27 Liefde VII

Liefde tot God, liefde tot de naaste, het is Gods gebod voor ieder mens.

Er is nog een aspect wat nader bekeken moet worden. We hebben gezien, dat God de mens herinnert aan zijn zonde. Adam en Eva worden herinnerd aan hun zonde: ze wijzen meteen naar de ander als de schuldige en ontkennen daarmee, en verklaren daardoor, dat de gepleegde zonde te zwaar wordt aangerekend, althans, dat zij niet de hoofdschuldige zijn. Ja, feitelijk wordt God verweten, dat Hij niet de juiste persoon aanspreekt. Kaïn wordt herinnerd aan de dood van zijn broer en reageert: ben ik mijns broeders hoeder? Een brutaalweg ontkennen, dat hij ergens van af weet met tegelijk het verwijt, dat God hem daarvoor lastig valt.

En zó zien we de mens de hele geschiedenis door allerlei bedenksels verzinnen en zichzelf wijs maken, dat de mens er niet op aan te spreken is, ook niet door God. Ja, de mens is zó verdorven in zichzelf, dat hij eerder en liever Gòd de schuld geeft en Gòd verwijt, dat Hij over dergelijke ‘kleinigheden’ valt, dan te erkennen: Heere, ik heb gezondigd, goddeloos gehandeld.

Daarmee handhaaft de mens het vertrouwen in de duivel: als God zijn en zelf mogen en kunnen beoordelen náást God, tegenóver God. Maar de mens accepteert en ervaart het zeker niet als ‘liefde’ van God, liefde tot behoud en tot redding door het offer van Christus. En Gods geduld en verdraagzaamheid worden zo ook niet als liefde gewaardeerd. Want de mens wil zijn zonde niét erkennen en helemaal niet terugkeren met berouw en bekering; de mens wil zijn eigen beoordeling niet onderwerpen aan het Woord van God. Discussie onmogelijk.

En als God vervolgens ook mensen bewerkt, aanstelt en gebruikt om mensen te herinneren aan hun zonden, ernstig op te roepen tot bekering, individueel, collectief, dan moet het ons niét verbazen, dat hùn waarschuwen, hùn vermaan niét geaccepteerd en gewaardeerd wordt. En helemaal niet als uiting en bewijs van liefde. Omdat de gelovige wéét, dat de ander gezondigd heeft en als hij in die zonde blijft en verhardt steeds verder van God afdwaalt, daarom drijft de liefde hem aan naar die ander toe te gaan en hem aan te spreken op zijn afwijkende leer, op zijn daden, die getuigen van eigenwilligheid in strijd met Gods Woord.

En dan mag het niet verbazen, dat er soortgelijk gereageerd wordt als tegenover God: dezelfde ontkenning, miskenning, afwijzing van vermaan. Daarbij komen allerlei middelen, afgekeken uit de wereld: negeren, isoleren, doodzwijgen, lasteren, roddelen, liegen, bedriegen; onderliggende zaken, bijkomstigheden uitvergroten en tot hoofdzaken maken; trachten eigen optreden te verdoezelen, te kleineren, schoon te praten. Maar in elk geval doen we er àlles aan, dat het bedreven kwaad in leer, in leven, niét uit het midden wordt weggedaan en dat er niet meer over gesproken wordt.

En keer op keer zien we, dat in reactie op het vermaan, de persoon die aanspreekt, vermaant, als object van ‘lastige’, ‘schuldige’, ‘onuitstaanbare’ bejegend en aangevallen en verguisd wordt. Dat moet niet verbazen, want de mens WIL NIET herinnerd en aangesproken worden op zijn zonden. En daarmee en daarom wordt ieder mens, die God daartoe aanspoort en stuurt als ‘hinderlijk’ ervaren en afgewezen.

Geeft die persoon zelf daarmee aan, dat hij (uiteraard) vanuit zichzelf veel beter is dan die ander? Welnee!, integendeel, die persoon zal met grote dankbaarheid en verwondering opmerken hoe groot Gods liefde en barmhartigheid daarin schitteren, dat God hem voor die zonde, die afval, die handhaving van eigen beoordeling heeft bewaard. God alleen alle eer! Des te meer zal hij erop bedacht zijn zelf niet te struikelen en te vallen en God te smeken hem daarvoor te bewaren. En in die geest, met die gezindheid zal hij gaan en spreken. En hij zal het Woord van zijn Zender naspreken, getrouw, vroom, moedig, onbevreesd, als zijnde het Woord van de levende God, en niet zijn eigen bedenksel.

     Daardoor ontstaat niet een ‘onschuldige situatie’, een ‘onschuldige verhouding’, maar daarin tekent zich verharding af, sterke verharding: wij willen niét aangesproken worden op wat we deden, leerden. En van daaruit kùnnen we het ‘erop aangesproken worden’ beslist niét zien als liefde van die ander, liefde uit zorg, medelijden, bewogenheid, in verband met eeuwig wel of wee. De persoon die aanspreekt moet steeds scherp voor ogen houden, dat het ‘iemand aanspreken’ in verreweg de meeste gevallen niet populair maakt, integendeel, de tegenovergestelde weg opent. Dat moet die persoon bij zichzelf van te voren goed overwegen en overdenken: wat is mijn drijfveer, ga ik wel of ga ik niet? In eigen kracht, met eigen weten òf weet ik mij gezonden, door God?

En dáárin blijkt de liefde: ik ga niét voor èigen eer, naam, roem, maar ik ga, omdat ik God liefheb, Zijn Woord liefheb, omdat ik voor God vrees, voor Zijn Woord beef, omdat ik die broeder, zuster, lief heb en bid en hoop dat het vermaan leidt tot berouw en bekering en wegdoen van het kwaad. Dan leg ik het ook met een gerust hart voor God neer en bid en hoop, dat God mijn gaan en spreken zegent tot dat doel. Want God moet alle eer ontvangen.

Tegelijk kan ik het niet verantwoorden, dat ik zwijg, terwijl ik het beter weet. En wat mensen er dan van maken, wat mensen dan beweren, wat mensen dan fantaseren om in een kwaad daglicht te stellen, het is bijzaak. Ook daarbij moeten we scherp voor ogen houden: behandelen de mensen mij anders dan de Heere Jezus Christus, dan Zijn profeten, Zijn priesters, Zijn apostelen? Kijk, op ieder mens is veel aan te merken, de mens met al zijn zwakheden, gebreken, eenzijdigheden, tekortkomingen, de mens die geen kracht of wijsheid bezit om zelf één ogenblik staande te kunnen blijven. Dat moet de gelovige steeds weer duidelijk doen beseffen: alleen uit kracht van God en wijsheid van Hem ben ik hiertoe (gebrekkig) in staat, vervuld van liefde tot Hem en tot mijn naaste.

Tegelijk ook vast gelovend en vertrouwend, dat God mijn weg leidt en zal leiden, zolang Hij, en waar Hij, en wanneer Hij het nodig oordeelt. Ik ben slechts middel, dat ik getrouw bevonden word. En wordt mijn liefde, geestelijke liefde, dan niet aangemerkt als liefde, liefde die natuurlijke en vleselijke liefde te boven gaat, dat is voor die ander. De geestelijke mens verstaat dat echter heel goed.

     Maar laten we er een beeld bij gebruiken: iemand nodigt u en heel veel anderen uit tot een grote maaltijd, een geweldig feest. Met vreugde gaat u naar de plaats van het feest op de aangegeven tijd. De persoon die u uitnodigde staat vóór de deur die toegang tot de feestzaal verschaft. Als het tijdstip is aangebroken spreekt hij: ‘Geachte genodigden, hartelijk welkom op het feestmaal wat ik voor u heb aangericht. Wellicht spreken velen van u mij vanavond nog wel. Ik wens u bij voorbaat een heel fijne avond toe en een smakelijke maaltijd. Er is meer dan genoeg, u mag uzelf bedienen. Nog een kleine opmerking, luistert u goed: ALLES is vergiftigd, het minst giftige doodt u binnen 24 uur, het meest giftige binnen een half uur. Welkom.’

Daarna opent hij de deur en laat de gasten vriendelijk de feestzaal binnengaan. Acht u de kans groot, dat de zaal enthousiast volloopt? Acht u de kans niet veel groter, dat grote woede en verontwaardiging zich van de feestgangers meester maakt? En het is heel duidelijk dat veel gasten het de gastheer in zeer duidelijke bewoordingen te kennen geven hoe ze over hem denken. Wat een misselijke streek!! Hoe durft hij!!

     God waarschuwt mensen voor de zonde, geestelijk gif, dodelijk geestelijk gif. God stuurt Zijn kinderen om medemensen ernstig te waarschuwen voor de zonde, geestelijk gif, dodelijk geestelijk gif. Zijn mensen er heel blij om dat ze van te voren ernstig gewaarschuwd worden voor zoveel dodelijk geestelijk gif?

Zeker, ze moeten zich dan volledig afhankelijk opstellen en weten van God, van Zijn Woord, erkennend en belijdend, dat ze dat totaal onverdiend ontvangen, ja, dat ze dat door hun zonden totaal verbeurd hebben, erkennend en belijdend, dat alleen het offer van Christus aan het kruis hen kan vrijkopen van en uit dat dodelijk geestelijk gif, de zonde, van de duivel, die hen daartoe verleidde. Erkennend, dat ze zelf in Adam en Eva moedwillig gekozen hebben voor dat dodelijk geestelijk gif, de eigen beoordeling náást en bóven het betrouwbare Woord van God, in navolging van de duivel.

De geschiedenis leert van dag tot dag, van jaar tot jaar, van eeuw tot eeuw, dat de mens God NIET gelooft, Zijn kinderen NIET gelooft, maar standvastig de zonde omhelst en in slurpt, alsof het het meest gezonde geestelijke voedsel was. Denk nu niet, dat ik enig mens belachelijk wil maken, nee, het kan niet voldoende benadrukt worden hoe dóór en dóór geestelijk verdorven de mens IS door de zonde. Maar, daar de mens dat niet ziet, niet wil zien, ja, het steeds weer ontkent en verdoezelt en het met veel overtuiging ook de medemens voorhoudt en leert; daar we zien, dat de mens zichzelf en anderen steeds weer voorhoudt, dat Gods toorn en vloek best meevallen (immers: God is LIEFDE!), daarom moet dat steeds weer zeer benadrukt en beklemtoond worden.

Zeker, God is LIEFDE, daarnaast is God RECHTVAARDIG en HAAT Hij ALLE zonde. Zijn hele Woord getuigt ervan, opdat niemand kan zeggen: ik wist het niet, ik kon het niet weten.

Ik erken direct: het genoemde voorbeeld is heel gebrekkig en het schiet in veel tekort. Ik weet en besef ook: ik kan met mijn woorden geen mens bereiken, laat staan overtuigen en bekeren. Toch blijft de plicht: getuig en spreek en zwijg niet, ze móeten het horen. Hoe lang? Zo lang God tijd en gelegenheid geeft.

     Maar, als we gesproken hebben, als we gewaarschuwd hebben, als we ernstig gewaarschuwd hebben, moeten we het dan maar niet laten rusten? Er komt wellicht weer bekering, op Gods tijd. Is zulk spreken naar de Schrift? Is die gedachte naar de Schrift? Is die gedachte vervuld van liefde? We lezen in de Bijbel over profeten, die kort, langer, heel lang profeteerden, steeds weer, steeds opnieuw, tegen dezelfde mensen. We zien, dat de Heere doorgaat met waarschuwen, oproepen tot bekering, zolang HIJ bepaalt. Inderdaad, zolang HIJ bepaalt, niet een mens.

We lezen in het boek Richteren een refrein: ‘Maar de Israëlieten deden opnieuw wat kwaad is in de ogen van de Heere.’ We moeten beseffen, dat er ook toen mensen waren, die niet meegingen met veel volksgenoten. Wat deden zij? Zwegen ze, liepen ze even later er maar achteraan? O, dat suggestieve: iedereen doet het, iedereen vindt het goed, iedereen wil het, of, de meerderheid vindt het goed, of, je kunt tegen de meerderheid, de leiders, toch niet op, of, de suggestieve redenering: maar, als …. En zo blijkt de hele geschiedenis door: de ‘argumentatie’ verandert niet, de suggestieve redenering ‘overtuigt’, de meerderheid bepaalt, de leiding regeert, en dus …

Maar de liefde dan? De liefde tot God, tot Zijn Woord? Ziet u, dat de liefde onlosmakelijk vastzit aan geloof? (zie 1e artikel) Gelooft u, dat God bij machte is ver boven alle menselijke redenering en argumentering te redden, te verlossen, op Zijn tijd en wijze? Hebt u kinderen ontvangen? Hebt u ze lief? Geestelijk méér dan natuurlijk? Leert de geschiedenis niet overduidelijk, dat, als er gezwegen, gerust wordt bij (beginnende) afval van God, van Zijn Woord, dat de kinderen al gauw veel sneller meegaan dan de ouders?

Hebt u uw kinderen geestelijk lief? Blijft u dan niet tot het laatste toe strijden tegen alle afval, ook als anderen de strijd opgeven, ook als heel veel anderen de strijd opgeven, ook als u voor gek versleten wordt als u toch nog doorgaat? O, die lauwheid, die slapheid, die laksheid, die gearriveerdheid, die ons zo maar in de greep kan krijgen, hebben, o, dat òngeloof. Hebben we een ‘rustige’ tijd gekregen van de Heere? Hebben we die tijd uitgebuit om ons geestelijk zo goed mogelijk te bewapenen, defensief, offensief, of hebben we met bepaalde gedachten ànderen zien worstelen?

Onderkennen we de arglistigheid van ons eigen hart? Nee, dit zeg ik niet achteraf, vanaf de zijlijn, om ‘mijn gelijk’ te halen. Wel ben ik zeer onthutst en verbijsterd, dat sluipende processen zó kunnen verwoesten, zó snel, zó indringend, zó massaal. En des te meer meen ik te moeten waarschuwen, steeds weer. Hoe gemakkelijk veranderen we mee, hoe lichtvaardig vergeten we, onze zorgeloosheid en lichtvaardigheid stellen zo gemakkelijk vertrouwen in mensen, keer op keer.

We moeten onderscheiden!

14 januari 2012

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *