11. De psychische confrontatie rond de ashoop. VII

Artikel 9 begonnen we met: ‘Zofar spreekt in Job 11. De verzen 1-3: ‘Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zei: Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand [u] beschamen?’ Zofar bevestigt met scherpere woorden waar hij het met zijn vrienden over eens geworden is. Duidelijk uit hij zijn misnoegen er over, dat Job er niet aan denkt de gelegde koppeling tussen Jobs leed èn zijn vermeende zware zonde als juist en terecht te verklaren en te erkennen. Job, u bent een klapachtig man! U liegt! Echt Job, meen je wèrkelijk, dat je ons daarmee overtuigt en dat niemand van ons in staat is je in je redeneringen te weerleggen en te beschamen? KIJK, REDENEER, en erken!’

Job 11:4-6: ‘Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen. Maar gewis, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende; En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.’ Zofar koppelt dit aan de eerste drie verzen, waarin hij Job onverbloemd beschuldigt van klapachtig zijn, liegen. Zeker, Job heeft getuigd van eigen gerechtigheid, maar daarnaast ook van zijn kleinheid en beperktheid in rechtvaardig leven tegenover God. Zo wordt wéér het ene genoemd, het ander verzwegen. En als Zofar vervolgens uitspreekt, dat hij hoopt, dat God zou spreken, dan suggereert hij daarmee, dat God hem en zijn vrienden volledig in het gelijk zou stellen. Maar met dit stellen doet ook Zofar geen enkele moeite aan te tonen, waarin Job gezondigd heeft. Elke vorm van gedegen onderbouwing zoeken we tevergeefs. Dáárom had Job gevraagd.

En Elifaz en Bildad corrigeren Zofar niét en zwijgen! En de duivel grijnst!

Job 11:7-9: ‘Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe de Almachtige vinden? [Zij] [is] [als] de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.’ Zofar overschreeuwt zichzelf. Het is zeker, dat de mens de hand op de mond legt, als de mens God wil doorgronden en verstaan in al Zijn werken en doen. Maar hier probeert hij heel suggestief Jobs geloof aan het wankelen te brengen door deze uitspraken. Heeft hij met zijn vrienden dit óók bedacht en overwogen vóórdat ze het met elkaar eens werden? Hadden ze dat gedaan en Gods recht in acht genomen en uitgevoerd, ze zouden nooit tot zulke lichtzinnige beschuldigingen gekomen zijn. Hieruit blijkt de huichelachtigheid van de mens: de ander nadrukkelijk waarschuwen voor bepaalde dingen, gedachten, maar ze zelf (als het uitkomt) even gemakkelijk en vlot gebruiken.

Job 11:11, 13-19: ‘Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?’ ‘Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit. Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen. Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen. Want gij zult de moeite vergeten, [en] [harer] gedenken als der wateren, die voorbijgegaan zijn. Ja, [uw] tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn. En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen; En gij zult nederliggen, en niemand zal [u] verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.’ Hier zien we een aantal werkwijzen van de duivel bij elkaar: dreigen, chanteren, maar even gemakkelijk het volgend moment: suggestief verleiden en vleien. Maar houdt het verband steeds nauwkeurig in het oog! In de praktijk van het leven van elke dag zien we regelmatig, dat dergelijke taktieken heel goed ‘werken’. Des te meer moeten we bedacht zijn op de motivatie en doelstelling van de persoon, die dit doet. Eerst maar eens nader aanvragen.

Job 12:1-3: ‘Maar Job antwoordde en zei: Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven! Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wie zijn niet dergelijke dingen?’ Job prikt er meteen doorheen en spot met hun suggestieve redeneringen en ‘wijsheid’. Openlijk betuigt Job vast te zullen houden aan zijn overtuiging.

In Job 12:4-6 spreekt Job: ‘Ik ben het, [die] zijn vriend een spot is, [maar] roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige [en] oprechte is een spot. Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met de voet te struikelen. De tenten der verwoesters hebben rust, en die God tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.’ Job spreekt in het volste vertrouwen, dat God hem zal verhoren, hoe zijn vrienden ook met hem spotten. Hij verwijt zijn vrienden, dat zij met hun spot God tergen. Job is er heel vast van overtuigd, dat hij zwaar beproefd wordt door God.

In het overige van dit hoofdstuk getuigt Job van de raad en het verstand van God, die niet te doorgronden noch na te rekenen zijn. Hoewel ze dat op geen enkele wijze zijn, wéét Job heel zeker, dat er toch geen enkele willekeur bij God is. Daaruit blijkt, dat Gods wijsheid veel hoger is dan het verstand van de mens. Maar God regeert soeverein naar Zijn raadsbesluit van eeuwigheid. Dit moet de mens tot grote bescheidenheid brengen, dat de mens sprakeloos let op Gods raadsbesluit en de uitwerking daarvan. Dat moet de mens tot vrees en beven brengen voor de almachtige God, opdat de mens erkent en belijdt, dat hij totaaal afhankelijk is van God. Hoeveel te meer reden heeft de mens daartoe, als hij weet en erkent, dat hij een arme zondaar is en daarom in geen enkel opzicht enig recht heeft tegenover God. Diepe eerbied, heilig ontzag voor Gods majesteit. Daar heeft Job in zijn leven zoveel mogelijk naar gejaagd. Er is in hem een grote strijd: bovenstaande erkent hij; alleen, het is hem niet duidelijk, wat Gods bedoelingen zijn met de doorstane beproevingen. En de duivelse verdachtmakingen en beschuldigingen van zijn vrienden brengen hem bijkans tot wanhoop en doen hem gaandeweg het geduld en evenwicht verliezen.

In Job 13:3 spreekt hij die wens opnieuw uit: ‘Maar ik zal tot de Almachtige spreken, en ben belust [mij] te verdedigen voor God.’ Hierin spreekt Job zijn vast vertrouwen in God uit. Zó heeft hij God leren kennen en daarin is hij door God van dag tot dag bevestigd. Deze beproevingen ondermijnen zijn geloof en vertrouwen in God niet, zie eerste uitspraken. Alleen, in zijn worsteling kan hij ze moeilijk de juiste plaats geven. En zijn vrienden brengen zijn geloof niet aan het wankelen, alleen, door al hun valse verdachtmakingen en beschuldigingen prikkelen ze hem voortdurend, terwijl zijn weerstand en scherpheid nagenoeg weg zijn, mee door zijn ziekte en de bijkomende gevolgen. Wie durft Job te beschuldigen van zwakheid? Wie kan die samenballing van beproeving dragen?

En dit in tegenstelling tot zijn vrienden, Job 13:4 en 5: ‘Want gewis, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters. Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.’ Voor Job is het overduidelijk: de koppeling van al het ontvangen leed èn vermeende zware gepleegde zonde, het is één grote leugen! Inderdaad, als er zó hard gelogen wordt, dan wordt alleen zwijgen al gerekend tot wijsheid.

In Job 13:6-11 zegt Job: ‘Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen. Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken? Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten? Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot? Hij zal u gewis bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt. Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?’ Job is zó overtuigd van zijn zuiver oordeel, geleerd door Gods werk en beleid, dat hij zijn vrienden scherp verwijt, dat zij met hun ijdele en leugenachtige voorstelling menen Hem recht te doen, maar in werkelijkheid zo met Hem spotten. Vrienden, meent u werkelijk, dat u ontkomt, als God u onderzoekt naar uw diepste beweegredenen en woorden? Want ik heb ernstig aangedrongen, Job 6:24: ‘geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.’, maar jullie komen niet verder dan een ongegronde zware beschuldiging. En jullie aanhorend, komen jullie niet verder dan: herhalen, herhalen, en daarbij nog tal van valse verdachtmakingen en suggestief gevlei om mij te verleiden en mijn geloof aan het wankelen te brengen.

Samenvattend, Job 13:12: ‘Uw gedachten zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.’ Zonder enige waarde, zonder wezenlijke inhoud.

Job vervolgt: Job 13:15 en 16a: ‘Ziet, [zo] Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn;’ In volle overtuiging herhaalt Job zijn vast vertrouwen in God. Zeker, ook hier meent hij, dat hij zich voor God kan verdedigen. Hoe smal is de ruimte hier tussen, dat Job God in àl Zijn doen voor rechtvaardig houdt en daarnaast hoe Job overtuigd is zich voor God te kunnen verantwoorden. Daarin overschrijdt Job ongeoorloofde grenzen. En nee, zelfs door al die verdachtmakingen en beschuldigingen van zijn vrienden moet Job zich beheersen en zich niet laten overhalen tot dergelijke uitroepen.

Job bedwingt zijn mond niet meer tegenover God. Hij zegt tegen God, overmand door al de kwellingen, Job 13:20-24: ‘Alleen doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen. Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend. Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?’ Overtuigd van Gods rechtvaardigheid komt hij onbeheerst tot te ver gaande uitroepen.

Laten we de hand op de mond leggen. Zijn wìj beproefd als Job? Hoe hoog is Gods recht! Maar laten we onszelf ernstig beproeven of in ons hart de juiste vrees en ontzag voor God regeren. En laten we de toevlucht nemen tot Gods barmhartigheid en ontferming.

En God zwijgt.

18 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *