40 De kerk IV

Zagen we in het vorige artikel de uitnodiging, ja het aandringen van God naar de mensen om de wijsheid te zoeken in Zijn Woord, in feite gebeurt hier niets nieuws. Vóór de zondeval lééfde de mens uit alléén Gods Woord, dat Hij in de mens gelegd had.

Mèt de zondeval zètte de mens zijn beoordeling náást Gods Woord en gelóófde de mens de duivel, dat hij àls God zou zijn, kennende goed en kwaad en verwiérp daarmee Gods Woord, God Zelf.

Dan zien we, dat God de mens in zijn gevallen staat nodigt tot Zijn wijsheid en dat weinigen horen, ja, dat er algemene verachting en verwerping en bespotting van die wijsheid is. De mens handhaaft zijn keus en beslissing in Adam en Eva en weigert zich te bekeren.

De Heere gaat echter voort, vasthoudend aan Zijn plan van vóór de schepping: een volk Zich ten eigendom tot Zijn eer! En dan lezen we in Mattheüs 18:3, dat de Heere Jezus zegt: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.’ De Heere Jezus wijst op de uiterste nóódzaak, dat de mens àlle hoogmoed en eigendunk moet afleggen. Dat is, terug tot vóór de zondeval en erkènnen!!: IK heb in de zondeval dwáás gehandeld door mijzelf, mijn denken, náást U, ja bóven U, bóven Uw Woord, te stellen. Ik leg alle hoogmoed en eigendunk af en wordt als een onwetend kind die van a tot z geleerd moet worden en zèt mij daartoe al luisterend aan Uw voeten: Spreek Heere, Uw knecht hoort!

Zagen we de algemene verachting en verwerping en bespotting van die wijsheid sinds de zondeval tot vandaag toe, en hóe!!, het zal ons daarna niet verbazen als we in de Bijbel lezen, dat ook de brengers, verkondigers van die wijsheid behandeld werden àls die wijsheid, met als uiterste de Heere Jezus Zelf. En als we dan Mattheüs 18:3 opnieuw lezen, dan kunnen we huiveren als we het woord ‘geenszins’ tot ons laten doordringen. Dan huiveren we opnieuw, als we Spreuken 1:24-32 opnieuw lezen en dan weten we, dat Gods tóórn over alle verharding en verzet grúwelijk zal zijn, eeuwig.

Dan lezen we opnieuw artikel 34: Levenslessen III, inzake Psalm 37, erfenis en onterving, en des te vaster zal het ‘geenszins’ ons voor de geest staan. En mocht ons nog een gedachte aanspreken of aanvallen: God is liefde!, daarbij Zijn gerechtigheid en rechtvaardigheid moedwillig vergetend, die laat die gedachte niet meer onschuldig toe. Want de mens moet zich heel scherp realiseren: DE HEERE HAD EN HEEFT TEGENOVER DE MENS NA ZIJN ZONDEVAL GEEN ENKELE VERPLICHTING TOT REDDING EN VERLOSSING!!!

En als ons dàt scherp voor ogen staat – de Schrift leert nergens anders! – dan is het daarna ook een grote dwaasheid, als de mens zich inbeeldt, dat hijzelf alsnog, opnieuw, de vrije keus en wil en beslissing heeft om wel of niet te geloven. Dan zien we de oneindige liefde en rechtvaardigheid van God, als Hij naar Zijn voorzienig bestel en raad sommigen verkiest en anderen verwerpt. Nee, ik begrijp er niets van, het gaat mijn verstand vèr te boven, maar ik gelóóf het, omdat de Schrift het leert. Des te groter staat mijn eigen verantwoordelijkheid mij voor ogen.

Ja, dan staat het schaamrood ons op de kaken, dat we gedurende ons leven hier en nu op aarde zo weinig vorderen in de waarachtige kennis van die opperste wijsheid, er zo weinig uit leven en er zo weinig van blijkt naar buiten toe. En mocht de één daarin wat verder gevorderd zijn (voor mensenogen), des te meer kan het de mens prikkelen tot nieuwe hoogmoed waar de mens zich verheft bóven anderen, alsof hij zichzelf ook maar iets gegeven had. Zagen we, dat de Heilige Geest gaandeweg het lezen en bestuderen van de Schriften ogen en hart en verstand wil openen voor het verstaan van de Bijbel, het moet ons des te bescheidener maken en doen erkennen: het is een gave van HEM!! Roof ik van HEM iets naar mezelf toe als eigen prestatie, HIJ kan het mij zo weer afnemen.

Vervolgens zien we ook, dat alle verleiding, alle afleiding, alle ruis, die tot ons komt via onze vleselijke organen, ogen, oren, gevoel, smaak enz. gebracht moet worden onder de heerschappij van God, van Gods Woord. ALTIJD, OVERAL wil God het in ons leven voor het zeggen hebben. En wat er dan aan verleidingen en verlokkingen op ons afkomt, vanuit ons eigen hart, vanuit eigen vleselijke begeerten, vanuit de wereld, we moeten ze ten onder brengen en over hen heersen, van nu aan.

Dat doet ons des te scherper beseffen en zien onze totale blindheid, verblinding, sinds de zondeval. Daarvoor hoeven we niet naar andere mensen te kijken. Nee, we kunnen gemakkelijk bij onszelf opmerken hoe gemakkelijk we beïnvloed worden door eigen driften, door eigen karakter, door eigen waarnemen, door alles wat op ons afkomt, ook door alles wat we moedwillig naar onze ogen en oren en andere organen toe trekken en begeren te zien, te horen, te proeven, te voelen, te beleven, te ervaren, te hebben. Ook door alles waarmee we van buitenaf er kennis van krijgen, ermee geconfronteerd worden. En we moeten erkennen, dat we er vaak nauwelijks bij nadenken of dit de Heere wel of niet welgevallig is. Zó zijn we opgegroeid, zó zagen we alle andere mensen leven en doen, zó zijn we gewend en ermee vergroeid. HET IS ONS ZO EIGEN!! Nee, laten we ons zelf geen enkele illusie maken!

Die blindheid en verblinding worden nog groter als we daarbij opmerken hoe snel we onder de indruk zijn van wat we opmerken om ons heen. Het zien van iemand die groter is dan ons, iemand die sterker is dan ons, iemand die het beter weet dan ons, iemand die het overtuigender brengt dan ons, iemand die meer, groter, sterker dan ons heeft. En de mens ligt zo onderstboven en onderwerpt zich aan de wil en wens van die ander, die anderen. En dan blijkt er van alle zelfverzekerdheid en alwetendheid die de mens in de zondeval naar zich toe trok NIETS over te blijven. Dan is de mens een bang wezentje, bang, onrustig, onzeker, heel klein. En de mens verstopt zich graag achter die ander, die anderen, die groter en sterker en invloedrijker en talrijker zijn dan wij, dan ik.

En hoever en hoe beschamend die blindheid kan gaan wordt ons keer op keer getoond in de Bijbel. Keer op keer wordt de hoogmoed en gearriveerdheid in zelfvertrouwen openbaar in elke nieuwe generatie. De mens leert niet en wil niet leren! Nee, ook niet door ontelbare voorbeelden uit het voorgeslacht. Onze hoogmoed regeert ons ook in onze generatie opnieuw! WIJ weten beter, WIJ doen het beter, WIJ hebben nu zoveel mogelijkheden en middelen en mensen en …. kennis, nee, nu kan het niet meer mis gaan.

En ook Gods volk gedraagt zich daarin zelden anders. Hoe beschamend! Toch, opdat alle hoogmoed ons ontzinkt en we ons vertrouwen des te vaster op God alleen stellen, Zijn Woord, Zijn beloften, Zijn verbond.

1. Richteren 15. In Richteren 13:1 lezen we dat de Heere de Israëlieten wegens afval overgaf in de hand van de Filistijnen, 40 jaar. Dan belooft de Heere een verlosser, Simson, die een begin zal maken met de verlossing uit de macht en onderdrukking der Filistijnen. Dat doet Simson, alleen, het maakt de Filistijnen razend en zij zijn uit op vergelding. Zij trekken bedreigend op tegen Juda. Dan worden de Judeeërs heel bang en verklaren zich bereid Simson aan hen uit te leveren. Dan staat er in Richteren 15:11 dat 3000 Judeeërs uittrekken naar Simson toe om hem gevangen te nemen en hem te binden met twee nieuwe touwen. Daarbij de volgende kanttekeningen: a. Ongeloof. b. Geen bekering, maar rust onder de onderdrukking. c. Bereidheid de gegeven verlosser uit te leveren. d. Met 3000 man ‘durven’ we wel! e. Dwaasheid: binden met 2 nieuwe touwen. f. Totale blindheid en ongeloof: meer vertrouwen en liever met rust gelaten worden onder de Filistijnen, dan bekering en verlossing en leven naar Gods Woord en zich door Hem laten leiden en gezeggen. Dàn: maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem (Simson). Welk een bescháming! Voor de 3000 Judeeërs; voor de Filistijnen; voor iedereen die het hoort en toch weigert te geloven in de levende God en weigert zijn vertrouwen te stellen op Hem alleen!

2. I Koningen 21. Naboth weigert zijn wijngaard, de erve van zijn vaderen, te geven aan Achab of te ruilen. Izebel, dat horend, misbruikt haar macht en dwingt de leiders van Naboths stad hem op een schandelijke manier uit de weg te ruimen. De leiders zijn bang voor Izebel en gebruiken het minste volk om een valse aanklacht tegen Naboth een schijn van recht te geven en Naboth vervolgens ‘naar recht’ te vonnissen en om te brengen. Vers 13: ‘voor het volk’. Publiek. Enkele kanttekeningen: a. Achabs begeerte zet een streep door Gods instelling inzake ‘erfelijk bezit’. b. Izebel deinst er niet voor terug Achabs begeerte met bedrog en geweld door te drukken. c. De leiders van Naboths stad zijn méér beducht voor Izebels toorn en wraak dan dat de vrees voor de Heere hen regeert. d. Er zijn mensen die gewetenloos meewerken aan dergelijke kwaadaardige praktijken. e. De leiders en de ‘getuigen’ deinzen er niet voor terug de procedure het aanzien te geven van rechtvaardig en rechtmatig en daarbij de Naam van God te misbruiken. f. Het volk kijkt toe, zwijgt en werkt mee bij de uitvoering van de straf. Dit gebeurt niet in een heidens land, nee, dit gebeurt door een afvallig kerkvolk, zich daarbij onderwerpend aan heidense praktijken en gebruiken. Welk een bescháming! Voor de leiders van Naboths stad, Israëlieten; voor de ‘getuigen’; voor het volk, Israëlieten; voor Achab, die er na het horen ervan, stilzwijgend akkoord gaat en in bezit neemt; voor iedereen die het hoort en toch weigert zich van dergelijke schanddaden en rechtsverkrachting vèr te houden; voor iedereen die wéét heeft van dergelijke rechtsverkrachting en zwijgt! en er zo stilzwijgend mee-schuldig aan wordt en is.

3. Mattheüs 28. De Joodse leiders hebben bij de Romeinen na Jezus begrafenis een wacht geregeld bij het graf. De beste verzekering tegen bedrog!! Dan daalt een engel van de Heere neer en al die stoere en dappere soldaten worden als doden ….. Dan staat er, vers 11: ‘enigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten de overpriesters AL de dingen, die GESCHIED waren.’ ONOMSTOTELIJK! GETUIGEN TER PLEKKE! Dan, vers 12 en 13: ‘En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en tezamen raad genomen hebbende, gaven zij de krijgsknechten veel geld, En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen.’ Het hele ‘getuigenis ter plekke’ wordt als onwaarheid en verzinsel aan de kant geveegd. Dan vers 15: ‘En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag.’ Enkele kanttekeningen: a. De Joodse leiders tonen hun enorme haat en verharding in hun daad dat zij er niet voor terugdeinzen Jezus en Zijn discipelen verdacht te maken aan leugen en bedrog. b. Hun valsheid onderstrepen ze door hen er niet rechtstreeks op aan te spreken maar tegenover derden en die daarin mee te nemen. c. Die derden (Romeinen) onderzoeken de ingedragen beschuldigingen niet, maar gaan daarin mee en stemmen daarin toe en werken daarin actief mee. d. De actie loopt op een compleet fiasco uit: vluchtende soldaten; een feitelijk verslag van het gebeurde; ONOMSTOTELIJK. e. Toch, hoezeer alles ook weerspreekt, het dóel blijft: Jezus, Zijn leer, Zijn verlossing, Zijn discipelen moeten totaal verdacht en ontkracht worden en ònze positie moet gewaarborgd en verzekerd blijven. f. Schieten leugen en bedrog tekort in het beoogde doel, dan schromen we niet veel geld in te zetten om alsnog het doel veilig te stellen. g. Tegelijk de bereidheid de leiding financieel om te kopen. h. De gewetenloosheid van de soldaten is schrikbarend: aanvaarden dat eigen getuigenis als leugen terzijde geschoven wordt; accepteren, dat met veel geld de zaak wordt toegedekt; de bereidheid om – tegen beter weten in – leugens rond te strooien en als feitelijke waarheid te doen geloven. i. De Joden, Israëlieten, die niét onderzoeken en de leugens direct als ‘waarheid’ aannemen en verder brengen.

Daarbij moet ons direct opvallen, dat het keer op keer de leiders van het volk, de voorgangers in de kerk zijn, die dergelijke plannen beramen, uitbroeden, in praktijk brengen, zich laten opdringen. Zij zijn keer op keer de eerst-verantwoordelijken, niet te verontschuldigen. Tegelijk ook het gewone volk, ze zijn niet te verontschuldigen en dus mee-verantwoordelijk. En als we dan daarnaast ook nog vaak zien hoe dergelijke bedrijven in touw gezet en doorgedrukt worden met veel machtsvertoon, met groot geluid en met een geslepenheid en geraffineerdheid waar velen diep van onder de indruk zijn of er gewoon nooit achter komen, ja, dan kunnen we maar zo beneveld worden en meedoen en ons laten meeslepen in dergelijk wanbedrijf.

Er is nog een groot kwaad: mensen die het zien, zwijgen, zwijgen, zich stil houden, ook als er zijn die zich wel actief uitspreken en/of handelen en er op afgerekend worden en hoe! Maar als het gevaar voorbij is er zich als eersten op beroepen hoe ZIJ met woord en daad gestreden hebben en daarin als eersten de overwinning opeisen en dus vooraan lopen met opgeheven hoofd. Ofwel, de mensen die aan de kant staan, de mensen, die anderen de kastanjes uit het vuur laten halen, tegelijk de meeste kritiek spuien, de mensen, die het eerst vluchten, ook: de mensen, die het ACHTERAF wel wisten en zagen aankomen en DAAROM gezwegen hebben en DAAROM geen vinger uitgestoken hebben en DAAROM ….

Nee, geachte mens, ik, u, de mens heeft gezondigd, ik, u, de mens heeft de eeuwige dood verdiend, ik, u, de mens moet zich met haast bekeren, belijden en beseffen, dat we midden in de dood liggen en dat alleen het bloed van Jezus Christus verlossen en redden en behouden kan.

Laten we heel bescheiden worden, opstaan tot de nieuwe gehoorzaamheid en Christus volgen in die gehoorzaamheid, alleen ziende op het Woord, alleen ziende op het gebod: God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf en zo tegenover God en naaste recht en gerechtigheid en waarheid liefhebben en doen, en zo de heiligheid in eigen leven en in de omgeving najagend.

Dan gaan we één stap verder: ik sterf. En dan? Inderdaad, dan is er voortgang. Voor de gelovige is er oneindige vooruitgang: achterlaten alles wat zonde was en tot zonde verleidde en – o wonder van genade! – hersteld worden in het volmaakte zoonschap, dochterschap, alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan, alleen door het verlossend en verzoenend offer van Jezus Christus. Voor de ongelovige het blìjven in de zonde, en de toorn en vloek van God over de zonde voor eeuwig ongemengd toegedeeld krijgen.

8 september 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *