4.2c. Christus onderwijs inzake ZIJN WOORD richting gevend en bepalend voor ieder mens.

– Johannes 8:45-47: ‘Maar Mij, omdat Ik [u] de waarheid zeg, gelooft gij niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet? Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt.’
Dit is een hard woord van Christus. Hoe klemt de oproep. Nòg waarschuwt Hij en roept tot inkeer, wederkeer, omkeer, bekering. Hoe moeilijk komt de mens los uit de band van gewoonte en traditie. Gezapigheid kènt geen strijd en wìl geen strijd, ja, háát alle strijd.

Wil de Heere Jezus wèl strijd? Is Hij belust op strijd? Nee, Hij schiep de aarde met alles erop volmaakt góed! De dùivel veroorzaakte de revolutie, en de dùivel verleidde de mens tot die revolutie en de mens liét zich daartoe verleiden. Dàt moet telkens weer voorop staan. En dàn, dàn zèt God de vijandschap, de dodelijke vijandschap. Want God heeft Zijn doel gesteld: eeuwige rust met Zijn volk, Zijn kinderen. Dat dóel wordt bereikt via die strijd. Maar gaan we nu zeggen, dat God, dat Christus de strijd wìl?

Om dat dóel te bereiken, te bewerken, kwam Hìj naar deze aarde, bezet door de duivel, puur vijandig gebied, vol dodelijke vijanden en vijandschap. En uit die dodelijke vijanden, zondaren, mensen, kocht en betaalde Hij Zich Zijn volk ten eigendom. En daartoe móest Hij strijden, om de duivel te overwinnen, om al die boze geesten te overwinnen, om al die volgers onder mensen te overwinnen, om Zijn volk daaruit vrij te kopen, om Gods toorn en vloek te dragen en weg te dragen van Zijn kinderen. Hij strééd, omdat Hij Zijn kinderen liefhad, liefhad tot in de dood.

Christus strijdt met het Wóórd. Scherper kan niet, ontmaskerender kan ook niet. En de duivel heeft geen weerwoord. Daarom gebruikt hij al zijn duivelse taktieken om dat Woord te ontkrachten, verdacht te maken. Dat Woord èn Hem Die dat Woord zuiver spreekt. Hoe kàn het, dat wij zo vaak twijfelen aan de kracht van Gods Woord? Is het niet door kleingeloof? Laten we het met haast afleggen en telkens weer krachtiger worden in het ware geloof en God vàst vertrouwen op Zijn Woord.

De Heere Jezus wijst nadrukkelijk het verschil aan: wie uit God is, hoort de woorden Gods; wie niét de woorden Gods hoort, ìs niet uit God. Hoe fijntjes legt Hij hier de accenten: wie uit God is: verkiezing!!!, die hoort. Wie niét hoort: eigen verantwoordelijkheid!!!, is niet uit God: verwerping!!! Toch gaat het Woord uit naar alle mensen, de roepstem, de nodiging, de oproep, de vermaning. Nergens, nooit, doet God iets zo maar. Het gebeurt altijd uiterst serieus. Daarom stelt God ieder mens ook volledig aansprakelijk en verantwoordelijk voor wèl of niét geloven. Hoe ondoorgrondelijk zijn Uw wegen, o God!, hoe onnaspeurlijk Uw gedachten!

Hoe heeft Hij Zijn volk verdragen, dat zo onwillige en eigenwillige volk, dat trage en lauwe volk, al de eeuwen door. Maar als wij dié strijd zien, als wij dié vijandschap opmerken in deze wereld, gaan wij dan rùsten? Geven we de moed op, geven we de strijd op? Weigeren we de strijd te strijden, die het Hoofd, Christus, ons te strijden geeft? Is Zijn opdracht daartoe onduidelijk? Is de door Hem aangereikte wapenrusting tot die strijd ontoereikend? Of moet ik erkennen: IK WIL NIET!!!, en daarom háát ik alle strijd, alle geloofsstrijd, want ik wil vasthouden aan èigen redeneringen en fantasieën.

Of denken we zònder strijd met Hèm mee te kunnen liften in Zijn overwinning? I Johannes 2:13, 14: ‘Ik schrijf u, vaders! want gij hebt [Hem] gekend, Die van de beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt de Vader gekend. Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt [Hem] gekend, Die van de beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt de boze overwonnen.’

Twee dingen: ‘gij hebt de Vader gekend.’ ‘Gij hebt [Hem] gekend, Die van de beginne is.’ ‘en het Woord Gods blijft in u,’ èn 2x: ‘gij hebt de boze overwonnen.’ Hoe koppelt Johannes door de Heilige Geest geleid, die twee zaken onlosmakelijk aan elkaar. Dat móet dus betekenen: God kennen is Zijn Woord kennen; tegelijk: God en Zijn Woord kennen is de boze (onder)kennen en overwinnen. Hoe zullen we overwinnen zònder strijd? Hoe zullen we tegen de boze strijden zònder dat we de boze háten? Hoe zullen we de boze háten als we tegelijk de boze liefhebben, gedogen en navolgen? Hoe zullen we dan nog in Gods Woord (kunnen) blìjven?

– Johannes 8:51: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in der eeuwigheid.’
Kan er nog iets onduidelijk blijven? Van alle kanten zo overvloedig belicht met zo’n belofte. Geloven ìs zien. Geloven ìs opstaan uit de eeuwige dood waarin we rechtvaardig kwamen door ònze zondeval en liggen in de dood. ‘Mijn woord zal bewaard hebben,’ En dat zònder het Woord te kennen??? Weer benadrukt Christus ieders eigen verantwoordelijkheid. En die is dus veel groter, weegt veel zwaarder, dan we ons al te vaak realiseren en beseffen. Die verantwoordelijkheid heeft eeuwig gewicht, eeuwig wèl, eeuwig wéé. Toch is het eerst een gave van God, om niet, onverdiend.

– Johannes 11:41, 42: ‘Zij namen dan de steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zei: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt. Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik [dit] gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.’
Hoe nadrukkelijk legt Jezus telkens weer de onlosmakelijke band tussen het spreken en doen van Hem: àlles wat de Vader Hem te spreken en te doen gegeven had. En het gehoord worden door de Vader en dus verhoord. Ook de blindgeborene wees nadrukkelijk op die band. Hoe vaak merken we een grenzeloze oppervlakkigheid op in leer en leven met daarbij een gebedsleven dat vol is van onzekerheid en onwaarachtigheid. Heel duidelijk moet zijn: De Heere Jezus stònd in Gods Woord door Zijn volmaakte gehoorzaamheid aan dat Woord. De helderheid en doorzichtigheid schittert aan alle kanten. Zo ook de verhoring door de Vader, naar Zijn Woord.

Maar als wij helemaal niet vaststaan in het Woord, en wij ‘bidden’ op hoop van: ‘het kan helpen,’ ‘het kan niet helpen’, hoe menen we dan, dat ons gebed God aangenaam is en door Hem verhoord zal worden? Als we iemand kennen en zien, en hem wat vragen, we hebben enige verwachting inzake zijn invulling. Maar God zien we niet, en toch bidden we Hem? Hoe kunnen we overtuigd zijn, dat Hij naar ons hoort, als we niet vàst geloven, dàt Hij bestaat en een Hoorder is van hem, die Hem ernstig zoekt en bidt? Maar als Hij ons dan wijst op Zijn schepping, daarbij op Zijn Woord, om Hem recht te kennen, dan nemen we dat voor kennisgeving aan?

We nemen het een mens zeer kwalijk, als die mens ons meedeelt, dat hij er niets van gelooft, dat wij enige verantwoordelijkheid kunnen dragen, zelfs in het allerminste niet. Ja, we zijn er zeer verontwaardigd over. En God legt ons onze verantwoordelijkheid op om Hem recht te kennen en Hij gééft daartoe Zijn schepping en Zijn Woord en Hij gééft daartoe Zijn Geest om ons hart en verstand te verlichten om recht te verstaan, maar dàn schuiven we onze verantwoordelijkheid van ons af… en nemen het Hem kwalijk, als Hij ons onthoudt, waarop wij recht menen te hebben. Maar eerst vergeten we – gemakshalve – dat we onszelf tegenover Hem moedwillig beroofd hebben van àlle goed, van àlle recht, door MIJN, ONZE ZONDEVAL.

Bedenk eerst: God heeft niemand gezegd, beloofd, dat Hij de mens zou scheppen. Soeverein schiep Hij de mens, naar Zijn beeld, volmaakt goed. In volle verantwoordelijkheid, dat hij God volkomen recht zou dienen en liefhebben, als Zijn kind. De mens kon die verantwoordelijkheid ten volle dragen, volmaakt goed. God blìjft de mens volledig verantwoordelijk houden voor al zijn gedachten, woorden en daden, ook ná zijn zondeval. Hoewel Hij ziet, dat de mens door de zonde midden in de dood ligt. Komt de mens dan tot geloof, dan weet de mens zich door de zonde zo totaal verdorven voor God, dat hij in niets zijn verantwoordelijkheid voor God en naaste volmaakt goed kan dragen.

Zó vlucht hij tot Jezus Christus, tot Zijn offer, tot volkomen verzoening van al zijn zonden. En hij smeekt God, dat Hij hem Christus voldoening en verzoening toerekent, alsof hijzelf dat offer gebracht had, in eigen kracht. Om de Zijnen vrij te kopen kwam Christus en streed!

Hij kent alle zwakheid en beperktheid van de Zijnen. Daarom spreekt Hij het gesprokene uit, òpdat de Zijnen geloven, dat God Hem gezonden heeft. We mogen telkens weer pleiten op Zijn geduld, tegelijk moet ons scherp voor ogen staan, dat we geen spel met Zijn geduld mogen spelen. In al onze zwakheid en beperktheid moeten we onze verantwoordelijkheid steeds weer en steeds meer leren dragen. Voor onszelf, voor elkaar.

Hoe moet deze tekst ieder mens heel klein maken. Hier kan toch iéder mens zién, dat Gòd echt àlles doet en gedaan heeft om de mensen te overtuigen. Inderdaad. Hoe moet het Christus gesmart hebben, dat de mensen niét hoorden, niét opmerkten, zich niét lieten gezeggen, dat de mensen de door God aangeboden redding en verlossing uit het diensthuis, uit de dood, achteloos voorbij gingen en verwierpen. Hoe heeft de mens zóvéél onverdiende goedheid en barmhartigheid van God versmaad en gehaat door valse haat en laster en verdachtmaking.

27 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *