31 Rechtspreken

Er is een belangrijk aspect wat telkens weer de aandacht verdient: het recht. In de wereld, in de kerk, ja, op elk terrein van het leven. Het recht heeft namelijk alles te maken met geloof: geloof in de levende God. Rechtspreken is er vanaf de schepping. God plaatst het recht op het moment dat Hij een gebod oplegt aan de mens. Het recht spreekt van voorwaarden, eisen, ook bescherming, trouw.

Omdat God Zich de hele Bijbel door doet kennen als de God van het recht, gerechtigheid en rechtvaardigheid, in al Zijn doen en spreken en willen, moet dat onze duidelijke aandacht hebben.

Immers, als God Zich zó doet kennen, aan Zijn volk daartoe zeer duidelijke wetgeving geeft, van Zijn volk eist, dat ze recht en gerechtigheid handhaven en de waarheid liefhebben; daarnaast, hoe heeft Hij getoornd tegen alle buiging van het recht, alle rechtsverkrachting, alle eigenwilligheid daarin.

Toch zien we steeds weer, dat de mens in eigenwilligheid het recht buigt naar eigen voordeel, daartoe de waarheid verkwanselt en macht en invloed aanwendt om zich aan rechtshandhaving te onttrekken. We zien, dat de wereld vol is van corruptie, hypocrisie, leugen en bedrog, omkoperij, chantage en intimidatie, afpersing, gijzeling, moord en doodslag.

En mochten we denken, dat gelovigen daar vrij van zijn, dan moeten we de Bijbel toch maar weer opnieuw lezen. Dan moeten we daarna de (kerk)geschiedenis maar weer bestuderen. Helaas, keer op keer moeten we met verbijstering constateren, dat ook gelovigen zich maar al te vaak hebben vergrepen aan het recht, het recht wat de Heere gebiedt aan ieder mens op elke dag in alle situaties.

Het is heel duidelijk, dat het afwijken van het door God geboden recht zijn intrede heeft gedaan met de zondeval. Toen schoffeerde de mens Gods recht. Tegenover God als Insteller van het recht, tegenover Hem als Handhaver van het recht. Daarmee werd niet alleen Zijn recht geminacht, maar werd Hij Zelf als Wetgever daarin van alle eer beroofd.

Maar met de zondeval zondigde de mens niet alleen tegen God, ook tegen zijn naaste. In de rechtspraak ten opzichte van de naaste hebben voorwaarden, eisen, alsook bescherming en trouw hun rechtmatige plaats. En steeds weer moet de mens terug naar de schepping, naar het recht van de Schepper. Daarin is de centrale regel: God liefhebben boven alles, de naaste liefhebben als zichzelf.

Wie is er in de kerk bevoegd tot rechtshandhaving? De kerkenraad. Wie kunnen voor recht, rechtshandhaving een beroep doen op de kerkenraad? Alle gemeenteleden, allen, die de kerkenraad erkennen als de eerst bevoegde instantie in een bepaalde zaak, waarin de kerkenraad de eerst aangewezen instantie is. Zij die voor recht de kerkenraad benaderen zijn aanklagers. Zij hebben de taak en plicht de kerkenraad zo goed en duidelijk mogelijk hun bezwaren kenbaar te maken.

Nu is de kerkenraad niet alleen de bevoegde instantie, maar ook de instantie waarvan geëist mag worden, dat ze het recht handhaaft en eventueel afdwingt met de haar aangereikte middelen en mogelijkheden. Er is dus sprake van RECHT, ook van PLICHT. Daarbij is de kerkenraad gebonden aan de door de Heere gestelde rechtseisen op grond van Zijn Woord: rechtdoen, onafhankelijk, zonder aanzien van, onomkoopbaar, zie Deut. 19.

Nu mag een gemeentelid daar de kerkenraad op aanspreken. In het geval, dat het gemeentelid zelf te maken krijgt met onrecht door andere gemeenteleden, door ambtsdragers; in het geval, dat het gemeentelid ziet dat er onrecht in de gemeente plaatsvindt; in het geval, dat het gemeentelid opmerkt, dat de kerkenraad (of één of meer leden van de kerkenraad) zelf het recht buigt, afwijkt van het geboden recht.

In al deze gevallen is de kerkenraad verplicht de aanklacht nauwkeurig te onderzoeken door hoor en wederhoor van betrokkenen vóórdat ze tot een beoordeling komt. Als ze na gedegen onderzoek tot een beoordeling komt kan ze de betrokkenen aanmanen tot bepaalde handelingen. Eventueel kan ze de schuldige partij veroordelen en besluiten tot tuchtmaatregelen. Daaraan dient de schuldige zich te onderwerpen. Mocht de veroordeelde van oordeel zijn dat hij geheel ten onrechte veroordeeld is wegens het niet juist wegen van aangedragen argumenten of dat de kerkenraad niet onpartijdig heeft geoordeeld, niet grondig heeft onderzocht, zich in haar uitspraak heeft laten omkopen, dan heeft de veroordeelde het recht daartegen in beroep te gaan bij een meerdere vergadering.

Voor de meerdere vergadering gelden dezelfde rechtseisen.

Nooit mag een rechtsprekende instantie van de aanklager verwachten, vragen, dat de aanklager gaat optreden als rechter, rechtsprekende persoon of instantie. Doet een kerkenraad dat, dan miskent ze haar eigen bevoegdheid, haar eigen recht en plicht en toont daardoor, dat ze òf zelf onbekwaam is, òf zich wil onttrekken aan haar plicht. Daarmee en daardoor is het noodzakelijk gevolg, dat er geen sprake meer is van rechtshandhaving en dat eigenwilligheid en willekeur haar intrede doet. Het recht is niet meer veilig; de rechtsprekende instantie verzaakt haar PLICHT.

Er dient steeds weer nauwkeurig te worden onderscheiden in de kerkelijke rechtspraak. De kerkenraad is de enige bevoegde instantie, die de orde en de vrede in de gemeente bewaart d.m.v. rechtvaardige rechtspraak naar het Woord. Nu is de kerkenraad verkozen door en uit de gemeente. Daarom is de kerkenraad verantwoording schuldig aan de gemeente, aan de leden van de gemeente. Daartoe is het de plicht van de gemeenteleden de kerkenraadsleden te controleren in haar ambtelijke arbeid. Als eis gelden daarbij de beloftes die de ambtsdragers hebben afgelegd bij hun bevestiging: leer en leven naar de Schrift.

Is een gemeentelid van mening, dat een ambtsdrager, de hele kerkenraad van haar belofte afwijkt in leer en/of leven, dan mag, moet dat lid onderzoeken of het aanleiding kan zijn tot een gegronde aanklacht. Is hij die mening toegedaan, dan is hij verplicht betrokkene(n) daarover aan te spreken of te schrijven. Betrokkene is daarop verplicht de aanklacht grondig te onderzoeken. Blijkt de aanklacht terecht, dan zal betrokkene zijn afwijking belijden en erkennen.

Nu heeft de geschiedenis geleerd, dat personen, die geroepen worden tot leiding geven, de verleiding moeten weerstaan misbruik van hun positie, macht en aanzien te maken. Telkens weer – zeker in de kerk – moeten de betrokken personen er voor zichzelf van bewust zijn, dat ze grote verantwoordelijkheid gekregen hebben. God leidde het zó, dat zij geroepen werden. Hij wil ook wijsheid en inzicht geven tot het ambt. Het Hoofd – Jezus Christus! – als Zender eist als Eerste rekenschap en verantwoording, hier en nu en straks op de jongste dag. Dat moet iedere ambtsdrager elke dag opnieuw scherp voor ogen staan! Eigen belangen mogen nooit gelden.

Nu leert de geschiedenis verder, dat er in organisaties vaak tal van mogelijkheden te vinden zijn om zich zelf daarin te profileren. Het doel daarmee ligt verderop: macht, invloed, eer, aanzien. Om dat te bereiken, te versterken, te verzekeren, te handhaven, zijn er weer nieuwe methodes beschikbaar of worden daartoe geschikt gemaakt. Wil iemand daar niet aan meewerken of brengt iemand daartegen gegronde bezwaren in, dan zijn er andere methodes om het doel te verwezenlijken: de bezwaren worden genegeerd of ongegrond, onbewezen verklaard; de persoon wordt verdacht gemaakt.

De geschiedenis laat vervolgens zien, dat de moeite en tijd om ingebrachte gegronde bezwaren even inhoudelijk en gegrond te beantwoorden en/of te weerleggen of toe te stemmen, vaak en gemakkelijk wordt overgeslagen. Beroep op positie, de druk, de zwaarte, prioriteiten of andere ‘zwaarwegende’ argumenten moeten de ander overtuigen. En dit helemaal, als ook de andere leden van de betrokken instantie zich daarop beroepen of daarin meegaan.

En vervolgens is er natuurlijk nog altijd de mogelijkheid om de persoon fysiek of psychisch onder druk te zetten, waarin gebleken is, dat de mens zeer vindingrijk is tot effectieve maatregelen, die tot uitstekend ‘resultaat’ leiden. Maar steeds wordt het doel voor ogen gehouden: mijn, onze positie, aanzien, eer, macht handhaven. En als ‘iedereen’ het zo goedvindt en wil….

Daarnaast is er de grote verleiding, dat die positie en macht puur misbruikt worden tot ongeoorloofde, ja, misdadige besluiten, handelingen, misdragingen, tegenover medeambtsdragers, tegenover gemeenteleden, oud en jong. Dat daarbij misbruik gemaakt wordt van het gegeven vertrouwen in het ambt is overduidelijk. Dat daarbij medeambtsdragers mee onder druk komen te staan als ze kennis krijgen van onrechtmatig gedrag van enkelen, meerderen, ja, min of meer gedwongen worden mee te doen, is duidelijk. Niet mee hoeven doen betekent wel (oogluikend) toestaan en zwijgen.

Het is duidelijk, dat eer, positie, invloed, macht een zware wissel (kunnen) trekken op een persoon. Toch moet de vrees voor de Heere hem dagelijks voor ogen staan en hem in al zijn handelen en overwegen leiden. Dat betekent steeds weer de Schriften onderzoeken, bestuderen, om goed te verstaan en te onderscheiden wat de wil van de Heere is, op elke plek, in elke situatie. Zeker, als het mogelijk is daarvan ook de andere ambtsdragers overtuigen en zo daarin meenemen. Maar als dat niet mogelijk blijkt, dan zal de vrees en liefde voor de Heere, voor het Woord de doorslag moeten geven: NIET meedoen, NIET toegeven, NIET zwijgen.

Ja maar, de gevolgen! En ook daarover zwijgt de geschiedenis niet, integendeel. Velen zijn naar de zijlijn gemanoeuvreerd, zijn vervolgd, verguisd, gemarteld, gedood omwille van het geloof. Steeds weer moet duidelijk BLIJKEN: WAT is het beoogde doel: leven uit en naar Gods Woord òf iets anders.

Nu is het zeker voor gemeenteleden niet gemakkelijk om daarin de juiste lijn te volgen. In de eerste plaats zijn ze niet aanwezig op de vergaderingen van de kerkenraad. In de tweede plaats is het vaak moeilijk duidelijk te weten te komen wat er is gebeurd en of betrokkenen bereid zijn te spreken en of ze de waarheid spreken. Toch zal een gemeentelid heel duidelijk moeten krijgen òf en zo ja wèlke misdragingen door wié hebben plaatsgevonden. Is dat te bewijzen, dan zal hij niet mogen zwijgen. Dan zal de vrees en liefde voor de Heere, voor het Woord, ook voor de naaste, voorop moeten staan en elke aarzeling en twijfel moeten wegnemen. Nu staat het ambt van alle gelovigen in het volle licht. Het Hoofd – Jezus Christus – roept en verplicht tot daadwerkelijke gehoorzaamheid.

En elke aanvechting, alle gemakzucht, alle onwetendheid, ze moeten bestreden en afgewezen worden, want ze kunnen nooit een geldig excuus zijn voor de Heere. Inderdaad, dat vraagt moeite, strijd, standvastigheid. Maar zien we opnieuw alle voorbeelden in de Schrift, dan zien we keer op keer, dat de Heere Zelf de kracht, de moed, de wijsheid, de standvastigheid geeft, alles gedragen en gevoed door waarachtige liefde en vrees voor Hem, voor Zijn Woord. Tegelijk Gods vaste beloften van hulp, van kracht, van behoud, ja, tot over dood en graf heen.

Telkens weer blijkt de enorme kortzichtigheid van de mens. Hopeloos verblind ziet de mens aan wat voor ogen is, staart zich daarop blind, ziet vervolgens heel veel mensen rustig in die blindheid voortgaan en stelt eigen geweten daarmee en daardoor gerust. Want de mens kijkt en rekent NIET verder dan hier en nu; en daarom is alleen hier en nu belangrijk en doorslaggevend. Ook de eerste twee schakels komen tot rust en minimaliseren het zich-schuldig-weten voor God door onze zondeval. En vervolgens praten we onszelf en elkaar aan, dat het nog best meevalt. En de waarachtige dienst aan God, de onderworpenheid aan Zijn Woord, ze worden vervangen door gezapige saamhorigheid met een christelijk sausje. En iedereen is het daarmee toch eens??

En al die Schriftplaatsen dan, die oproepen tot waarachtig onderscheiden, tot de strijd in het geloof, tot het eerst en alleen vertrouwen op God, op Zijn Woord, op Zijn beloften? En al die Schriftplaatsen dan, waarin de Heere dreigt en straft en oordeelt en zàl oordelen? Het blijkt steeds weer: vanuit zichzelf WIL de mens NIET!! De Heere moet hem steeds weer aansporen, tot vrees en beven brengen, hem daartoe overtuigen door Zijn Geest en Woord. Maar o, die grote verantwoordelijkheid, die de mens heeft in de gegeven genadetijd. Hoe gemakzuchtig gaat de mens daar aan voorbij en volgt daarin de grote massa in pure onwetendheid en gaat verloren, eeuwig.

Gods genadetijd – nu al zo’n 6000jaar! – wordt door de mens niet als genadetijd gezien en ervaren. Nee, ook al Gods oordelen in die tijd, ze worden ‘vertaald’ als toeval, toen en daar; we zoeken naar oorzaak en motief, in onze blindheid. En NEE, we willen niet herinnerd worden aan onze zondeval, dat wij zelf de grote oorzaak zijn van alle ellende en ramp en dood en verderf. Die gedachte hebben we definitief afgezworen!

De mens gaat nog een stap verder: Gods genadetijd wordt ‘vertaald’ naar: Gods dreigen met oordelen en gerichten, tijdelijk en eeuwig, ze worden als onmogelijk, niet wezenlijk, gedachtespinsels van enkelen, naar de prullenbak verwezen: hoe kan iemand dàt nu nog geloven! Nu, in onze moderne tijd! En tegelijk vernietigt de mens daarmee de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van Gods heilig Woord, ja, van God Zelf. En van daar uit kan er ook geen enkel bezwaar tegen zijn, dat dezelfde mens het heilig Woord aanpast en ombuigt en loslaat en verbastert naar eigen gedachten en goeddunken. En daarmee is de mens terug bij de zondeval: eigen beoordeling plaatsen náást en bóven Gods geopenbaarde Woord en wil.

En de dood wordt vertaald van straf, oordeel, naar: het hoort bij het leven. En daarmee krenkt de mens de levende God, Die de mens schiep tot LEVEN. En genadetijd wordt niet meer gezien en ervaren als genadetijd, maar de mens ‘vertaalt’ het tot RECHT, hier en nu, ieder voor zich.

En het door God geboden recht wordt vertaald naar onrecht, willekeur, onderdrukking en wat de mens nog meer bedenkt en fantaseert om zelf hier en nu maar genoeg te krijgen en te genieten. Want, dood is dood en God vraagt geen rekenschap.

Dan is er een ander gevolg: de mens oordeelt en wordt door de andere mensen beoordeeld naar het criterium: de MEERDERHEID. Helaas! Hoe suggestief! De geschiedenis leert immers, dat het denken van de mens(heid) even stabiel en vast is als lucht, drijfzand. Het denken van de meerderheid – wel of niet uitgesproken – het is niets meer dan iets van het ogenblik. Daarmee toont God duidelijk, dat HIJ regeert, HIJ alleen en dat Hij ook alle denken, gedachten van alle mensen volkomen beheerst en zó de mens overgeeft in haar blindheid, verblinding, kortzichtigheid.

Er is nog een grote blindheid: ziende, dat er onrecht gepleegd wordt, in stand gehouden wordt, gaat men er vervolgens toch gemakkelijk toe over dezelfde instantie, personen, wèl te vertrouwen in andere zaken, op andere terreinen. De kortzichtigheid wordt zo gemakkelijk ingeperkt.

Daarmee komt een andere kortzichtigheid: de mens geeft zich zo gemakkelijk over aan het moment. Zoals de situatie is op dat moment, zo blìjft het. Zoals de mens nú spreekt, zo blìjft het. De mens WIL niet zien, dat de mens veel meer toegeeflijk is naar het kwade dan naar het goede. En de mens stelt zichzelf en anderen gerust met: ach, zolang het nog niet erger is….. En de mens beseft niet, dat hij zelf mee verandert, zich steeds weer en steeds gemakkelijker aanpast aan de ‘nieuwe’ situatie. Alleen: de mens WIL dat ook niet zien, bij zichzelf en bij anderen en er ook niet op gewezen worden.

Tegelijk staat daarmee Gods Woord vast als de wereld: de mens is na de zondeval in zichzelf totaal verdorven en al zijn denken is blind en dwaas en leidend tot de dood. Iedereen kan zien dat de mens bij het sterven ALLES achterlaat en dat AL zijn plannen vergaan. Hoewel de mens dat ziet, dag in, dag uit, erkent ze het niet en komt ze daardoor niet tot inkeer.

De mens die gelooft ontkomt aan dit alles: God, Gods Woord zijn vast en zuiver en volmaakt betrouwbaar, in beloften, in oordelen, in vloek, tijdelijk en eeuwig. En niemand, niets ter wereld kan daar iets van af doen. En wat hoeveel mensen ook beweren, het is en blijft bijzaak, onbelangrijk, waardeloos. En zó klemt de gelovige zich vast aan God, aan Zijn Woord, aan Zijn verbond, ziende hier en nu en over dood en graf heen op God, de eeuwig Betrouwbare.

Dan ziet de gelovige wèl de eerste twee schakels: ik, arme zondaar; ik heb de eeuwige dood verdiend. Daarnaast en daar dan ver bovenuit: Jezus Christus, de Verlosser, de Zaligmaker, Die MIJN straf droeg en wegdroeg en verzoende voor Gods heilig aangezicht, opdat ik hier en nu en eeuwig mag LEVEN, tot Gods eer, mij gehoorzaam stellend ONDER God als schepsel, eerbiedig luisterend naar Zijn Woord en mij gehoorzaam buigend onder Zijn recht en gerechtigheid. Dan is genadetijd inderdaad genadetijd! En in vergelijk met die eeuwigheid zijn deze enkele jaren van lijden en verguizing, hier en nu door MENSEN, in Gods kracht te dragen.

Ja, dan worden onze ogen ervoor geopend, dat God ons al deze beproevingen toestuurt om ons in heel ons wezen te zuiveren, te wegen, òf wij inderdaad en metterdaad alleen op HEM ons vertrouwen stellen. Tegelijk erkennen we in al die beproevingen, dat God ons daarin geen onrecht doet, op geen enkele wijze. Integendeel, we erkennen en beseffen, dat we naar onze zonden nog veel meer terecht verdiend hebben: de eeuwige dood!

Dat moet ons ook tot groot medelijden bewegen met al die mensen, die zich in hun blindheid zo gemakkelijk laten meevoeren naar de dood, de eeuwige dood. En we trachten ze te bereiken met Gods Woord, dat heilzame Woord, dat betrouwbare Woord. Nee, dan zijn al onze overleggingen, beweringen, hoe kunstig en geraffineerd ook, daarbij waardeloos! De mens moet zich weer gehoorzaam buigen voor God, onder het Woord, zich zo uitstrekkend naar Jezus Christus, de enige Zaligmaker tussen God en mensen.

20 april 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *