleen het Woord moet regeren, in al Haar breedte en lengte en diepte en hoogte. Want dan komen we inderdaad samen tot Gods eer en tot grootmaking van Zijn heilige Naam, als GEMEENTE! Jezus Christus en Die gekruisigd.

En alle bedenkingen die worden ingebracht tegen die terugkeer, onderscheidt ze of ze in de lijn zijn van deze apostolische richtlijnen. Probeer eerst onszelf – ieder voor zich – te toetsen of het onze hartelijke begeerte is God in liefde te dienen naar Zijn Woord, onverkort, vanuit waar geloof.

Spreekt de Schrift daar ook wat over? Ja, zie II Kronieken 35:18 en 19: ‘Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, de profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem. In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.’ Het is opmerkelijk hoe uitgebreid en gedetailleerd en positief dit hier vermeld wordt. Daarin is steeds weer de herhaling: God is onveranderlijk en de waarachtige dienst aan Hem is onveranderlijk. Geslachten gaan, geslachten komen, maar Gods Woord blijft, onveranderlijk.

Zien we uit naar de nieuwe hemel/aarde waar gerechtigheid woont, volmaakte gerechtigheid, ja, waar geen enkel onrecht te bespeuren is? Zien we uit naar de nieuwe hemel/aarde waar de verloste mens God weer in volmaaktheid zal loven en prijzen, eren en aanbidden, eeuwig, onveranderlijk? Zingend het nieuw gezang, dat ons dan en daar in het hart gegeven wordt en op de tong, volmaakt, eeuwig. Wat zal ons er hier en nu dan toe verleiden dingen telkens weer te veranderen, aan te passen, te ‘vernieuwen’, naar de mens?

We moeten er wel goed op bedacht zijn, dat terugkeer naar de eredienst zoals voorgeschreven werd, niet zal worden toegejuicht. Zowel in het Oude – als in het Nieuwe Testament roept reformatie/terugkeer veel verzet op. Alleen, is ons geloof zó klein, ons vertrouwen op God zó zwak, onze liefde tot God en Zijn Woord en Zijn dienst zó beperkt, dat we hier en nu toch maar liever verder gaan op de ingeslagen wegen? Ter wille van de ‘vrede’ hier en nu, ter voorkoming van onrust met mensen? Of stellen we ons zelf en anderen gerust met tal van schijnargumenten? En welk voorbeeld tonen we daarmee, ook naar de jeugd? Of zijn het echt alleen woorden, maar is ons hart er verre vandaan?

OF STAAT DE VREES VOOR GOD ONS VOOR OGEN?

Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk. Is de kerk, waar u zich laat vergaderen, heilig? Of wordt ze ontheiligd door allerlei menselijke inbreng? WIE heeft het gezag in de kerk?

Beraadt u.

5 oktober 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *