Johannes 8

Joh 8,12 Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

 

Met het woord ‘wereld’ wordt hier opnieuw de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. Groot is Gods barmhartigheid tegenover een ondankbare en vijandige mensheid, dat Hij de mens niet éénmaal de waarheid zegt en dan stopt, maar dat Hij keer op keer in steeds andere beelden bewijst, dat waar is wat Hij zegt. Hoe is Israël daarin tot voorbeeld en tot waarschuwing! Daarmee ontneemt Hij aan de mens iedere verontschuldiging van onwetendheid.

De Heere Jezus zegt hier, dat de mensen Hem moeten volgen. Maar met het volgen van Hem erkennen ze openlijk, dàt ze Hem in de zondedaad en zondeval zwaar beledigd en geminacht hebben, dàt ze Hem vanuit zichzelf haten, dàt ze midden in de dood liggen en dàt hun werken boos en doemwaardig zijn. Hiermee en hierdoor verloochenen ze zichzelf en belijden openlijk, dat ze van zichzelf niets kunnen en willen en dat ze helemaal van de roepende en trekkende en verlossende kracht van God afhankelijk zijn.

Het is de openlijke erkenning, dat, als de Heilige Geest niet het hart vernieuwt, als de Heilige Geest geen woning in onze harten maakt, onze harten niet heiligt, ons hart bewoond en vervuld blijft van de boze, van eigenwilligheid en hoogmoed. Erkennen, dat Christus inderdaad het licht der wereld is betekent tegelijk dat we erkennen, dat we nú in de duisternis leven, ja, dat we in Adam en Eva heel bewust hebben gekozen en besloten voor de duisternis en voor de werken der duisternis.

Dan wordt het heel licht, want de Heere Jezus betuigt  hier openlijk, dat we, als we Hem volgen, nooit meer in de duisternis zullen wandelen, maar dat we overgegaan zijn als kinderen der duisternis tot kinderen des lichts. Vgl. hierboven Joh. 6:51. Wat een ontferming!

 

Joh 8,23 En Hij zei tot hen: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld.

 

Opnieuw wordt met ‘wereld’ twee keer de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. De mensenwereld, verkocht onder de zonde, de dood, de leugen. Christus verklaart hier openlijk, dat Hij van God gezonden is, van God is uitgegaan, gekomen tot deze aarde en mensheid, die in vloek en schuld liggen, verkocht onder de zonde. Daarom verklaart Hij aan de mensen, dat zij van deze wereld zijn, levend vanuit en in de zonde, ofwel, dat de mensen zó door en door doordrenkt zijn met de zonde, dat er in hen geen goed woont.

Dat herhaalt Hij daarna in andere bewoordingen, om het verschil, het onderscheid daarmee te benadrukken. En omdat Hij niet van deze wereld is, geen deel heeft aan de boze werken der wereld, verklaart Hij hiermee tegelijk, dat Hij vrij van zonde is, zelfs niet besmet. God uit God. Nooit kan de mens hier bevatten hoe groot de tegenstelling en afstand is tussen hemel en aarde, tussen heilig en onheilig, tussen volmaakt goed en verrot slecht. Het onderstreept Gods liefde, goedheid, barmhartigheid, geduld, ontferming.

Het doet ons met beschaamd gezicht erkennen, dat we onze diepe verdorvenheid niet in al haar uitwassen kennen en doorgronden. En doen we dàt niet, dan kunnen we ook de diepte en hoogte van Gods liefde en ontferming en verlossing niet peilen. Met des te meer schaamte moeten we erkennen, dat onze dankbaarheid voor die verlossing hopeloos te kort schiet, dat ons vertrouwen op God beschamend klein is.

                                                                             

 

Joh 8,26 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek Ik tot de wereld.

 

Met ‘wereld’ wordt hier de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. De Heere Jezus betuigt, dat Hij de mensheid zal leren, wat Hij van de Vader heeft gehoord. De Vader heeft Hem gezonden en de taak, in leren, in lijden, die Hij hier te volbrengen had, heeft Hij vrijwillig aanvaard en volkomen en volmaakt volbracht. Daarom staat er vaak geschreven: ‘opdat vervuld zou worden’.

Hij getuigt hier voor de mensen, dat God waar is, waarachtig, volmaakt betrouwbaar, dat Hij Zijn Woord ook zó aanvaardt en aanneemt en leert en vervult. Opdat geen mens het Woord van God zal beoordelen als mening, mening naast, maar als het gezaghebbend Woord van de levende God. Hij is tot een oordeel in deze wereld gekomen voor hen die verloren gaan. Over hen heeft Hij veel te zeggen en te oordelen en dat oordeel is getrouw en waarachtig omdat Hij van de Vader gezonden is Die Zelf waar is.

Het onderstreept de waarheid van het evangelie, de onuitsprekelijke liefde van God tot Zijn schepsel, de mens, verloren in zonde en vloek! Die liefde, goedheid en barmhartigheid blijken daarin, dat Christus tot de wereld spreekt wat Hij van de Vader gehoord heeft. Het kan lijken, dat dat weinig zegt. Maar laten we in gedachten houden, dat God vanaf de zondeval tot de mens gesproken heeft, rechtstreeks, in dromen, gezichten, tekenen en wonderen, door profeten, eeuwen lang.

Na zoveel eeuwen, na zoveel waarschuwingen, na zoveel straffen en oordelen (toen: de ballingschap met alle gevolgen, bezetting Romeinen) gelóóft de mens toch wel?? Nee, de mens verhardt zich in zijn verharding en hoogmoed. Nu spreekt de Zoon Zelf! Hem zullen ze ontzien. Nee, ze werpen Hem uit en hangen Hem aan het vloekhout. Nu zullen de geslachten, die daarna komen zich zéker laten gezeggen. Nee, ze keren zich massaal van Hem af in eigenwilligheid en verstoktheid van hart.

Des te groter maakt de mens zijn schuld en doet hij de toorn van God over zóveel onbekeerlijkheid toenemen. We kunnen vandaag gewoon om ons heen kijken: hoeveel mensen bekeren zich met haast, laten zich door zoveel eeuwen aan voorbeelden en waarschuwingen gezeggen? Niemand.

Het onderstreept, benadrukt, beklemtoont, onze diepe verdorvenheid, onze afkeer van God, onze haat tegen God, tegelijk … onze ontkenning van al dat kwaad. En zó roepen we van dag tot dag Gods toorn en wraak en onheil over ons en onze kinderen uit. De Schrift waarschuwt ons daarvoor, roept ons op tot bekering, wijzend op de grote Verlosser, Jezus Christus, Die ons kan redden van de komende toorn. Nee, we willen niet luisteren.

5 juni 2012

Dit bericht is geplaatst in 77x 'wereld' in het evangelie naar Johannes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *