33 Levenslessen II

Wat een geweldig iets voor de onwetende, totaal verblinde mens sinds de zondeval: God wijst de weg om wijsheid, kennis te verkrijgen. Christus, de Bron en Oorsprong van alle wijsheid, kwam met het Woord, met gezag. Zodat de mensen zich zeer verbaasden. Dat toont de hopeloze blindheid en bijziendheid van de mens, die zijn weg niet anders kan gaan dan zoekend, tastend. Elke zekerheid, vastheid, hechtheid ontbreekt totaal. En ook afgoden verblinden alleen maar méér!

Is de mens blij met de aangeboden wijsheid? Jaagt de mens ernaar als naar verborgen schatten? Helpt de ene mens de andere mens in het verkrijgen van wijsheid, de weg te wijzen waar die wijsheid te vinden en te verkrijgen is? Het antwoord is ondubbelzinnig: NEE!

ZO totaal verdorven is de mens, ZO puur vijandig tegenover God, ZO vasthoudend aan zijn hoogmoed: ik beoordeel ZELF en ik ben daartoe geen hulp of bijstand van iemand anders nodig, nee, ik wil daar ook niet op gewezen of aan herinnerd worden. Daarom kan die wijsheid hem gestolen worden. En al de zwakheid, gebrokenheid, verdorvenheid, ellende, zonde, dood, leugen, nee, niets brengt de mens van dié hoogmoed en eigenwilligheid af.

De Heere Jezus toont dat heel duidelijk in de gelijkenis van de 10 maagden (Matt. 25). Vijf waren wijs, vijf waren dwaas. De wijze bereidden zich voor op de komst van de bruidegom, de dwaze niet. Hoe duidelijk toont de Heere Jezus het levensgrote gevaar van de zorgeloosheid: uitstellen, uitstellen, het kan nog wel, later. Té laat! ‘Ik heb u nooit gekend!’ Daarom: ZOEK wijsheid en WORDT wijs, tijdig! De wijsheid die van boven is, de wijsheid naar de Schrift! Opnieuw: uw EIGEN verantwoordelijkheid. Leun NIET op anderen, hun inzichten, hun kennis. Laat u NIET meesleuren door allerlei werelds vermaak en plezier en genot. Zij bewèrken uitstellen, het kan nog wel, later.

Er is nòg een levensgroot gevaar: blind zijn voor onze vergankelijkheid! Waartoe staan veel geslachtsregisters in de Bijbel? Ze tónen en bewíjzen de VERGANKELIJKHEID van de mens. Leest u ze maar: waar zijn al die mensen gebleven? ‘En hij stierf!’ Lezen we die geslachtsregisters nog maar eens. En lezen we vervolgens op diverse plaatsen: het leven is een damp, een ademtocht, een schaduw. Natuurlijk, dat geloven we. En als oude(re) mensen zeggen dat het leven zó voorbij is, zeker, dat ‘geloven’ we. Maar we zijn nog jong, nog sterk, het leven lacht ons toe! Wat een somberheid, wat een zwartgalligheid. Nee hoor, wij weten het béter!

Maar juist die BLINDHEID voor onze vergankelijkheid is dódelijk! Die blindheid versterkt en bevestigt ons in onze hoogmoed en zelfhandhaving: WIJ ZIEN en wij weten het beter en beoordelen ZELF! En daarom: het kan nog wel, later …. of helemaal niet! En denk nu niet, dat de ene mens daarin wijzer is dan de ander. Nee, ieder mens moet erkennen, dat hij daarin totaal BLIND IS en blind BLIJFT totdat hij het hoofd buigt en léért luisteren en léért aanvaarden en léért zwijgen en léért erkennen en belijden, dat hij vanuit zichzelf totaal blind en onwetend is door eigen zondeval. Alleen de Heilige Geest kan mensen zover brengen, bij wie Hij wil en wanneer Hij wil.

En dáár zit nu het punt: zelfverloochening; erkennen, dat we vanuit onszelf hopeloos blind en onwetend zijn; onszelf diep vernederen en erkennen en belijden, dat we vanuit ons zelf NIETS kunnen, NIETS weten, NIETS zien. Ja, dat vecht tegen elke vezel van hoogmoed en zelfhandhaving. Tegelijk stellen we ons daarmee op als totaal afhankelijk van anderen, van de Ander, van God, Die we willens en wetens ons vertrouwen opzegden.

Zeker, dat moet zelfverloochening wel zijn: terugkeer naar God, erkennen, dat ik, mens zeer dwaas gehandeld heb door eigen beoordeling naast, ja, boven Gods goede Woord te stellen. Het is een levenslange worsteling om alle hoogmoed, alle zelfhandhaving af te zweren, te doden, te kruisigen. Openlijk erkennen, voor God en mensen: ik ben zeer dwaas geweest als mens. Ik erken dat en ik wil terugkeren, schuld erkennen, berouw bewijzen en zó weer in ontferming en genade aangenomen worden. In de ene weg, geopend en gebaand door onze Heere Jezus Christus, bewerkt door de Heilige Geest!

Het kan niet anders, dan dat die hemelse wijsheid ons brengt tot zelfverloochening en nederigheid, ootmoed. Luisteren – opnieuw – naar de Schepper, de levende God, Zijn Woord, het bewijst onze totale afhankelijkheid, de afbraak van elke zelfhandhaving, ook in het horen, ook in het gehoorzamen. Dat zien we bijvoorbeeld ook in de Bijbel: op diverse plaatsen staat, dat de Heere Jezus mensen geneest, van lichamelijke ziekten, handicaps en ze daarna scherp verbiédt er ruchtbaarheid aan te geven. Maar ze luisteren niét! Daaruit blijkt, dat ook de grootste wonderen niét brengen tot gehoorzaamheid (hoe eenvoudig ook), niét brengen tot onderwerping.

De Heere Jezus verbiedt aan boze geesten óók, dat ze Hem bekend maken. Nee, zij zullen nooit wìllen noch kùnnen luisteren. Waarom verbiedt de Heere Jezus het dan? Omdat de Heere in NIETS ook maar een schijn wil laten overblijven, dat Hij, de levende God, iets afhankelijk is van HULP of STEUN van schepselen, ook niet, zeker niet van boze geesten. Daarom: ZWIJG!

De mens blíjft staan bij wat voor ogen is: lichamelijk herstel, hier en nu! Als de Heere Jezus op meerdere plaatsen zegt: ‘uw zonden zijn u vergeven’, dan mompelen de mensen wat, dan bekritiseren ze dat zeggen. Als de Heere Jezus daarna ook lichamelijk herstel van ziekte, handicap geeft, dan zijn de mensen hun verstand kwijt: dit kàn niet! Dit bestáát niet! Dit kan Hij alleen doen door de overste der boze geesten. Ziet u opnieuw met welk een totale blindheid en bijziendheid de mens behept is? Ook, dat de mens niet WIL zien, niet KAN zien, tenzij de Heere hem daarvoor de ogen opent? De mens ZIET de eigen totale dood en vloek en verdorvenheid NIET!!

OPENT de Heere daarvoor de ogen, dan ZIET de mens oneindig ver voorbij aan het hier en nu, het lichamelijk herstel van ziekte en handicap, van alle lichamelijke en stoffelijke nood. Dan ZIET de mens de onnoemelijke wáárde van: ‘uw zonden zijn vergeven!’ ‘Luisteren is beter dan offeranden!’ Want dan ziet de mens de genade, de ontferming: de Heere heeft ook naar mij omgezien, arme zondaar, totaal verloren in zonde, dood en vloek. Dit betekent HERSTEL als kind, HERSTEL als beelddrager, alleen tot GODS eer! Het onderstreept ook des te meer onze verantwoordelijkheid hoe we met het verkregen leven en lichaam omgaan, onze zorg en onderhouding ervan.

Maar ook nederigheid en ootmoed, de mens heeft er een absolute afkeer en afschuw van. IK, de sterke mens! En nu, in het geloof mij weer gehoorzaam aan God onderwerpen en erkennen: ik ben uw schepsel, neem mij weer als onderkoning aan, nee, het strijdt tegen alles in ons. De mens staart zich nog steeds blind op de beloofde ‘vrijheid’, naast God, boven God. En nee, ook 6000 jaar geschiedenis heeft die hoogmoed niet weggepoetst, weggewassen, integendeel. Er komt eerder bij aan welvaart en luxe en genot, wat ons nog meer verblindt, dan dat we er vanuit ons zelf lust toe hebben de ogen te openen.

We noemen Matt. 20:25-28: ‘En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen. Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, [die] zij uw dienaar; En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven [tot] een rantsoen voor velen.’
En Matt. 23:8-12: ‘Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, [namelijk] Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, [namelijk] Die in de hemelen is. Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, [namelijk] Christus. Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn En wie zichzelf verhogen zal, [die] zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, [die] zal verhoogd worden.’

We leggen de vraag voor: ziende en beseffend, dat we totaal afhankelijk zijn van de borgtochtelijke verlossing door het offer van Christus, dat ziende en beseffend, wie durft het – ondanks het uitdrukkelijk VERBOD daartoe – bestaan te heersen over anderen, of zelfs maar pogingen daartoe te doen??? Maar ook als we het zelf niet doen, wie verdraagt het als anderen het doen? Past daartegen geen volhardend collectief verzet, in woord en daad?

Maar wat zien we in de praktijk? Het wordt algemeen gedáán en algemeen geacceptéérd! Door betrokkenen zelf, door anderen, ja, het wordt zelfs aangemoedigd. O, misschien niet openlijk, maar wel bedekt of passief. En het is intussen zó ingeburgerd en zó vanzelfsprekend, dat nauwelijks iemand daarvan wat durft zeggen. Het is ondertussen – en niet alleen in de wereld – een spreekwoord geworden: grote honden bijten elkaar niet.

Zó gemakkelijk laat de mens zich meeslepen door het doen en praten en redeneren van andere mensen. En dan is het nog een klein stapje: eigen regels en wetten en bepalingen en besluiten staan maar zó naast het Woord van God, ja, worden belangrijker geacht. En vervolgens wordt er ook meer van verwacht. En vervolgens wordt gehoorzaamheid en onderworpenheid daaraan ook gevraagd, geëist, afgedwongen. Eerder en meer dan bij ongehoorzaamheid aan het Woord van God.

U zegt: dat is niet waar!? Het is al heel oud. In Marcus 7 staat daarover: ‘En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij [hen]. Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij [eerst] de handen dikwijls wassen, houdende de inzettingen der ouden. En van de markt [komende], eten zij niet, tenzij dat zij [eerst] gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, [als namelijk] de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. Daarna vroegen Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, [die] geboden [zijn] der mensen; Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, [als namelijk] wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. En Hij zei tot hen: Gij doet [zeker] Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. Maar gij zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: [Het is] korban (dat is [te zeggen,] een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, [die voldoet]. En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen; Makende [alzo] Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.’

Zouden de Farizeeën zich inderdaad willen onderwerpen aan het Woord, ze hadden eerbiedig om nader onderwijs gevraagd. Maar daar blijkt hun zelfhandhaving: WIJ WILLEN NIET GELEERD WORDEN! Wij hebben geen behoefte aan hemelse Wijsheid, want wij weten het zelf beter. En het volk moet ons als leiders erkennen en volgen, in blind vertrouwen. Daar bezwaar tegen maken, uitspreken, het betekent al snel excommunicatie. Dat zal ze leren!

Maar ook elke vorm van valse godsdienst is daarmee behept. En ook elke afwijking van de zuivere dienst aan de Heere is daarmee behept. Want de mens kan en wil zo moeilijk EIGEN denken en redeneren radicaal opzij zetten en zich even radicaal onderwerpen aan God, aan Zijn Woord alleen. Want dat betekent inderdaad BLIND VERTROUWEN! Blind vertrouwen, dat God trouw is, trouw aan Zijn Woord, trouw aan Zijn beloften, Zijn bijstand, Zijn verbond. Afstand doen van elk zelfvertrouwen.

En elke valse kerk, elke valse godsdienst toont en bewijst van dag tot dag: radicaal in eigenwillig vermaan, tucht en straf. En opnieuw blijkt, dat wat-voor-ogen-is belangrijker te zijn en meer invloed te hebben dan barmhartig onderwijs, trouwe prediking en geduldige en rechtvaardige ambtsbediening in diepe onderworpenheid aan de grote Zender – het Hoofd van de kerk – Jezus Christus, aan Zijn Woord. Daarin gaan dan de geroepen ambtsdragers dienend voorop, in woord, in daad. Dan erkennen we van dag tot dag, dat we nog maar een begin van ware wijsheid hebben. Maar dan proberen we al biddend ook sámen verder te komen in wijsheid, in nederige dienstbaarheid. En zó worden talenten openbaar en ingezet, zonder aanzien van persoon.

Op weg naar de eeuwige volmaaktheid, de grote bruiloft van het Lam. Hem alle eer!

27 april 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *