37 De kerk I

Er is heel veel gezegd en geschreven over ‘de kerk’. Is het zinvol daar wat over te schrijven?

We zullen trachten er enkele dingen over te zeggen, waarvan we menen, dat ze niet altijd even sterk voor de aandacht staan.

1. Christus vergadert Zijn kerk door Zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof.
2. Christus vergadert vanaf het begin van de wereld tot aan Zijn wederkomst.
3. Christus vergadert waar Hij wil, wanneer Hij wil en wie Hij wil.
4. In Zijn kerkvergaderend werk gebruikt Hij mensen: wie Hij wil, zolang Hij wil, waar Hij wil.

Met bovenstaande menen we de Schrift getrouw na te spreken. IS daarin een onduidelijkheid, iets dat moeilijk begrepen kan worden door mensen? Zeggen we teveel, als we daarin belijden en geloven, dat Christus het alléén doet? Dat Hij daarin NIEMAND náást Zich verdraagt, als collega, als hulp, als aanvulling? Niet wat betreft inhoud, invulling, uitvoering, vormgeving, tijd, plaats, of wàt dan ook? Dat de mens(heid) voldoende heeft en moet hebben aan het geopenbaarde Woord? Het geopenbaarde Woord met de goddelijke opdracht naar ieder mens: BEKEER u van uw zonden en LEEF! Wandel voor Mijn ogen, onberispelijk, heilig, rechtvaardig, in trouw en waarheid.

De gelovige gelóóft en belijdt dat. Dan komt de zondeval des te scherper voor ogen te staan: IK, ellendig mens, totaal verloren in vloek en dood en schuld. Op grond wáárvan heeft God mij uitverkoren tot geloof? Alléén op grond van Zijn verkiezende liefde! Maar de roepstem, de opdracht, het bevel gaat uit tot ieder mens: BEKEER u van uw zonden en LEEF! Dan heeft de mens de verkiezing te gelóven en zijn eigen verantwoordelijkheid te verstaan. Nergens roept de Schrift de mens op om Gods verkiezing van eeuwigheid ernstig te onderzoeken naar inhoud, naar invulling en uitwerking. Dat is Gòds zaak, Gods zaak alléén! De mens heeft zijn handen meer dan vol aan de eigen verantwoordelijkheid: invulling geven aan de roepstem, de opdracht, het bevel: BEKEER u!

Toch zien we keer op keer, dat de mens in grote brutaliteit meent God te mogen en te kunnen narekenen betreffende Zijn verkiezing, wie, wanneer, waar, hoe, waarom. Ofwel, ook daarin WEIGERT de mens zich te onderwerpen aan het geopenbaarde Woord en meent zelfs tijd te hebben zich daarover te buigen om ook daarover tot een eigen beoordeling te (kunnen) komen. En meteen strekt de brutaliteit zich uit naar: inhoud, invulling, uitvoering, vormgeving, tijd, plaats, of wàt dan ook. En het ‘narekenen’ gebeurt nooit kritiekloos.

Mochten we – bovenstaande gelezen hebbend – beginnen te protesteren, zachtjes, hardop, dan komt meteen de vraag op: Geachte mens, waaruit verklaart u de enorme verscheidenheid van geloofsgenootschappen, vormgeving inzake erediensten, leringen en dwalingen? Het antwoord is eenvoudig: OMDAT de mens zich niet aan God, aan Zijn Woord wil onderwerpen en daarom niet wil LUISTEREN! En luister maar naar de mens, dan hoort u tal van mensen in ernst betuigen: ik wil wèl luisteren. Maar wordt dezelfde mens door iemand aangesproken op zaken betreffende leer en/of leven, dan weet dezelfde mens zich vervolgens in ik-weet-niet hoeveel bochten te wringen om onder de geuite beschuldiging uit te komen of die te verkleinen of te miskennen. En daarmee opnieuw: de mens herhaalt steeds weer de zondeval van zijn eerste voorouders Adam en Eva.

Maar dan nog weer, hoe komt het dat er zo’n enorme verscheidenheid is, verdeeldheid? Want tal van geloofsgenootschappen BELIJDEN: Ik geloof één heilige, algemene, christelijke kerk. En daarin menen ze met velen op één en dezelfde basis te staan. Toch gaan ze niet samen, ook al proberen ze in veel woorden te doen horen en te doen geloven, dat ze feitelijk náást elkaar staan. Het begint met Christus, het Hoofd: HIJ vergadert!! Dan, één heilige, algemene, christelijke kerk. Het algemene wordt direct aanvaard. Het christelijke ook (naar eigen inzicht). Maar het heilige?

Zagen we hiervoor, dat Christus ALLES regeert in Zijn kerk, dan is de Schrift héél duidelijk, dat Hij géén onheiligheid verdráágt, nooit, door niemand. Ook niet als iedereen het ‘goed’ vindt. Daarom, als iemand die belijdenis uitspreekt, belijdt, dan spreekt hij daarmee ook uit, dat hij op die belijdenis is aan te spreken, in woord en daad. Want het is niet alleen de kant van de GROTE Vergaderaar Jezus Christus, Die vergadert, maar er is ook de grote VERANTWOORDELIJKHEID van ieder lid van een geloofsgenootschap: IK MOET ER NAAR JAGEN, DAT DE KERK HEILIG IS EN HEILIG BLIJFT!!

Dat is niet iets van even zeggen en vervolgens de neuzen tellen of de meerderheid het er mee eens is, of de leiding het goed vindt, nee, dat is MIJN grote verantwoordelijkheid in de enkele jaren hier en nu! Tegenover het Hoofd, Christus, in de eerste plaats. Want ik wéét, dat Hij géén onheiligheid verdraagt, gisteren niet, vandaag niet, nooit. Maar als iedereen het goed vindt? Als iedereen er over zwijgt? Dan heb IK nog geen enkel recht tegenover Hem het ook goed te vinden, er ook over te zwijgen.

En DUS màg ik het niet goed vinden en MOET ik spreken, schrijven, handelen. Gods eer is in het geding! De heiligheid van Zijn kerk is in het geding! De heiligheid van de leden is in het geding! De heiligheid wordt bedreigd! En de geschiedenis leert van bladzij tot bladzij, hoe volgzaam de mens is tot het kwade, tot het zich afkeren van de Heere en de meerderheid, de leiders volgen IN het kwade, tot eigen en andermans verderf en dat van het nageslacht.

Daarom is het belijden van één heilige kerk niet alleen een belijdenis, maar een heel dure opdracht tegelijk. Nu wordt dat naar de praktijk van het dagelijks leven vaak vergeten, verwaarloosd. Onze luiheid en gemakzucht en traagheid spelen ons vaak parten. Het is daarom noodzakelijk, dat dit nadrukkelijk onder de aandacht gebracht wordt, opdat we ons met haast bekeren, te beginnen vandaag en nauwkeurig onderzoeken of er onheiligheid is.

En dan moeten we niet wachten totdat die ànder wat zegt of schrijft of doet, nee, dan moet ik mijn eigen verantwoordelijkheid dragen en in praktijk brengen. Ja maar, ik weet er veel te weinig van. Dan weet ik meteen waar ik ook direct mee moet beginnen en heel standvastig mee moet doorgaan: STUDEREN in de Schriften om al biddend en smekend wijsheid te verkrijgen, bewerkt en geleid door de Heilige Geest! Ook dan, als alle anderen weigeren daaraan mee te doen, beginnen en doorgaan.

Hoe gemakkelijk wordt de klemtoon gelegd op de ‘algemene, christelijke’ kerk. En dat wordt sterk onderbouwd vanuit de Schrift, Galaten 5:22 de gaven van de Geest!: ‘Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.’ Daar moet de christen naar jagen! Zie je wel!!, zó moet een christen leven en dááraan kenbaar zijn en zó gekend worden. Daarvan is al die strijd en verdeeldheid een tegenstander!! De liefde moet regeren, I Corinthiërs 13!

Is dat de hele Bijbel? Of wordt hier met enkele teksten de Bijbel scheefgetrokken, het Woord uiteengerukt? Wat zegt de Schrift Zelf? Genesis 3:15: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.’ Openbaring 19:11: ‘En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.’ De Heere ZET vijandschap, Christus VOERT krijg.

Naast veel andere teksten schrijft de apostel Paulus, geïnspireerd door de Heilige Geest aan de gemeente te Efeze, 6:12: ‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’ En aan Timotheüs, I Tim. 6:12: ‘Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.’

Wie was er volmaakt vervuld met de gaven van de Geest? Christus. En dùs was de Heere Jezus Christus geliefd en bemind door alle mensen??, ja, werd Hij door allen aangewezen en aangeprezen als HET grote voorbeeld?? Wie had lief zoals Hij? We zien veel tegenovergestelde feiten en we horen veel daarmee strijdende woorden en getuigenissen in de besproken teksten in het Johannes-evangelie. En de kruisiging van Christus heeft van menselijke kant alleen maar onderstreept en bevestigd de totale haat en afkeer van redding en herstel. ZO IS DE MENS NA DE ZONDEVAL!

Hoe kan dat dan? Dat komt vanwege de zonde en het door de mens hardnekkig vasthouden en verdedigen van de zonde. En door de zonde de háát tegen God, de háát tegen Zijn Woord en zó ook de háát tegen de gaven van de Geest. Want die gaven proberen we niet in praktijk te brengen – in woord en daad – tot eer van God, in onderworpenheid aan Zijn Woord, maar zoals het goed lijkt in de ogen van mènsen! En met de gaven komt er dan ook de mènselijke invulling bij naar het oordeel van mènsen. En telkens weer blijkt, dat de duivel geen vriend van de mensen is, maar de grote vernieler, de grote leugenaar, de grote ontwrichter, de grote moordenaar.

Maar aan de haat van mensen ná de zondeval gaat vooraf het volkomen HATEN door God van de zonde!! Daarin is geen enkele pauze of vermindering. Maar de mens is eigenwillig en eigenwijs en meent zèlf wijs te zijn en zèlf iets te kunnen en te mogen inbrengen. Steeds weer is er die eigen beoordeling die de mens ten onder moet brengen en overwinnen. Luisteren en geduldig aanvaarden dat God het zó wil. En door God omgekeerd moet Gods kind ook alle zonde en ongehoorzaamheid háten! Dan is er het begin van de waarachtige bekering en wedergeboorte.

En dan kunnen heel veel mensen juichen en roemen over velerlei gaven en uitingen van de Heilige Geest, uitkomend in tal van wonderen en krachten en prestaties, het zegt niets! Want die gaven moeten zijn tot eer van God, in gehoorzaamheid en onderworpenheid aan het Woord van God en tot heil van de naaste. Maar zien we de háát tegen God, tegen Zijn Woord, dan kan het niet anders, dan dat er ook háát is tegen de gaven in gehoorzaamheid en onderworpenheid aan het Woord. En dan zien we – opnieuw – dat die gaven door mensen veracht en verworpen worden.

Want tegelijk is er strijd: strijd tegen de zonde, strijd tegen de duivel en alles waarmee en waarin hij ons van de Waarheid wil aftrekken. En vervolgens zien we, dat die strijd staat náást de gaven van de Geest. En zó belijden we ‘één heilige, algemene, christelijke kerk’. En dan staan inderdaad ‘heilige’ en ‘algemene, christelijke’ niet tegenóver elkaar, maar náást elkaar. En heilige benadrukt, dat de kerk HEILIG moet zijn, HEILIG voor God, omdat het onmogelijk is dat Christus behagen heeft in een kerk waarin ONheiligheid heerst en regeert. En meteen zien we de grondslagen van Gods rijk: waarheid, recht, gerechtigheid en heiligheid. ‘Uw koninkrijk kome!’ En dùs zullen die in de kerk, in Christus’ kerk moeten heersen en regeren.

Dan zien we, dat ‘heilige’ en ‘algemene, christelijk’ náást elkaar staan en naast elkaar moeten blijven staan. Dan is er ook het verschil in mensen. De ene mens heeft weinig in zich om te strijden; de ander is te gehaast tot de strijd. Maar BEIDEN zullen de ander moeten verdragen en de ander moeten ondersteunen, in het geloof, BEIDEN overtuigd van de bereidheid tot strijden. BEIDEN zullen er vast van overtuigd moeten zijn in het geloof, dat de strijd en waakzaamheid er zijn tot aan de jongste dag. Geeft de Heere dan enige rust, dan blijft bij BEIDEN de waakzaamheid. Geeft de Heere beproeving in dwaling en/of afval, dan zijn BEIDEN bereid om te strijden voor de heiligheid in de kerk, de één voorop, de ander ondersteunend. Elkaar vasthoudend in waar geloof.

Maar wat toont en leert ons de geschiedenis? Dat er vaak verslapping optreedt, lauwheid, traagheid, niet meer de bereidheid om waakzaam te zijn om – als het móet! – te strijden. Daarin ook veel te grote toegeeflijkheid aan de zonde, lusteloosheid en afschuiven op anderen. En als dan niemand meer de strijd aanbindt, ja, dan is er capitulatie, dan is er een gaandeweg steeds meer toegeven aan de zonde, aan valse leer, aan afwijking van Gods geboden in het leven. En de geschiedenis leert zo duidelijk, dat het dan – tenzij God het verhoedt – snel verwatert en de strijdende kerk een slápende groep mensen wordt.

Wat is het grote geneesmiddel? Waarachtige liefde uit waar geloof tot de Heere, tot Zijn Woord, tot onze medebroeder en medezuster in de Heere. Waarachtige liefde tot onze jeugd, om ze – voor zover het aan ons ligt – ze voor te bereiden op de tijd dat zij vooraan moeten staan.

18 juli 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *