19 Verleidingen III

We willen eerst een paar conclusies trekken:

1. De mens, de gelovige, moet strijden, moet bereid zijn te strijden. Ziende op zijn Meester, het Hoofd van de kerk, Jezus Christus, Die strijdt totdat het getal vol is. Dat strijden is vergaderen, beschermen en onderhouden. In die strijd kan een kind van de Heere nooit aan de kant gaan staan of zitten en zeggen, denken: Hij strijdt, dan kan ik wel rusten. De opdracht aan Timotheüs, I Timotheüs 6:12: ‘Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.’ mogen we niet beperken tot de persoon van Timotheüs. Nee, die betreft iedere gelovige gedurende heel zijn leven.

2. De strijd is geestelijk, Efeze 6:12: ‘Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’ En steeds weer is er de verzoeking van de duivel om vleselijke middelen en methodes en manieren daarbij te hanteren en in te zetten. Wordt dat gedaan, toegestaan, dan kan binnen de kortste keren de strijd helemaal vleselijk zijn, met ook vooral vleselijke gevolgen. Is de strijd geestelijk, dan is gelijk of ongelijk nooit aan de orde, want dan is inzet en doel steeds: Het Woord van het Hoofd moet regeren! En zó het Hoofd, Jezus Christus! De mens is hier en nu nooit meer als dienstknecht.

3. Waar moet de gelovige tegen strijden? Tegen alle machten van de duivel, de wereld, ons vlees. Dat betekent, dat er scherp onderscheiden moet worden, keer op keer: is deze gedachte, deze mening mèt Christus of tégen Christus. Er zijn vijanden van buiten, er zijn vijanden van binnen uit. Het Goddelijke: WAAKT! mag ons nooit ontvallen. En omdat die strijd TOTAAL is, is het dwaasheid, onverantwoord, die strijd uit handen te geven en te leggen in de handen van de leiders, de ambtsdragers, de kerkelijke vergaderingen. De dwaasheid is minstens net zo groot, als leiders, ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen de gedachte hebben en uitdragen en in praktijk brengen, dat ZIJ de strijd moeten voeren, dat de gemeenteleden zich moeten laten leiden en van strijd ontheven zijn. Nog veel dwazer zijn zij, die gemeenteleden die strijden, die strijd verbieden, hen daarin belemmeren, weerstaan; nog erger, die gemeenteleden er met vleselijke middelen uitwerken, uitbannen. Toch lijkt het me toe, dat deze dwaasheden tot enorme proporties praktijk zijn (geworden) en stilzwijgend aanvaard zijn of zelfs met vreugde omarmd worden. Maar als iedereen gaat strijden, is de chaos dan niet compleet en loopt ieder de ander dan niet steeds voor de voeten?

Het DOEL moet duidelijk zijn: 1.

Het KARAKTER moet duidelijk zijn: 2.

En inderdaad, dat vraagt zelfbeheersing: luisteren, de ander uitnemender achten, aanvaarden dat de ander meer gaven heeft ontvangen. Anderen voorthelpen en door anderen voortgeholpen worden, altijd bereidwillig. En ja, dan blijft er GEEN ruimte, GEEN plaats over voor èigen eer, èigen positie, want:

4. We erkènnen Jezus Christus als het ene Hoofd van Zijn kerk. We erkènnen, dat HIJ vergadert, ja, ook die broeder, ook die zuster. Dat houdt in, PLICHT!!: ik moet die broeder, zuster, van harte accepteren en liefhebben. Dan gaat het er nooit om of ik de mij toevertrouwde gaven zoveel mogelijk kan laten zien en toejuichen (door mènsen), maar dan bedenken we hoe we die gaven kunnen uitbuiten tot eer van de GEVER, het Hoofd, tot heil van de naaste, tot heil van de wereld. Tegelijk houden we scherp voor ogen, dat Christus op geen enkele manier, op geen enkel punt in de tijd ook maar iets afhankelijk is van MIJN inbreng.

5. En inderdaad, dan blijft er géén plaats, géén ruimte over voor onze eer, onze positie, onze … Dan kunnen we niets anders bedenken dan met Paulus te zeggen, I Corinthiërs 4:7-13: ‘Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt? Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten! Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en de engelen, en de mensen. Wij [zijn] dwazen om Christus’ wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld [en] aller afschrapsel tot nu toe.’ Pak nú pen en papier en schrijf op waarin U méér bent dan Paulus, dat U méér eer waard bent, dat U het rècht hebt te heersen over broeders met gebruikmaking van vléselijke middelen, methodes en manieren. En neem dit mee als u zich vandaag of morgen moet verantwoorden voor het ene Hoofd: Jezus Christus, en zegt: ZO HEEFT UW DIENSTKNECHT GEHANDELD! Het oordeel leggen we bij Christus neer, Hij oordeelt rechtvaardig. Als u dit leest, kunt u niet, nooit meer zeggen: ik heb het niet geweten!

     Er is nog een grote verleiding, die veel kapot maakt en veel bederft, complimenten.

Complimenten strelen de mens, het gemoed, het gevoel, geven de mens eer, verheffen de mens bóven andere mensen. En wié maakt dáár bezwaar tegen, wie protesteert tegen complimenten?

Eerst de mensen die complimenten maken, uitspreken:

a. Wat is het doel van complimenten maken?
b. Is dat gemeend?
c. Willen we inderdaad die ander eren?
d. Zijn we erop bedacht, dat complimenten voor die ander heel gevaarlijk kunnen zijn, worden, doordat die ander zich op basis daarvan gemakkelijk kan gaan verheffen?
e. Zijn we ons er scherp van bewust, dat (veel) complimenten terechte kritiek ernstig kunnen belemmeren, ja, zelfs kunnen weerhouden, terwijl die kritiek MOET?
f. Zijn we erop bedacht, dat we onszelf eerst heel kritisch onder de loep moeten leggen en zeggen: waarom ben IK zo complimenteus?? Is er ook maar een gedachte in mij, dat al die complimenten als doel hebben MIJ bij die ander gevleid te maken met als vervolgdoel, daaruit (op termijn) ZELF eer of positie te halen?
g. Zijn we er ons van bewust, dat (veel) complimenten gemakkelijk bij anderen kunnen leiden tot jaloezie, afgunst, met alle gevolgen van dien?
h. Merken we op, dat complimenten zo ver kunnen uitgebreid worden – ook met cadeaus – dat het haast een wedstrijd wordt WIE de beste is? En zien en horen we daarna nog wel eens, dat de persóón van de complimenten, cadeaus, het meest besproken wordt, of de cadeaus zelf? Zien we, dat ook dat weer gemakkelijk tot afgunst en jaloezie kan leiden?
i. Merken we op, dat met complimenten de nuchterheid gemakkelijk en vaak overschreden wordt door overdrijven, onwaarheid, eenzijdigheid, terwijl de cadeaus buitenproportioneel zijn ten opzichte van de gelegenheid, het jubileum?
j. Eren we door onze complimenten de mens, de ontvanger, MEER dan de GEVER van de gaven, waardoor en waarmee de gecomplimenteerde kon doen wat hij deed?

Dan de mensen die complimenten ontvangen:

a. Ontvang ik terecht complimenten?
b. Zijn de complimenten gemeend, zonder enige bijbedoeling?
c. Zijn de complimenten bescheiden, zodat ik er moeilijk een verkeerde kant mee op aan kan?
d. Als ik eerzuchtig, ijdel, ben, wat kunnen (veel) complimenten daaraan toevoegen?
e. Hoe moet ik rechtvaardig, onpartijdig, onomkoopbaar, onafhankelijk blijven als ik met veel complimenten en cadeaus overladen wordt?
f. Hoe moet ik de personen niet kwetsen en toch duidelijk maken, dat ik getracht heb alleen dàt te doen met de gaven die ik KREEG wat ik meende te moeten doen?
g. Hoe kan ik voorkómen, dat anderen niet afgunstig, jaloers worden, als ik gecomplimenteerd word?

Heeft de Heere de mens wel eens gecomplimenteerd? Ja:

a. Job 1:8: ‘En de HEERE zei tot de satan: Hebt gij [ook] acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.’

b. Genesis 22:15-18: ‘Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van de hemel; En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan de oever der zee is; en uw zaad zal de poorten zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.’

c. Matt. 16:17: ‘En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u [dat] niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.’

d. Openb. 3:8: ‘Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.’

Wat moet daarin opvallen? Dit:

a. De Heere prijst de gaven die Hij aan mensen geeft. Zo ontvangt God als GEVER de eerste eer en deelt de ontvanger door God in die eer. Daarna ziet u, dat de ontvanger er zich nooit op beroemt tegenover anderen en daarmee erkent en belijdt, dat het onverdiend was, omdat het niet uit hem zelf kwam.

b. De vrijmachtigheid van de Heere. Aan de één geeft Hij veel goederen (Job), aan de ander groot geloof (Abraham), aan een derde onderscheid, kennis (Petrus), aan weer anderen trouw in het geloof (gemeente te Filadelfia). Nergens lezen we, dat betrokkenen zich tegenover anderen verheffen in hoogmoed, eigendunk.

c. Nergens in de Schrift lezen we van afgunst of jaloezie, maar legt de gelovige de hand op de mond en zwijgt bij het zien van zoveel gaven en weldaden van de Heere. Wel de bede: geef ons meer geloof!

d. We lezen wel over afgunst, jaloezie, misprijzen, bij de duivel (Job), bij ongelovigen, die hebzuchtig aan anderen niets gunnen en bij het zien van voordeel bij gelovigen God van partijdigheid en voortrekkerij betichten.

Wat moet de les uit dit alles zijn?

We zullen niet eerst naar anderen moeten wijzen, maar we zullen – ieder voor zich – zich voor de Heere hebben te stellen en onszelf ernstig hebben te onderzoeken, òf er bij mij – als gever, als ontvanger – correctie nodig, noodzakelijk is. Dat in de eerste plaats.

Daarbij moet ons scherp voor ogen staan, of wij door ons geven, ontvangen, de ander stimuleren in hoogmoed, eerzucht en ijdelheid, òf dat we hem daardoor dichter naar de Heere toe trekken. Zeker, gelovigen leven in de wereld, die vergeven is van eerzucht, ijdelheid, intrige en machtswellust, in allerlei opzicht, in tal van variaties en combinaties. En de jacht en zucht naar eer en aanzien en bevrediging daarin, is geweldig. Daarin moet de gelovige niét meedoen maar steeds weer scherp doen zien en horen, dat onze overwegingen daarin heel anders gericht zijn en gewogen worden, naar Gods Woord, naar het Hoofd.

En dan zal blijken, dat het de sfeer in de kerk sterk bevordert, de eenheid sterk vergroot, de onderlinge concurrentie afbreekt en de onderlinge liefde doet bloeien en bevestigt. Tot Gods eer!

Dan zal in de wereld blijken, dat er nauwelijks begrip voor is, ja, dat we meewarig bekeken worden, of meteen worden doorverwezen naar deze of die –ater of –loog. Dan zal blijken de kortzichtigheid van de mens, die niet verder kijkt dan vandaag, het hier en nu, en om zich heenkijkt en beoordeelt op grond van wat de wereld wil en denkt en belangrijk vindt, de beroemde ‘men’. Gemakshalve vergeten we de wispelturigheid en veranderlijkheid van de wereld, ook, hoe eer en verguizing tegen elkaar aanliggen (denk aan het doen van de aanwezigen in de synagoge van Nazareth). Maar ook vandaag zien we het met grote regelmaat, denk aan topsport. En daaruit blijkt, dat eer van mensen, gunst van mensen, complimenten van mensen, vaak flinterdun en uitermate broos zijn die gemakkelijk de ogen dichtstrijken, de geest benevelt, de hoogmoed streelt en heel veel kapot maakt!

17 december 2011

Dit bericht is geplaatst in Algemeen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *