25 Liefde V

De liefde moet regeren.

Inderdaad, bij hem die aanspreekt, bij hem die aangesproken wordt. Er is nog een derde groep: de niet direct betrokkenen, maar die wel direct betrokken kunnen worden. Op het moment, dat degene die aangesproken wordt, weigert aangesproken te worden of meent door middel van allerlei uitvluchten het aangesproken worden te kunnen ontlopen, kan hij, die aan wil spreken, anderen er bij betrekken. Dat kunnen in eerste instantie andere gemeenteleden zijn, het kan ook de kerkenraad zijn.

Daarmee wordt de PLICHT, om iemand aan te spreken op gepleegde zonde, uitgebreid. Daarmee worden ook anderen mee verantwoordelijk in de plicht. Nu kan het gebeuren, dat anderen weigeren iemand aan te spreken. Dan moeten betrokkenen ook aangesproken worden, dat zij hun PLICHT verzaken. Het kan ook gebeuren, dat de aangesprokene de kerkenraad zèlf betreft. En vervolgens, dat de kerkenraad weigert zich er op aan te laten spreken, of ook zèlf allerlei uitvluchten aanvoert om maar niet aangesproken te worden.

Houdt de persoon aan – het is PLICHT, niet liefhebberij! – ja, dan wordt het een moeilijk iets: de persoon kan niet dwingen, het is immers een geestelijk iets. Trekken de leden van de kerkenraad één lijn en blijven ze bij hun weigering – daarmee de PLICHT van het gemeentelid opbrekend! – dan onttrekt de kerkenraad zich aan háár PLICHT! te luisteren.

Luistert ze toch – met tegenzin – dan kan het gebeuren, dat ze het daarop verplichte onderzoek, hoor en wederhoor, afwegen, overwegen, beoordelen, tot conclusies komen en mogelijk tot bepaalde besluiten komen met daarop volgend te nemen maatregelen tegen betrokkenen, frustreert. Zó, dat er van nauwkeurig en degelijk en verantwoord onderzoek weinig tot niets terecht komt. Het einde zou daardoor zijn, dat degene die aanspreekt afgescheept wordt met allerlei drogredenen of uitvluchten, de zaak niet uitgezocht is en wordt, de aangesprokene niet vermaand wordt, en zó de zonde ongemoeid wordt gelaten en daarmee de hele gemeente besmet. En de Bijbel toont van bladzij tot bladzij, dat zonde die niet gestopt wordt erger is dan de meest agressieve woekerplant, zeer besmettelijk, en binnen de kortste keren niet meer te houden.

Nu moet steeds voorop blijven staan, dat, iemand terecht ergens op aanspreken, niet een hobby is of een liefhebberij of een blinde jacht tot profilering van zichzelf, nog minder om die ander een hak te zetten, maar uit liefde, ook uit vrees, dienstbetoon. Eerst tot de Heere, tot Zijn Woord, waar we zien, dat zonde altijd eerst is tégen de Heere, tégen Zijn Woord, altijd bestaande in het handhaven van de eigen beoordeling tegenover het geopenbaarde Woord van de Heere. Van daaruit ook liefde tot die naaste, dat hij – indien hij niét gewaarschuwd wordt – mogelijk nog verder verstrikt raakt in die zonde en er uiteindelijk in omkomt. En liefde kan dat niet verdragen. Wordt er gezien, dat iemand zondigt, en we waarschuwen niet, dan is het tijd onszelf onder de loep te leggen en ons af te vragen: heb ik die persoon echt lief, als broeder, als zuster?

Of is mijn ‘liefde’, als het er op aan komt weinig meer dan lippendienst. Maar dan is het ook moeilijk vol te houden, dat de liefde tot God en Zijn Woord echt meer, echt dieper is dan lippendienst. O zeker, dan kan ik me enorm druk maken over allerlei zaken, dan kan ik avond aan avond vergaderen, organiseren, leiden, huisbezoeken brengen, ja wat niet, alles in dienst van, maar als mijn liefde niet verder komt dan het uiterlijke, dan is mijn liefde leeg en kaal en oppervlakkig, veel vleselijk, weinig geestelijk. Komt er dan tegenslag, druk, verdrukking, vervolging, nog erger, dan kan het maar zo zijn, dat de liefde snel opdroogt en verloopt.

Nee, liefde tot God, liefde tot de naaste telt zichzelf niet, gaat niet af op de signalen van de mensen, maar buigt zich eerst en voor alles onder het Hoofd, Christus, vervolgens onder het gezag van Zijn Woord. Dan, daarna, zijn er de signalen van om ons heen. Maar die signalen moeten altijd op die plaats blijven, in die orde, in die volgorde. Verdringen ze het Hoofd, Zijn Woord, ja, dan is het een kwestie van tijd en de signalen staan voorop en vervolgens hebben willekeur en eigenwilligheid vrij spel en leveren we ons gewillig over aan allerlei wind van leer en trachten we vastheid te vinden in puur drijfzand.

We moeten ophouden ons zelf steeds weer voor de gek te houden, daarbij anderen. En nog minder zeeën van tijd steken in het bedenken en verzinnen van allerlei uitvluchten, verontschuldigingen en smoesjes, waarvan we – als we eerlijk zijn voor God – moeten erkennen, dat we niet anders doen, dan ons zelf proberen schoon te praten. Tegenover elkaar, daarmee en daardoor ook die anderen aanstekend en besmettend en dat helemaal, als het blijkt, dat het werkt en dat ze geaccepteerd worden.

Tegelijk moeten we steeds weer scherp beseffen, dat we vanuit ons zelf niets beter zijn dan die ander. Temeer, als God ons bewaarde voor bepaalde zonden, dan moet God de eer ontvangen, dat Hij ons bewaarde, beseffend, dat we niets verdiend hebben en niets vóór hebben boven anderen.

     Met de zondeval zijn we door de duivel verleid en heeft de mens in navolging van de duivel EIGEN beoordeling gezet náást het Woord, het gebod van God, als gelijkwaardig.
Toen God ons daarna op onze zonde – eigen beoordeling met gevolgen! – aansprak, WEIGERDEN we elke aansprakelijkheid en ERGERDEN we er ons gruwelijk aan, dat God ons aan onze zonde HERINNERDE.

God toonde daarin Zijn grote liefde tot zondaren, mensen, verloren in vloek en schuld.
Verloren mensen kùnnen en wìllen die liefde niet zien, niet erkennen àls liefde. Nee, ze zijn door de zonde zó verdorven, zó verhard, zó onvermurwbaar, zó blind, dat ze die liefde háten. Want die liefde herinnert hen aan hun eigen beoordeling en daarin aan hun liggen in de dood. En ze kunnen en willen er niet van weten, dat God hen zó liefheeft, dat Hij hen dóór die herinnering wakker wil schudden en brengen tot berouw en bekering en zó ùit de dood wil plaatsen in het léven.

Johannes 15:18: ‘Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.’
Johannes 15:25: ‘Maar [dit geschiedt], opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.’
Johannes 17:14: ‘Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.’

De Heere Jezus heeft het openlijk verkondigd: de wereld, de mensheid, heeft Mij, Mijn liefde, gehaat. Met onlosmakelijk daaraan vast: de wereld, de mensheid, zal u haten, indien u – wedergeboren – Mij volgt, Mij lief hebt en met dezelfde liefde uw naaste lief hebt en indien u Mijn Woord bewaart. Verstaan ze Mijn liefde niet, ze zullen ook uw liefde niet verstaan. Heb Ik hen herinnerd aan hun zonden (Lukas 4: Nazareth) en daarom verworpen, ze zullen ook u verwerpen indien u hen herinnert aan hun zonden.

De liefde van God, de werking van de Heilige Geest door het Woord, het bloed van de Zoon, ze moeten en kunnen de mens bevrijden van de dodelijke banden van de eigen beoordeling, waarvan dezelfde mens overtuigd is, dat die banden de vrijheid en het leven zijn.

Het kan niet nadrukkelijk genoeg gezegd worden: God liefhebben IS Zijn Woord liefhebben en bewaren! Laat de mens het toe die twee van elkaar los te maken, dan is het ene een leugen, het andere bedrog. In ALLES steeds weer trachten te zien, trachten te onderscheiden: bewaren van het Woord IS liefhebben van God, Christus; afdoen van-, toedoen aan het Woord is háten van God, Christus. Eigen beoordeling moet steeds weer, steeds meer afsterven, buigen onder het gezag van God, Christus, Zijn Woord, moet steeds weer, steeds meer léven.

     De gedachte kan maar zo opkomen: we willen hier en nu een volmaakte kerk, wereld. Ja. Overzien we – voor zover mogelijk – de geschiedenis vanaf de zondeval tot nu toe, dan is het refrein er steeds weer: reformatie door veel strijd; deformatie door verslapping, gearriveerdheid, zorgeloosheid. Daarbij steeds weer: de mens is veel toegeeflijker richting het kwade, dan richting het goede. Nu kunnen we rustig achterover leunen en zeggen: dan gaan we nu weer richting dal, er komt vanzelf weer reformatie.

En tegen dié verleiding moeten we zeer alert zijn. Want daarmee zeggen we feitelijk: ik heb géén eigen verantwoordelijkheid en ik wil die niét dragen ook; ik loop maar rustig achter de ‘anderen’ aan. Hoe aanlokkelijk!! Ook, hoe dodelijk!! We zeiden het al eerder: daarmee verklaren we feitelijk, dat ook Christus, Zijn Woord, beter de strijd kunnen opgeven, want, het helpt toch niet. Nee, nee, nee!

OMDAT Christus overwonnen hééft, OMDAT het Woord overwinnen zàl, daarom weigert het kind van God te deserteren, ook als iedereen om ons heen dat doet, ook als iedereen ons daarom verwenst of nog erger. Want, in Christus hèbben we overwonnen en met het Woord gaan we van overwinning tot overwinning. Geloven we dat of geloven we dat niet? Hebben we God lief, Zijn Woord lief? Hebben we – als we die kregen – onze kinderen lief? Niet alleen natuurlijk lief, maar ook, ja, juist, geestelijk lief? Zien we, dat die gééstelijke liefde niét gezien, niét onderkend wordt en daarom helemaal niet op prijs gesteld wordt, ja, gehaat wordt, omdat het HERINNERT aan onze zonde, des te meer moeten we liefhebben en onszelf verloochenen en àlles in Christus hebben. Dan zullen we er ook alles aan doen om onze kinderen gééstelijk lief te hebben, ook onze familie, ook al onze naasten, of die liefde gewaardeerd of afgewezen wordt.

Volmaakte kerk, wereld? Ja. Daar moeten we voor strijden, naar jagen, omdat God, Christus die strijd al 6000 jaar voert en overwonnen heeft! Zeker, dan is er onnoemelijk veel verdeeldheid, verscheurdheid, gebrokenheid, wanorde, disharmonie. Daarin zien we de noodzakelijke gevòlgen van ONZE zonde en Gods rechtvaardig oordeel daarover. Omdat we daarin de gevolgen van ONZE zonde zien, zullen we met des te meer volharding de strijd voeren tégen de zonde, tégen de gevolgen van de zonde, uit DANKBAARHEID!, dat God de wereld zó liefhad, dat Hij Zijn Zoon zond. Christus kwam, gewillig, droeg ONZE rechtvaardige straf en vloek en verloste door Zijn offer de Zijnen ervan. En zullen Zijn kinderen dan niet-liefhebben, niet-strijden, niet-dankbaar-zijn??

30 december 2011

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *