Johannes 16

Joh 16,8 En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: vers 9 en 10: Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien;  

Joh 16,11 En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.

 

Vanwege de eenheid van de tekst heb ik deze teksten samengevoegd. In vers 8 wordt met ‘wereld’ de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. De Heere Jezus spreekt hier over het komen van de Heilige Geest. Hij heeft Hem beloofd en Christus getuigt hier, dat de Heilige Geest de wereld zal overtuigen van zonde, gerechtigheid en van oordeel. Hoe doet de Heilige Geest dat? Wel, door het Woord. Het voortbestaan van ongeloof in Christus, het verwerpen van Hem als enige Verlosser, is het bewijs van het zondigen door de mens.

Het bewijs van gerechtigheid is dat Christus Zijn taak hier op aarde heeft volbracht inzake lijden en sterven. De voortgaande gerechtigheid kan Hem hier niet langer vasthouden en doet Hem als opgestaan en verheerlijkt mens naar de hemel gaan. Het bewijs van oordeel is, dat de duivel door het volbrachte offer van Christus wettig geoordeeld en veroordeeld is. De Heilige Geest overtuigt de wereld ook van oordeel, als de wereld moet erkennen, dat Christus kerkvergaderend werk ondanks alle woeden van de duivel, van de wereld, van het ongeloof, doorgaat, onweerstaanbaar!

En ook al lijkt het erop, dat het heel langzaam gaat, het gaat voort. En ook al lacht de wereld om die ‘traagheid’, het bevestigt en onderstreept Gods geduld en verdraagzaamheid met haar, ook de indringende oproep: BEKEER U MET HAAST! Dat oordeel wacht nog op de definitieve invulling, als de duivel in de hel geworpen wordt en de gerechte straf eeuwig ondergaat. En zo is de betekenis van ‘wereld’ in vers 11 de verdorven vijandige mensenwereld.

Voor gelovigen is deze tekst tot grote troost, omdat zij de bewijsvoering dagelijks in het geloof zien in de wereld om hen heen en horen in de diverse media en lezen in allerlei geschriften. Daarnaast oefenen zij geduld, opdat eerst het getal van de uitverkorenen in de tijd vol wordt. De ongelovigen bevestigen deze tekst maar accepteren de waarheid ervan niet door hartelijk berouw en bekering. Zij gaan al zondigend voort op de ingeslagen weg en maken zo de maat van de ongerechtigheid vol. Hen overvalt de dag van de Zoon des mensen, terwijl de gelovige elke dag naar Zijn komst uitziet.

 

Joh 16,20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.

 

Met ‘wereld’ wordt de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. De Heere Jezus doelt hier op de tijd van gevangenneming, lijden en gekruisigd worden tot aan de opstanding. In die periode zullen de discipelen en die bij hen horen schreien en weeklagen. Dat wordt door hen bevestigd zoals we kunnen lezen in de diverse beschrijvingen in de verschillende evangeliën ná de opstanding.

Daaruit blijkt steeds weer het ongeloof, de verontrusting, de verkeerde gerichtheid van hun geloof. Daaruit blijkt ook de traagheid, de wankelmoedigheid van de mens. Dit toont overduidelijk, dat gelovigen toen en nu zich op geen enkele manier mogen en kunnen verheffen bóven ongelovigen, alsof zij van zichzelf wèl geloven. Het onderstreept opnieuw de staat van de gelovige: zó ben ik, zó traag, zó lauw. Ik heb me daar van dag tot dag diep voor te schamen en des te meer heb ik te erkennen en te belijden, dat het geloof alléén, puur alléén Gods zaak is, het werk van de Heilige Geest.

De Heere Jezus heeft voorzegd, dat bij Zijn wederkomst vélen zullen zeggen: ‘Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam boze geesten uitgedreven en in Uw Naam vele krachten gedaan?’ Daarmee betuigen ze, dat het hùn werk was, hùn profeteren, hùn uitdrijven, hùn prestatie. Maar de gelovige ziet bij en in zichzelf zóveel zwakheid, zóveel gebrek en tekortkoming, dat hij zegt: Wanneer hebben wij een beker koud water gegeven aan één van Uw kinderen?

En daarmee erkennen ze, dat ze zelf niets van zichzelf aanmerken als voor God voldoende, laat staan dat ze er iets mee zouden verdienen. Het tekent de tégenstelling van de ‘goedheid’ van de ene mens tegenover de gebrokenheid van de gelovige zondaar. Opnieuw: het is Uw werk alleen o God, Uw genade en ontferming over zondaren, zoals ik ben. En de erkenning van die gebrokenheid wordt niet luid verkondigd om door de mensen gezien en geprezen te worden, nee, die gebrokenheid wordt tegenover God met een verbrijzeld hart erkend, met groot berouw over al de zonden, de zondige geneigdheid, de verkeerde gerichtheid, al de traagheid, de schuldige vergeetachtigheid en al de verdorvenheid van ons hart en leven.

Dan worden met vreugde de lichte last en het zachte juk van Christus opgenomen om te dragen, vanuit een geest van nederigheid en zachtmoedigheid, wetend, dat dat God aangenaam is. God wordt gesmeekt om vergeving en ontferming door het offer van Christus. De Heilige Geest wordt gesmeekt om te werken en te wonen in onze harten en om ons hart te heiligen, zodat de uitgangen van ons hart geheiligd worden en onze werken zó heilig mogen zijn, voor Vader geheiligd door Christus.

En de mens die zó tot God nadert, die zal God niet afwijzen, de Heilige Geest zal zeker in zijn hart werken en wonen en hem vervullen en het ware geloof in hem planten en versterken. Ja, de Heilige Geest werkt beide, het willen en het werken, Hem de eer. Inderdaad, dan is er voor de mens geen enkele roem te vinden of te ontdekken, dan weet de zondaar, dat hij puur uit genade behouden wordt.

Dan schittert God drieënig alléén, Christus, Die ons kocht en betaalde met Zijn kostbaar bloed. Dan weten we ons uit de macht van duivel, dood en zonde vrijgekocht. Hem eeuwig alle dank! En hoe is die droefheid ná de opstanding veranderd in blijdschap, onuitsprekelijke blijdschap. Tegelijk de erkenning van eigen onvermogen en kleingeloof.

Uit de Schrift kunnen we ook vernemen, dat de wereld razend blij was met de veroordeling tot, en de uitvoering van de doodstraf. Daarnaast het wantrouwen: doen de discipelen wat? Maar als ze overtuigd zijn, dat Christus is opgestaan, dan verharden ze zich en verzinnen leugens om niét te hoeven erkennen, omdat ze niet willen! Het is een ‘blijdschap’ tegen beter weten in. En zó groot is de verblinding, dat de leugens werden geloofd.

En zó groot is de haat, dat het ongeloof en de ontkenning, naar het lijkt, wereldwijd heersen. Let er op, dat de Heere Jezus niets zegt over wat er gebeurt als de wereld ziet dat Hij is opgestaan. Daaruit blijkt de voortgaande verharding tot aan de wederkomst.

 

Joh 16,21 Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.

 

‘wereld’ heeft hier twee keer dezelfde betekenis, nl. aarde. Het kind is nu zichtbaar en het krijgt een naam. De vrouw weet, dat het barensuur is aangebroken en bij de meesten is er behoorlijk spanning of alles goed gaat en of alles goed is met het kind. Als het geboren is en alles is wel met moeder en kind en vader, dan is de spanning meteen weg. In plaats daarvan komt er een onuitsprekelijke blijdschap, verwondering, bewondering: een kind!

Zo zijn we allemaal geboren, via natuurlijke weg, via keizersnede. We gaan nu even terug naar het begin. Vader en moeder houden veel van elkaar en behoren elkaar met regelmaat toe. God heeft die liefde gegeven en gewerkt, op Zijn tijd, tussen die jongen en dat meisje. En, als ze dan opnieuw samenkomen, dan bewerkt God het zó, dat één van de vele zaadcellen, ja die ene, overgaat uit het lichaam van de man in het lichaam van de vrouw en doordringt tot de eicel. Dat niet alleen, nee, het verenigt zich daarmee en wordt tot één. Die ene zaadcel, die ene eicel doet God samensmelten tot één geheel. In het verborgene. Dan doet God dat groeien ….

Ja, dan staat ons verstand stil, dat begrijpen we niet. Om iets te maken hebben we bouwstof nodig. Om het goed te maken gebruiken we onze ogen, hebben we goed licht nodig, goed gereedschap. En God doet het in het donker van de baarmoeder, de baarmoeder, midden tussen afval en bederf van darmen en ontlasting. En dáár weeft Hij een kind. Het heeft eerst geen vorm. Het nestelt zich in de wand van de baarmoeder, juist, daar. Hij vormt de moederkoek, Hij vormt de navelstreng, wanneer??

Hij voedt via de navelstreng het ongeboren leven en doet dié bouwstoffen aankomen, die nodig zijn, niet meer, niet minder. Hij vormt het kind, de darmen, de longen, de nieren, de lever, het hart, de maag, de geslachtsorganen, de hersenen, het hoofd, de benen, de voeten, de armen, de handen, de tenen, de vingers, de nagels, het haar, de ogen, de oren, de neus, de tong, de gewrichten, de bloedbanen, het zenuwstelsel, de spieren, de pezen, om enkele dingen te noemen.

Hij geeft het aller wonderlijkste: het leven. Het leven buiten de ademhaling tot aan de geboorte. En na de geboorte is het kind van het ene op het andere moment afhankelijk van ademhaling. Wie verstaat dat? Zó heeft God het bepaald, zó werkt Hij, in het verborgene. En er is geen moeder die op een bepaald moment zegt: ik voel dat God aan het weven is.

En zó, met volmaakte timing, borduurt God in het verborgene het geheel van het lichaam, één geheel, bestaande uit talloze lichaamsdelen, elk weer opgebouwd uit talloze verschillende bouwstoffen en vervolgens de stofwisseling, waarbij het ene deel veel sneller wisselt dan het andere. En wat voelen we ervan? Niets! We eten, drinken, de één prefereert zoet, de ander hartig, een derde mix, want het ene lichaam heeft andere behoeften aan bouwstoffen dan het andere lichaam, niet uit te leggen.

We eten, drinken, liefst smakelijk, we slikken en daarna? Ja, het gaat naar de maag en dan? De hele huishouding van bouwstoffen voor alle lichaamsdelen, de stofwisseling, voor nieuwe krachten, nieuwe lust. De werking van talrijke organen, die deze of die stof produceren voor dat speciale doel, met die specifieke taak, niet te veel, niet te weinig, dan, als het nodig is. We zijn er mee geboren, we weten niet anders, we zien het als gewoon.

We gaan terug naar de geboorte, de zuigeling, waarin dat alles aanwezig is en functioneert, met dat karakter, met die aanleg. Niet 2 minuten, niet een half uur, nee, misschien wel 80 jaar!! Als we dàt zien, dàt kunstwerk, zo perfect werkend, wie is er dan nog, die niet de hand op de mond legt en geen woord weet uit te brengen? Hoe groot, hoe majestueus moet dàn de Schepper wel zijn, dat Hij dat maakt en in stand houdt.

En dan zien we de mens, die zegt: niet welkom, abortus provocatus. En er worden technieken bedacht om dat nieuwe leven te verwoesten, met opzet te vermoorden. Zo wordt dat kunstwerk – niet na te maken! – vermorzeld, omdat mensen het niet wensten. Zou de Schepper, de Boetseerder, de Wever, daarover geen wraak oefenen?? Hij toont Zijn almacht in het scheppen van de mens, maar zo ook van allerlei soorten dieren, zo ook van allerlei soorten planten, elk in de vorm en naar de aard zoals Hij bedoeld en gewild heeft. En dat, zolang Hij leven geeft.

En zo verstaan we ook, dat God, die al die organen gaf, ook macht heeft – als het Hem goeddunkt – organen stil te zetten, tijdelijk uit te schakelen, even bij te stellen, uit te breiden. De Bijbel noemt tal van voorbeelden:

  1. Sara, onvruchtbaar. God opent op Zijn tijd haar schoot, zodat ze baart.
  2. Simson, aan wie God reuzenkrachten geeft, maar na verraad die krachten wegneemt. Hoe barmhartig is God, als Hij ze vlak voor zijn sterven nog één keer teruggeeft.
  3. De slang, die ineens als met mensentong spreekt.
  4. De ezel van Bileam, die ineens als met mensentong spreekt.
  5. Jerobeam, die zijn arm uitstrekt en hem ineens niet meer kan intrekken.
  6. Arameeërs, die zó verblind worden, dat ze Elisa wel zien maar niet herkennen.
  7. De Emmaüsgangers, die Jezus niet herkennen, noch Zijn stem. Pas als hun de ogen geopend worden, zien ze en herkennen ze.
  8. Jona, die in leven blijft in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten, afgesloten van ademhaling.
  9. Mozes, die 40 dagen op de berg Sinaï verblijft zonder eten, zonder drinken en hij komt niet om.
  10. Bileam, die graag het volk Israël wil vervloeken om de prijs. God bestuurt zijn tong zó, meerdere malen, dat hij zégent!
  11. De koning van Aram, die overlegt met zijn oversten over de plaats waar hij zijn legerkamp zal opslaan. Elisa, die aan zijn koning vertelt wat de koning van Aram heeft overlegd en besloten, meerdere malen.
  12. Salomo, die van God een zeer groot verstand krijgt.
  13. Zacharias kan wegens ongeloof 9 maanden lang niet praten.
  14. De Heere Jezus, Die blinden ziende maakt, doven doet horen, gestorvenen levend maakt, lammen doet lopen, melaatsen geneest.
  15. God verhardt het hart van Farao, zodat hij het volk niet laat gaan.
  16. God geeft leven, God neemt leven, op Zijn tijd, op Zijn wijze, toen, nu.
  17. Van Nebukadnessar wordt het verstand afgenomen en na een tijd het verstand

        weergegeven.

  1. We zien kinderen waarbij het verstand groeit en toeneemt, ouderen waarbij dementie         optreedt.
  2. Ziektes, infecties, tumoren en vele andere aandoeningen, die de mens wil beheersen. We spreken over vooruitgang in ontwikkeling, maar veelszins vergeten we God, Die daar soeverein over beschikt, zoals de Schrift op tal van plaatsen getuigt.

De mens ziet al deze dingen, leest ze, is verbaasd en tòch bekeert hij zich niet met haast tot geloof. De mens weet van al de processen, die in zijn lichaam plaats vinden, is verwonderd, maar wil niet de Schepper en Onderhouder de eer geven. Het leven, niet te doorgronden, niet te maken. Zieke, zwakke mensen, die doorleven; mensen in de bloei van hun leven, sterk en gezond, die plotseling in elkaar zakken. Omdat God bepaalt tot hoe lang en niemand anders.

 

Joh 16,28 Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader.

 

Met ‘wereld’ wordt twee maal de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. Jezus getuigt hier opnieuw, dat Hij helemaal op Eigen initiatief is gegaan en gekomen. Het is onwaarschijnlijk, hoe vaak dat gezegd en beklemtoond is en toch door velen verworpen wordt. En dat op Zijn tijd, op Zijn wijze, in alle eenvoud, toch het grootste wonder: zonder toedoen van een man. Een klein kind kan het begrijpen.

Maar we zien, dat veel volwassenen het vanwege eenvoud verwerpen. Toch zijn ze daardoor des te minder te verontschuldigen. En nu, vóór Zijn lijden en sterven, verkondigt Hij Zijn gaan tot de Vader, soeverein, door niemand tegen te houden. Hoe goddelijk verkondigt Hij hier en gaat Hij straks. Dit gaat vèr boven elk mensenverstand uit. De gelovigen in het Oude Testament offerden, offerden, offerden, eeuwen lang, vooruitziende naar de komst van de Messias, hèt offer, dat Hij ging brengen, opdat ze niet zouden vergeten, dat geen offerdier de zonden kon wegnemen, maar Christus.

De gelovigen in de Nieuwe bedeling offeren niet, maar mogen terugzien op het ene offer, gebracht door onze Heere Jezus Christus. Ze mogen zien op het wegdragen van Gods toorn over onze zonden door dat onnoemelijk zware offer, waar Christus verpletterd en vermorzeld werd onder Gods vloek en toch overwon en weer opstond. En dat om onze zonden. Opdat we zien, hoe zwaar God onze zondeval heeft veroordeeld en gestraft en Zich door dat ene offer recht heeft verschaft. Waaruit blijkt onze diepe dankbaarheid?? Opdat wij des te nadrukkelijker een diepe afkeer van onze zonden zullen hebben.

 

Joh 16,33 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.

 

Met ‘wereld’ wordt hier de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. Door het geloof vrede in Christus hebben. Dit geldt niet alleen de discipelen toen, maar dit geldt al de gelovigen. Die vrede komt er niet na langdurige onderhandelingen, tal van voorwaarden, nee, Christus gééft die vrede aan de Zijnen: vrede met God, ons door Christus weer gewillig stellend onder het gezag en de leiding van Christus, ons laten gezeggen door de Heilige Geest door het Woord. Onbegrijpelijk, wij, die vijanden waren, God en de naaste haatten, vanaf nu: VREDE!

Dat betekent tegelijk, dat bùiten Christus géén vrede met Hem is, géén vrede met Hem mogelijk is. Nee, buiten Hem blijft de staat van onverzoenlijke vijandschap, de antithese, de tegenstelling tussen vrouwenzaad en slangenzaad, geloof en ongeloof. Dat betekent voor de gelovigen, dat ze Christus volgen, overal waar Hij heen gaat, Hem dienen en Hem liefhebben bóven alles, bóven iedereen. Dat betekent Zijn Woord liefhebben en liever daaraan gehoorzaam zijn dan aan welk mensenwoord ook.

Dat betekent, dat we alle vertrouwen op Hem stellen, eerder dan op mensen, hoe veel ook, hoe machtig ook, hoe rijk ook, hoe invloedrijk ook. En dit spreekt Jezus vóór Zijn sterven. Opnieuw bekruipt ons schaamte, als we zien hoe traag we zijn in het horen, in het geloof, in het vertrouwen, in het onthouden. Laat er geen gedachte in ons zijn, dat wij het beter doen, beter kunnen. Nee, het onderstreept onze zwakheid, onze onwil, onze traagheid. Opnieuw, elke gedachte, dat de mens vanuit zichzelf iets weet of kan of doet wordt keer op keer diep de grond ingeboord.

Omdat Hij het vóór Zijn sterven zegt geeft Hij de vaste garantie, dat niemand Hem kan onttronen, dat Zijn garantie waardevast is, over dood en graf heen. En omdat dat de zoveelste garantie van God is, waarvan we zien, dat God die belofte nakomt, tot vandaag toe, komt Hij onze zwakheid te hulp en bewijst Hij opnieuw, dat Zijn beloften nooit leeg zijn, nooit. Welke vrede tussen mensen is zo waardevast, blijvend? We vinden er geen.

De Heere Jezus zegt, dat we in de wereld verdrukking lijden. De voorbeelden, zowel in Oude Testament als in Nieuwe Testament, tot vandaag toe, liggen voor het oprapen. Net gehoord: 5 christenen in Somalië levend verbrand. Het kan tegenstrijdig overkomen: verdrukking lijden – de wereld overwonnen. Het één zien en horen we, dan hier, dan daar, maar het andere?

We moeten er op letten, dat het zo’n 4000 jaar heeft geduurd voordat Christus geboren werd. En nu moeten de gelovigen ná Zijn komst geduld hebben tot aan Zijn wederkomst. Hoe machtig klinkt de uitroep vóór Zijn sterven: Ik heb de wereld overwonnen. De wereld is hier de zondewereld, de macht van zonde en dood. Niets of niemand kan Hem tegenhouden, omdat Zijn garanties eeuwigheidswaarde en eeuwigheidsduur hebben. En de gelovigen mogen in die overwinning delen, hier in beginsel, straks in volkomenheid.

In deze bedeling moeten we geduld hebben, immers, het getal van de uitverkorenen is nog niet vol. Er moeten nog geboren worden, er moeten zich nog bekeren, er moeten nog tot geloof gebracht worden. Maar net zo zeker als Christus Zijn belofte en garantie geeft mogen we weten, dat de Heilige Geest doet geboren worden, tot bekering brengt, tot geloof brengt, zodat het getal exact vòl wordt. Dat we tot zolang geduld moeten hebben, dat we tot zolang verdrukt en verguisd worden is geen teken van zwakte, maar dat beproeft ons geloof òf we wel vast vertrouwen en geloven en òf we Christus wel getrouw blijven volgen, door dood en graf heen.

Tegelijk, dat we in al die verdrukking de toorn van God opmerken over onze eigen zonden en tekortkomingen en gebreken: zó groot is Gods toorn over onze zonde, dat Hij ze zó zwaar straft. Opdat we niet klein denken over onze zondeval, onze zondeschuld. Opdat er geen enkele gedachte in ons opkomt, alsof God de zonde door de vingers zou zien, ongestraft zou laten.

Opnieuw moet het er ons met de neus opdrukken hóe diep onze zondeval is. Het toont onze diepe verdorvenheid, onze onmogelijke blindheid, dat we er zo gemakkelijk aan voorbij zien, onszelf zo slecht kennen en willen kennen. Tegelijk doet het Gods barmhartigheid des te groter schitteren, dat Hij géén gedane zaak met de mens heeft gemaakt direct na de zondeval, maar dat Hij in liefde en ontferming naar de mens toegekomen is en verlossing beloofd heeft en in Christus volbracht heeft. We moeten telkens weer zien en nooit vergeten. Elke dag strijden tegen schuldig vergeten!!!

Daarnaast moeten we huiveren. Huiveren over de mens, over wie God Zich niét ontfermt. Want dat betekent, dat die zondeschuld blijft, dat die zondeschuld niet door Christus wordt weggenomen. Beseffen, dat de mens met die zondeschuld straks ná de wederkomst eeuwig moet boeten in de hel, welverdiend. Is die mens slechter dan de gelovige? Nee, alleen, God ontfermt Zich over de één wel, over de ander niet. Toch roept God alle mensen tot bekering, opdat niemand te verontschuldigen is.

En opnieuw staan we bij de grote verantwoordelijkheid van de mens. In volle verantwoordelijkheid heeft de mens gezondigd, de eeuwige dood over zich afgeroepen. En wat de mens ook bedenkt, nooit zal hij zich aan die verantwoordelijkheid kunnen onttrekken. Integendeel, hij moet zich die verantwoordelijkheid van dag tot dag ernstig voor ogen stellen: IK WIL NIET GELOVEN! Geen mens!

Des te groter wordt Gods ontferming, des te schitterender is Christus overwinning, des te stralender het geloofbrengende werk van de Heilige Geest. God alle eer, dank en aanbidding. En dié overwinning van Christus moet ons van dag tot dag goede moed geven om te volharden in het geloof.

5 juni 2012

Dit bericht is geplaatst in 77x 'wereld' in het evangelie naar Johannes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *