15 Geestelijke regering IV

We besloten het vorige artikel met: ‘Maar het is onmogelijk, dat het ALMACHTIGE Woord van de levende God in enig moment tekort zou schieten en hulp van middelen en manieren en methodes uit de wereld, dat is van de DUIVEL nodig zou hebben!’ Het is de minachting van het Woord, tegelijk minachting van de God van het Woord.

     We gaan terug naar het paradijs. De duivel komt in de slang tot de mens zònder bevoegdheid. Hij zegt: ‘Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van alle boom dezes hofs? …… Gijlieden zult de dood niet sterven; Maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.’

Hij opent als de onschuld zelf: is het ook … Dan wekt hij de eetlust op, de begeerte. Ook de twijfel: Citeer ik goed, ‘gijlieden zult niet eten van alle boom dezes hofs?’ Het is maar een vraagje. Dan de ontkenning: ‘Gijlieden zult de dood niet sterven.’

Hoe weet de duivel dat? Dat blijkt uit het volgende: ‘Maar God weet.’ Hierin zien we de mateloze arrogantie en brutaliteit van de duivel: hij doet alsof hij aan God gelijk is, meekijkt met God, en zelf ook beoordeelt, màg beoordelen. Ofwel, de duivel heeft God gecontroleerd en trekt de conclusie: God zègt, maar ik weet méér; wat God (nog) verborgen hield, dat kan ik jullie zo vertellen.

Hij zaait hier wantrouwen, hij maakt God verdacht als Iemand Die ten onrechte wat achterhoudt. Maar ik ben aan God gelijk, ik weet net zo veel! Vertrouw mij maar! ‘dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen,’ O, wat verleidelijk, wat verzoekend: de nieuwsgierigheid opwekken. Mens, denk niet na of ik wel waarheid sprak, nee, geef toe aan de nieuwsgierigheid, aan de begeerte, want dan zul je als God wezen: naast eten bied ik nu màcht aan, als God, gelijk aan God. Tegelijk het slijmende: mens, je bent daartoe in staat, ja, je bent zo groot en knap, dat kun jij wel!

Dan het laatste: ‘kennende het goed en het kwaad.’ Hierin klinkt het uitdagende: mens, je zult aan God gelijk zijn in ‘kennen’! Besef goed: mens, je bent niet meer gebonden aan en onder het woord van God, maar als gelijkzijnde zul je zèlf kennen en kunnen beoordelen náást God, eventueel tegenover God. Dan vindt er het volgende plaats bij de mens: Gehoord hebbend het pleidooi, de redenering van de duivel, vertrouwend, dat hij de wáárheid spreekt, kom ik nu tot een andere beoordeling en acht het geoorloofd wel van die boom te eten. Nee nee!, ik ga er niet over discussiëren, ik maak er helemaal geen ruzie over, maar ik beoordeel nú ànders!

En de mens at en liet zich verleiden en zondigde. En de acceptatie van de duivel als rechtmatige gesprekspartner náást God, daarna geloof hechten aan zijn woorden leidt onvoorwaardelijk tot wantrouwen tégen God, wantrouwen tégen het Woord van God, achterdocht. En hetzelfde zien we vandaag: ZO spreekt/gebiedt de Heere; daarnaast wordt gezegd: mensen beoordelen ànders. MAAR DIE BEOORDELING MOET JE ALS RECHTMATIG DE JUISTE ACHTEN, IN ELK GEVAL RECHTMATIG PLAATS GEVEN!

En zó zijn we terug bij de zondeval en regeert de beoordeling van de duivel en de beoordeling van de mens die pleit voor het recht en inhoud van die beoordeling. En God, Bron en Oorsprong van alle vrede, wordt de oorlog verklaard, want Zijn Woord is onbetrouwbaar (hebben we ZELF beoordeeld!) en verdacht. Dan neemt God de vrede weg en ineens wordt de mensheid omringd door dichte drommen dood, leugen, haat, wraak, bedrog, verleiding, verzoeking, begeerte enz. en achter elk lichten de woorden ‘wantrouwen’ ‘achterdocht’.

De weg terug is buiten Christus om onmogelijk, want ons GELIJK in onze beoordeling heeft ons volledig doordrenkt en in bezit genomen. In Hem moeten we wantrouwen en achterdocht afzweren, Hem (weer) vertrouwen op Zijn Woord, Zijn betrouwbaar Woord, en de duivel en zijn leugen de oorlog verklaren, bestrijden en de waarheid, recht en gerechtigheid liefhebben en doen. Daarom ook onszelf verloochenen en haten en alle boze werken doden. Er is géén compromis mogelijk.

     God ZET vijandschap! Dodelijke vijandschap! Het is een strijd op leven en dood. En ineens staat de zondeval levensgroot voor mij, mens: heb ik God lief? Heb ik Zijn Woord lief? Is dat altijd en overal betrouwbaar? Ja, staat dàt altijd op de eerste plaats? Of blijf ik mijzelf het rècht toekennen toch anders te beoordelen en niet alleen mijzelf maar ook anderen? Of verneder ik mijzelf tot slaaf en laat de beoordeling maar, graag, aan anderen over? Hoe aanlokkelijk!! Maar weet nú dat God ú persoonlijk ter verantwoording roept, niemand uitgezonderd!

We zien in de verzoeking van de Heere Jezus herhaling: ‘Indien Gij Gods Zoon zijt,zeg dat deze stenen broden worden.’ Opnieuw – maar nu in zware honger – het uitdagende, ook het verzoekende: U bent toch Gods Zoon! Ofwel: Gebied! En nu moet Jezus niet bezwijken voor de verzoeker, maar getrouw blijven bij het Woord. Nee, geen wapens, geen methoden, geen andere middelen, manieren. Alleen het Woord: ‘Daar is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat.’ De duivel is verslagen, het Woord heeft getriomfeerd.

Maar de duivel voert Jezus mee naar een hoge berg en toont Hem alle koninkrijken der aarde en hun heerlijkheid en zegt: ‘Ik zal u al deze macht en de heerlijkheid dezer [koninkrijken] geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik ook wil; Indien gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles uwe zijn.’ De duivel is niets veranderd: de arrogantie en brutaliteit druipen er af. Tegelijk liegen, bedriegen, want hij doet alsof hij de rechtmatige bezitter is en er eigenmachtig over kan beschikken. En zo gedraagt hij zich opnieuw als aan God gelijk. En Jezus, kijk eens, hoe machtig, hoe schitterend: verblindend!!, laat U verleiden!! Kies voor déze weg, deze is véél korter en véél gemakkelijker, zet het woord even aan de kant en denk Zelf na: weg Gethsemane, weg Golgota en de uitkomst is hetzelfde, want dan verklaar ik U tot de rechtmatige Eigenaar van de aarde. De Heere Jezus antwoordt: ‘Gij zult de Heere uw God aanbidden, en Hem alleen dienen.’ Alle verleiding en verzoeking wijst Hij radicaal af. De duivel is verslagen, het Woord heeft getriomfeerd.

Dan voert de duivel de Heere Jezus mee naar de tempel en stelt Hem op de tinne van de tempel en zegt: ‘Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp uzelf van hier nederwaarts; Want daar is geschreven dat Hij Zijn engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen, en dat zij u op de handen nemen zullen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.’ De duivel toont zijn doortrapte geslepenheid. Hij kent het woord ook! En waarom dáár? Zijn er op die hoge berg géén steilten? Zeker wel, maar de tempel is het Huis van de Vader! Dáár voelt een kind van God zich Thuis, hoeveel te meer Gods eigen Zoon. Dat moet Hem bedwelmen, dat moet Hem alle scherpte benemen. En dan, dan gaat de duivel Hem het woord voorhouden, lees maar, Psalm 91. Nu móet de Heere Jezus wel door de knieën: wie is bestand tegen zoveel raffinement?? Dan antwoordt de Heere Jezus: ‘Daar is wederom geschreven: Gij zult de Heere uw God niet verzoeken.’ Bestrijd Jezus Zelf nu het Woord? Nee, Hij plaatst de tekst in het verband van waarin het behoort. Daaruit moeten we steeds weer leren, Schrift met Schrift te vergelijken om al studerend, geleid door de Heilige Geest, wijsheid te ontvangen en wijs te worden. Daarnaast houdt Jezus scherp voor ogen: Ik ben hier als Knecht des Heeren, niet als Bevelhebber. Het is Mij hier en nu niet vergunt te gebieden, tegenover stenen, tegenover engelen. Hij moet in alles getrouw zijn. De duivel is verslagen, het Woord heeft getriomfeerd.

     Heeft de Heere Jezus nog steeds te weinig doen zien, dat het Woord géén duivelse hulp nodig heeft, ja niet verdraagt? Hoe komen mensen, dienstknechten, ja, mensen die zich dienstknecht van zo’n grote Koning en Meester en Heiland noemen, er toe het Woord als ‘onvoldoende’ aan de kant te schuiven en in de plaats van dat enige wapen of ernaast middelen en methodes en manieren te gebruiken zoals we in het vorige artikel zagen dat de kerkleiders op Goede Vrijdag gebruikten?

Want het Woord is wel gezaghebbend, omdat de almachtige God spreekt. Deut. 29:29: ‘De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.’ In deze tekst zien we precies onze plaats, onze positie ten opzichte van de Heere. Niet wijzer willen zijn dan God. Onderkoning. Vol vertrouwen op God er vast van overtuigd zijn, dat, wat Hij ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, voor ons voldoende is. En inderdaad, het Woord moet schitteren, zonder dat het door menselijke bedenksels of verzinsels wordt verduisterd, van kracht en scherpte beroofd, opdat de God van het Woord alle eer en lof ontvangt.

     We zagen, dat de Heere Jezus als Knecht des Heeren Zijn ambtstaak te volbrengen had. Welnu, zo hebben mensen hier en nu, vanaf de zondeval tot aan de jongste dag, ieder zijn taak. Zien gelovigen in de Schrift de belofte daarna als koningen te regeren, het moet hen er niet toe brengen op die tijd vooruit te grijpen, door zich hier en nu macht of invloed aan te meten. Dat koningschap is koningschap onder Koning Jezus Christus. Hier en nu zijn we niet meer dan dienstknecht. En Christus kan onze weg zó leiden, dat we als dienstknecht deel krijgen aan vervolging en verguizing zoals Hij onderging.

De Heere Jezus heeft ook ernstig gewaarschuwd tegen de zonde, dat een dienstknecht misbruik maakt van zijn plaats en positie en ambt: Matt. 24:48-51: ‘Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen, en zou beginnen [zijn] mededienstknechten te slaan en te eten en te drinken met de dronkaards, zo zal de heer dezes dienstknechts komen ten dage, op welke hij [hem] niet verwacht, en ter ure die hij niet weet, en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.’

En dit moeten zich allen aantrekken, die een plaats ontvangen hebben in de kerk, in welke positie ook. Nooit misbruik maken van de plaats en positie die de Heere ons heeft toe beschikt, noch individueel, noch collectief. En als we zien, dat het gebeurt, en het gebeurt!, dan ernstig bezwaar daartegen inbrengen. Nergens geeft de Schrift ruimte tot misbruik. Ze willen niet luisteren? Daar kunnen we toch niet tegen op? Dat geeft heibel, onrust, ruzie, verwijdering? Dat kan, dat gebeurt. Alleen, als we zwijgen, als we stoppen met protesteren, als we ons bij de bestaande situatie neerleggen, we hebben geen excuus. We geven daarmee alleen te kennen, dat we ook zelf het Woord niet vertrouwen, de God van het Woord niet betrouwbaar achten, Zijn hand te kort achten om te verlossen. We moeten doorvechten zolang de Heere ons leven en gelegenheid geeft. En dan leggen we de strijd steeds weer voor de Heere neer, immers, Hij weet en ziet alle dingen, Hij doorgrondt alle harten en Hij kan harten neigen als waterbeken, op Zijn tijd, op Zijn wijze.

In dat vaste geloof en vertrouwen op Zijn betrouwbaar Woord geeft Hij de kracht, de moed, het geloof, de wijsheid en de liefde tot Hem en Zijn Woord en de naaste om staande te blijven totdat Hij komt. Dàn begint voor de gelovigen de eeuwige rust.

     We lezen in Lukas 17:7-10: ‘En wie van u heeft een dienstknecht ploegende of [de beesten] hoedende, die tot hem, als hij van de akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan? Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid wat ik te avond zal eten, en omgord u en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink gij daarna? Dankt hij ook die dienstknecht, omdat hij gedaan heeft hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen. Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben [maar] gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen.’ Dit woord van uw Heiland, uw Zender, moet ieder kind van Hem heel klein maken, tot diep nadenken brengen: ben ik, gedraag ik mij – nee, niet voor het oog van de mensen – voor de ogen van mijn Heiland, mijn Zender, ZO? Is de gezindheid van mijn hart ZO?

Ook tegenover ieder schaap van de kudde, dat Hij mij toevertrouwde? Nog iets verder: we kunnen heel veel voor mensen verborgen houden, maar hoe is Zijn oordeel, straks? Daarover hopen we in het volgende artikel wat meer te zeggen.

Of hebben we de strijd al opgegeven voordat die begonnen is, of hangen we de vlag van overgave al uit bij de eerste schermutseling?? Moet dàt geloof de wereld overwinnen?

13 december 2011

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *