Johannes 14

Joh 14,17 [Namelijk] de Geest der waarheid, Welke de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.

 

Met het woord ‘wereld’ wordt hier de verdorven vijandige onbekeerlijke mensenwereld bedoeld. De Heere Jezus spreekt hier over de Heilige Geest. Nu is uit de Schrift heel duidelijk, dat er aardse en hemelse zaken zijn, zo ook vleselijke en geestelijke. Onder vleselijke worden die zaken gevat die naar het vlees, naar het menselijk verstand, naar de menselijke logica zijn en van daaruit begrepen worden, zoals het is ná de zondeval.

Geestelijke zijn die, die met het vlees niét te doorgronden, niét te bevatten zijn, niét te verstaan zijn. Dat betekent, dat geestelijke zaken alleen geestelijk te bevatten zijn, als de Heilige Geest die mens daartoe heeft bewerkt en gevormd en verlicht. Daaruit blijkt opnieuw, dat de Heilige Geest alléén het geloof, het ware geloof werkt en kan werken. Elke mens, die meent zelf te kunnen kiezen vóór Jezus, ontkent daarmee eigen diepe verdorvenheid en tracht de geestelijke werking van de Heilige Geest vleselijk te verstaan en tot het vleselijk niveau omlaag te halen.

Het één, vleselijk verstaan en ontvangen, kan niet, zegt deze tekst; het ander, het tot vleselijk niveau omlaag halen, haalt de Heilige Geest naar beneden tot het vleselijke, dat kan niet, dat mag niet. Tegelijk beeldt die mens zich daarmee in, dat hij over de Heilige Geest kan beschikken naar eigen wil. Uiteraard wordt Hij daardoor ernstig onteert en bevestigt die mens daardoor, dat hij puur vleselijk redeneert. Daaruit blijkt de hoogmoed en diepe verdorvenheid van de mens die zich zulke gedachten en uitingen inbeeldt.

Tegelijk wordt door die mens de Heere Jezus hier neergezet als een leugenaar, daar Hij uitdrukkelijk zegt, dat een natuurlijk mens de Heilige Geest niét kan ontvangen, Hem niét ziet en Hem niét kent. De Heere Jezus spreekt over de Geest der waarheid, de Geest, Die van de Vader en de Zoon uitgaat en zo de Waarheid leert en bevestigt. Tot hen, die de Heilige Geest ontvangen hebben, zegt Jezus, dat zij Hem kennen en dat Hij bij hen blijft en in hen zal zijn. Dat toont, dat de Heilige Geest werkt, bekering, geloof, geheiligd leven, dat Hij hen niet verlaat maar juist woning in hen maakt en hen zó omdraait, zó radicaal verandert, dat zij vernieuwd worden tot nieuwe mensen en zo ook kenbaar zijn naar de buitenwereld.

De huichelaars zijn daarvan duidelijk en gemakkelijk te onderscheiden: hoewel zij met hun woorden de Schriften naspreken, hoewel zij in veel uiterlijk vertoon lijken gelovigen te zijn, blijkt bij nader toezien op hun daden, dat zij in hun doen en laten géén vijandschap hebben en tonen en uitdragen ten opzichte van praktijken die duidelijk aan te merken zijn als in strijd met het Woord van God. Want de ware gelovige onderzoekt zichzelf ernstig en veroordeelt zijn eigen zonden en zwakheden en strijdt er dagelijks tegen.

Wordt hij door iemand anders berispt over zijn woorden en daden, dan wil hij nederig luisteren en zichzelf op dat punt ernstig onderzoeken en zich bekeren. Hij zal trachten het Woord getrouw na te spreken, overal waar het past en de gelegenheid aanwezig is, niet ziende op mensen of hun reactie. Voorts zal hij in handel en wandel trachten de Waarheid lief te hebben, geen medemens te benadelen. Hij zal zich er van bewust zijn, dat God hem altijd hoort en ziet, en let op de uitgangen van zijn hart òf hij God ernstig zoekt en dient in gehoorzaamheid. Hij haat en verafschuwt alle valsheid en heeft Gods wet en Woord lief.

Maar dat ligt de mens totaal niet: luisteren! Alleen al de gedachte, dat iemand anders het beter kan of zal weten, ook al spreekt die alleen de Schrift na. En de Schrift vraagt, gebiedt nog meer: gehoorzaam luisteren!

De huichelaar onderzoekt zichzelf niét ernstig, veroordeelt eigen zonden niét, wenst zich niét te laten berispen door anderen en beoordeelt naar omstandigheden en publiek hoe hij zal spreken of zwijgen, handelen of nalaten. Hij zal zich al gauw tevreden stellen met de beoordeling van mensen, is belust op eer en aanzien en positie van mensen bóven nederige gehoorzaamheid aan God. En hoewel hij met de mond zegt Gods Woord en wet lief te hebben, blijkt uit zijn daden, dat hij valsheid niét (altijd) haat en verafschuwt. Daarin toont hij, dat de uitgangen van zijn hart niet (altijd) heilig zijn.

Het is waar, we kunnen voor de ogen van de mensen veel verborgen houden, tot aan het sterven toe. Ons moet echter het Woord van God voor ogen staan, dat Hij het oor, het oog vormde. Dat beseffend moet de mens wel enorm kortzichtig zijn als hij zich inbeeldt dat God dan iets niét zou horen of zien of verstaan. Ja, het Woord zegt ons, dat Hij het hart van ieder mens doorgrondt, òf het hart recht voor Hem is of niet.

En als we ons dàt realiseren, dan kunnen we niet anders dan ons voor Hem neerwerpen en uitroepen: o God, wees mij, arme zondaar, genadig; zie mij aan in het bloed van Uw Zoon, Jezus Christus. Vervul mij, woon in mij, Heilige Geest!

 

Joh 14,19 Nog een kleine [tijd], en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven.

 

Met ‘wereld’ worden de verdorven vijandige mensen bedoeld, die alleen vanuit en op het niveau van het vlees kunnen zien. En inderdaad, als we met onze ogen zien, dan zien we Hem hier en nu niet. En we hebben hiervoor al gezien, dat de tijd vanaf dat moment tot aan hemelvaart kort is. Jezus zegt tegen de gelovigen, dat zij Hem zullen zien, want zij zien naast vleselijk ook door het geloof, geestelijk. Omdat Jezus God is zal Hij leven; omdat Hij als onzondig mens lijdt en sterft, zal Hij verheerlijkt, onsterfelijk opstaan.

En in Hem leeft de gelovige, in Hem leeft de gelovige eeuwig, over dood en graf heen. Dood en graf vormen geen belemmering, maar een doorgang tot het eeuwige leven, door Christus.

 

Joh 14,22 Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?

 

Met ‘wereld’ wordt de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. In vers 21 staat: ‘Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft;  en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.’ Hieruit blijkt, dat het verstaan van de discipelen nog veel te klein was betreffende het spreken van Jezus.

Zo werd het beschikt, opdat de Heere Jezus des te meer zou uitleggen, wat Hij bedoelde. Gelovig vragen stellen toont bereidheid tot luisteren. Voorts, dat wij des te meer aangespoord worden de Schriften ernstig te onderzoeken om ze des te beter te verstaan. Jezus spreekt hier over de openbaring na zijn opstanding. De wereld heeft Hem radicaal verworpen, daarmee hun oordeel bevestigend, dat ze in de duisternis willen blijven. Daarin worden ze door de Heere Jezus bevestigd daar Hij Zich niet meer aan de wereld openbaart na Zijn opstanding. Bij Zijn wederkomst zal Hij Zich opnieuw aan alle mensen openbaren als de grote Koning.

 

Joh 14,27 Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld [hem] geeft, geef Ik [hem] u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.

 

Met ‘wereld’ wordt de verdorven vijandige mensenwereld bedoeld. De Heere Jezus stelt hier de vrede met God tegenover de vrede die op aarde tussen mensen, volken kan bestaan. Maar bij nader toezien weten we, dat de vrede op aarde tijdelijk is, wankel, instabiel. Immers, God kan de vrede wegnemen, ondanks allerlei verdragen en besluiten en verklaringen van mensen. Voorts, hoe betrouwbaar zijn mensen? Het Woord zegt, dat de mens onbetrouwbaar is, de praktijk toont niets anders.

Maar vrede met God is enig, blijvend, eeuwig, ja, vrede met God gaat alle verstand ver te boven. We zien een voortgang in het spreken van de Heere Jezus: eerst laten, dan geven. Als Jezus wat geeft, dan garandeert Hij daarmee tegelijk de vastheid, het blijvende daarvan. En door Zijn almacht kan en doet Hij dat. We keren als mens terug naar ons broos en wankel bestaan. Hoe snel worden we uit ons evenwicht gebracht, hoe snel verliezen we de moed. Ja, als alles ‘goed’ gaat, dan heeft de mens een grote mond en meent hij alles te kunnen. Maar gebeurt er iets bijzonders, dan is dezelfde mens van het ene op het andere ogenblik in paniek.

En dan zegt de Heere Jezus tegen de gelovigen: uw hart worde niet ontroerd of versaagd. Zie op de door Mij gegeven vrede, leun op Mij, vertrouw op Mij, wees niet bang want Mijn vrede zal nooit wijken. Bij Mij ben je veilig en geborgen, eeuwig.

 

Joh 14,30 Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.

 

Met ‘wereld’ wordt de verdorven vijandige mensenwereld en de aarde bedoeld. Zoals we eerder al zagen wordt met de overste der wereld de duivel aangeduid. In vers 26 heeft de Heere Jezus de Trooster, de Heilige Geest beloofd, Die alles zal te binnen brengen wat Jezus heeft gezegd. Er is geen afsluiten, nee, er is constante voortgang, na Golgota en Pasen komt Pinksteren.

De duivel is uit de hemel geworpen, zagen we en door Gods voorzienigheid en almacht weet Jezus, dat de duivel Hem niet kan weerhouden Zijn kostbaar bloed te storten tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Wat een troost, wat een bemoediging, wat een rijkdom.

 

Joh 14,31 Maar opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en alzo doe, gelijk Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laat ons van hier gaan.

 

Met ‘wereld’ bedoelt de Heere Jezus de verdorven vijandige mensenwereld. De wereld moet het weten, moet overtuigd zijn, moet bevestigd worden van de eeuwige volmaakte liefde van Christus tot de Vader. Van eeuwigheid was het in Gods raad besloten. Christus herinnert er aan. Als mensen kunnen we alleen maar denken in tijdsverloop, maar God weet altijd alles. Geen ogenblik, dat Hij iets niet weet of iets vergeet.

In het spreken buigt Hij Zich neer naar ons niveau, opdat wij het zullen begrijpen. Ook daarin laat Hij zien, dat Hij alles geeft om ons tegemoet te komen, opdat we onszelf nooit kunnen verontschuldigen. Ook de wereldburger kan zelf zien en lezen, dat alle profetieën inzake Christus vervuld zijn. En die vervulling is het overtuigende bewijs van Christus liefde tot de Vader in volstrekte gehoorzaamheid aan Gods geboden.

Daarnaast is er onnoemelijk veel in de Schrift, waaruit de grootheid van God blijkt, ja, ons verstand ver te boven gaat, opdat we onze hoogmoed door het geloof met kracht weerstaan en onderdrukken en zó Christus navolgen in liefde en gehoorzaamheid. Het onderstreept opnieuw Gods onuitsprekelijke liefde voor Zijn schepping en schepsel.

5 juni 2012

Dit bericht is geplaatst in 77x 'wereld' in het evangelie naar Johannes. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *