5. Open brief aan alle kerken en sectes en haar leden in Nederland en daar buiten:

In ruim 12 weken heeft het coronavirus bijna de hele wereld overspoeld. De mensheid is in paniek. Tal van maatregelen worden door overheden genomen, door deskundigen geadviseerd, door bevoegde instanties gehandhaafd.

Maar één ding ontbreekt: BEKERING, waarachtige bekering tot de levende God! Want diepgaande analyse en diepgravend onderzoek vermogen niet tot de uitkomst te leiden over de plaats en het tijdstip van ontstaan, noch over de samenstelling, noch over een effectief anti-virus. O zeker, tal van wetenschappers en veel instanties doen hun uiterste best daartoe zo snel mogelijk te komen. En artsen en verplegend personeel doen hun uiterste best de uitbraak zo goed mogelijk in te dammen en de gevolgen zo mogelijk terug te dringen.

Er wordt opgeroepen tot gebed, massaal gebed. Door tal van personen, door tal van groeperingen. Er wordt door politici verwezen naar georganiseerde gebedssamenkomsten. Iedereen is welkom en iedereen wordt opgeroepen daaraan mee te doen. Het gebed klimt naar boven, naar de hemel, maar ….. komt daar nooit aan. Want die gebeden zijn niet waarachtig en in Waarheid, en zó voor God aangenaam. Had de mens, ook de theoloog, ook de meest-ingeleide persoon de Schrift gelezen en gelóófd!, hij had gelézen en zo gewéten en zo erkènd en beléden, dat God Zijn oren àfwendt van gebeden door mensen – wie ook, hoeveel ook – die wel trachten God aan te roepen en door gebed te vermurwen, maar de ZONDE tegelijk omarmen en beschermen en verdedigen.

Ik bedoel de ZONDE van interkerkelijkheid, die algemeen wordt verkondigd en beschermd en verdedigd. Ja, er wordt opgeroepen om vanwege de nood die er is de verschillen maar even te begraven en gezamenlijk in gebed te gaan. Want die ZONDE is pure minachting van het VERBOND, dat God bij de schepping oprichtte met de mèns: de mens als kìnd. Niet met engelen. Zij waren en zijn dienstknechten, gezanten. Toch heeft de afgevallen engel, de duivel, met allen die hem daarin navolgden, de mens, het kìnd, verleid om het vertrouwen in God, Zijn Wóórd, Zijn Verbond, op te zeggen, en hèm op zijn leugens te vertrouwen.

De HEERE sluit dat Verbond vervolgens met Abram, de vader van alle gelóvigen. Met Abram, met zijn zaad. Wáre kinderen van Abraham zijn gelovigen. Tegelijk de bevestiging van het Verbond met de mèns bij de schepping. Waarom wordt dat Verbond niet verstaan, niet rècht verstaan? Omdat de duivel, zijn volgers, dat Verbond háten en waar mogelijk willen verdraaien en ontkrachten en teniet doen. Dat Verbond, en daarmee zijn de Verbondskinderen het grote doel om dat Verbondsvolk verdacht te maken, te bestrijden en zo mogelijk uit te roeien. Om daardoor de komst en het verlossingswerk van de grote Zoon des mensen, Jezus Christus, de Middelaar, de Verlosser te voorkómen.

Dat Verbond wordt niet rècht verstaan. Vandaar is er ruimte voor een geweldige interkerkelijkheid. En zij, die die interkerkelijkheid beroemen en bejubelen, zij kennen de Schriften niet. We lezen in Jeremia 11:1-8: ‘Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia: 2 Luister naar de woorden van dit verbond en spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, 3 en zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond, 4 dat Ik uw vaderen geboden heb op de dag dat Ik hen geleid heb uit het land Egypte, uit de ijzeroven: Luister naar Mijn stem en doe deze woorden, overeenkomstig alles wat Ik u gebied. Dan zult u Mij tot een volk zijn en zal Ík u tot een God zijn, 5 opdat Ik de eed gestand doe die Ik uw vaderen gezworen heb om hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing, zoals het heden ten dage is. Toen antwoordde ik en zei: Amen, HEERE. 6 Toen zei de HEERE tegen mij: Predik al deze woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem: Luister naar de woorden van dit verbond en doe ze. 7 Want Ik heb uw vaderen ernstig gewaarschuwd vanaf de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde tot op deze dag, vroeg en laat: Luister naar Mijn stem! 8 Zij hebben echter niet geluisterd en zij hebben hun oor niet geneigd, maar ze gingen door, ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart. Daarom bracht Ik over hen al de woorden van dit verbond dat Ik geboden heb te doen, maar die zij niet gedaan hebben.’

Verbondsbrekers, die in de weg van de ongehoorzaamheid gaan en daarin volharden en verharden. Daarmee eigenen zij zichzelf de Verbondsvloek toe. Vgl. Lev. 26 en Deut. 28. Zìj, en die ze daartoe verleiden, en die hen daarin volgen.

Hoe verwijst dit terug op Deuteronomium 4:1-14: ‘Nu dan, Israël, luister naar de verordeningen en de bepalingen die ik u leer te doen; opdat u leeft en u het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u geeft, binnengaat en in bezit neemt. 2 U mag aan het woord dat ik u gebied, niets toevoegen en er ook niets van afdoen, opdat u de geboden van de HEERE, uw God, die ik u gebied, in acht neemt. 3 Uw ogen hebben gezien wat de HEERE gedaan heeft vanwege Baäl-Peor: dat de HEERE, uw God, iedereen die achter Baäl-Peor aan ging, uit uw midden weggevaagd heeft. 4 U daarentegen, die zich aan de HEERE, uw God, vastgehouden hebt, bent heden allemaal nog in leven. 5 Zie, ik heb u de verordeningen en bepalingen geleerd, zoals de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; om zo te handelen in het midden van het land waarin u zult komen om het in bezit te nemen. 6 Neem ze in acht en doe ze; want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn voor de ogen van de volken, die al deze verordeningen horen zullen en zullen zeggen: Werkelijk, dit grote volk is een wijs en verstandig volk! 7 Want welk groot volk is er waar de goden zo dichtbij zijn als de HEERE, onze God, bij ons is, altijd als wij tot Hem roepen? 8 En welk groot volk is er dat zulke rechtvaardige verordeningen en bepalingen heeft als heel deze wet, die ik u heden voorhoud? 9 Alleen, wees op uw hoede en neem uzelf zeer in acht, dat u de dingen niet vergeet die uw ogen gezien hebben, en dat zij niet uit uw hart wijken alle dagen van uw leven. U moet ze uw kinderen en uw kleinkinderen bekendmaken:
10 Op de dag dat u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, stond, bij de Horeb, zei de HEERE tegen mij: Roep het volk voor Mij bijeen, dan zal Ik hun Mijn woorden laten horen, die zij moeten leren, om Mij te vrezen, alle dagen dat zij op de aardbodem zullen leven, en die zij ook hun kinderen moeten leren. 11 Toen kwam u naar voren en stond onder aan de berg, terwijl de berg brandde van vuur, tot in het hart van de hemel. Er was duisternis en er waren wolken en donkerheid. 12 En de HEERE sprak tot u vanuit het midden van het vuur; het geluid van de woorden hoorde u, maar een gestalte zag u niet, er was alleen een stem. 13 Hij maakte u Zijn verbond bekend, dat Hij u beval te doen, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen. 14 En mij gebood de HEERE in die tijd om u verordeningen en bepalingen te leren, om die te doen in het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen.’

De HEERE bevestigt aan Zijn volk Israël Zijn Verbond. Met de opdracht om in de weg van de gehoorzaamheid te gaan en te blijven. Onderken het grote voorrecht om daartoe door God uitverkoren te zijn. Hoe dwaas en ondankbaar om dat Verbond te verwerpen, haar geboden te minachten en in grote blindheid en eigenwilligheid alleen te zien op het HIER en NU. Daarin staat het Verbond onbeweeglijk en onveranderlijk vast vanaf de schepping tot in alle eeuwigheid. Het Verbondskind komt tot aan de jongste dag niet verder dan een begin van de volmaakte gehoorzaamheid die God vraagt. Met het sterven gaat hij over tot de volmaakte gehoorzaamheid, eeuwig.

We kunnen toch niet zeggen, dat bovenstaande onduidelijk, onverstaanbaar, moeilijk te begrijpen is? Als we er niet naar doen, dan kunnen we toch alleen met grote schaamte erkennen: ik heb niet gewìld!

We noemen een geschiedenis, waarin de HEERE zeer aangrijpend vertelt, hoe Israël Zijn bruid werd, Ezechiël 16:1-14: ‘Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2 Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten, 3 en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische. 4 Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld. 5 Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd. 6 Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! 7 Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid. Uw borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot. 8 Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en zo werd u van Mij. 9 Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie. 10 Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeienhuiden, omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde. 11 Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek. 12 Ook deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en zette een sierlijke kroon op uw hoofd. 13 Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en voorzien van kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap. 14 Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.’

Hoe wordt dat beeld van het huwelijk telkens weer genoemd om het Verbònd te kenmerken. Maar zie, hoe hier meteen getekend wordt, dat de staat, de afkomst van die bruid, het zondehuis was. Tegelijk, dat ze onmogelijk in staat was daar zèlf uit te komen. Integendeel, als God niet voorbij gekomen was, als God niet op haar staat gelet had, als God Zich niet in grote liefde en barmhartigheid over haar ontfermd had en Zich háár lot (er lagen veel méér baby’s!) had aangetrokken, ze was ter plekke jammerlijk omgekomen. Maar God hàd haar lief en God dééd haar opgroeien en God versierde haar met alles wat ze nodig had. Ongevraagd, onverdiend.

Heeft het Verbondsvolk die betoonde en bewezen liefde ook getoond en bewezen in het naarstig onderhouden en bewandelen van de geboden weg van de gehoorzaamheid???

We lezen, Ezechiël 16:15-21: ‘Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, trots op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, uw schoonheid was voor hem! 16 U nam een deel van uw kleding, maakte daarmee voor uzelf de offerhoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is zoiets voorgekomen en het zal nooit meer gebeuren. 17 U nam uw sieraden van Mijn goud en van Mijn zilver dat Ik u gegeven had, en maakte voor uzelf mannenbeelden en daarmee bedreef u hoererij. 18 U nam uw kleurrijk geborduurde kleding en bedekte ze daarmee. U zette Mijn olie en Mijn reukwerk voor hen neer. 19 En Mijn brood, dat Ik u had gegeven, en de meelbloem, olie en honing, die Ik u te eten had gegeven, hebt u hun aangeboden als een aangename geur. Zo gebeurde dat, spreekt de Heere HEERE. 20 U nam uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had en bracht ze als offer voor hen om te eten. Waren uw hoererijen niet genoeg, 21 dat u Mijn kinderen geslacht hebt, ze prijsgegeven hebt, toen u ze voor hen door het vuur liet gaan?’

Lees het vervolg ervan en zie, hoe het Verbondsvolk telkens weer zich heeft afgekeerd in eigenwilligheid en niét wandelde op de weg van het Verbond, de weg van de gehoorzaamheid. Hoe heeft de HEERE daarover getoornd en hoe is Hij haar tegengekomen met Zijn rechtvaardige oordelen. En alle volgende geslachten konden het lezen en zich daarover ontzetten. Maar ze deden dat in grote meerderheid niét, maar verkozen dezelfde wegen of nog erger.

Maar dat beeld van Bruidegom en bruid moeten we vasthouden, want onlosmakelijk daarvan lezen we in Openbaring 22:17: ‘En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets.’ Want de grote bruiloft van het Lam met Zijn duurgekochte bruid is aanstaande.

We kennen het huwelijk tussen één man en één vrouw. Maar zeg nu zelf: tegenover welke andere vrouw heeft die man huwelijksplichten dan tegenover zijn eigen vrouw alleen? Tegenover welke andere man heeft die vrouw huwelijksplichten dan tegenover haar eigen man alleen? De HEERE sluit Zijn Verbond met Zijn volk, Zijn volk alleen. En als dat volk Hem verwerpt, dan roept Hij telkens weer terug tot berouw en bekering. Maar als dat volk in die weg voortgaat, dan roept Hij een rest die voor Hem vreest en voor Zijn Woord beeft en Zijn Verbond in acht neemt niét op om zich af te scheiden, om te scheuren, maar om te profeteren, om te getuigen tegenover de afvalligen, de Verbondsbrekers, hen op te roepen tot berouw en bekering, om het kwaad uit hun midden weg te doen.

En ja, dan worden er vervolgd, gesmaad, gedood. Dan komt de Heere Jezus Zelf. Heeft Hij Zich afgescheiden, heeft Hij Zich losgescheurd van het Verbondsvolk? En niemand kan ontkennen hoe gedeformeerd dat volk en haar leiders waren! Nee, Hij heeft geprofeteerd, getuigd, heeft opgeroepen tot berouw en bekering, is vervolgd, gevangen genomen, gekruisigd, gedood. Pas ná Pinksteren heeft Hij Zijn volk uitgeleid en gezegd, dat Zijn apostelen ook het stof van hun voeten tégen hen moesten afschudden, indien zij zich ook na die laatste oproep tot berouw en bekering bleven verharden in hun verzet en ongeloof. Toen pas. Maar op Gòds tijd, niet eerder; maar ook niet later, naar Zijn Woord.

En zeg nu zelf: Zou het niet zeer vreemd zijn, indien Jezus Christus, het ene Hoofd van Zijn kerk, het recht, de bevoegdheid om af te scheiden, om te scheuren, zou overdragen aan het Verbondsvolk zèlf? Zie opnieuw Ez. 16! Net zo als God het Verbond oprichtte met de mens, met Abram, met Israël, éénzijdig!!!, zo bepaalde Hij ook de wetten en verordeningen in dat Verbond. En nergens lezen we, dat God daarvan afgeweken is; nog minder, dat God aan Zijn volk toestond daarvan in eigenwilligheid af te wijken. En ook in het Nieuwe Testament lezen we iets dergelijks nergens! Wel weten we, dat in de kerkgeschiedenis de kerk zich gehaast heeft om af te wijken in grote eigenwilligheid en willekeur. Maar Jezus Christus heeft in de grote Reformatie Zijn volk weer uitgeleid. Hij Alleen! Soeverein! Hij leidde mensen uit het diensthuis van het pausdom. En daarna in de 19e eeuw in de Afscheiding opnieuw; en daarna in de 20e eeuw in de Vrijmaking opnieuw.

Wat is het kenmerkende? Het Verbond!; het liefhebben van Gods geboden! Want God zèt in Zijn Verbond met Zijn volk Zijn Wet en Zijn verordeningen en bepalingen. En dat Verbondsvolk wandelt met heel haar hart naar al Zijn geboden. En dat Verbondsvolk weerstaat hen openlijk, Lev. 19:17, als er van binnen uit of van buiten af mensen opstaan en trachten het volk van die Verbondswèg te verleiden en af te brengen op wegen van afgoderij, op wegen van eigenwilligheid en willekeur. Daarin blijkt haar volwassenheid in het gelóóf!

En die verleiding vertoont zich dáár, als afval en afdwalingen en valse leer en aanstootgevend leven niét meer openlijk worden weerstaan en bestreden, maar gaandeweg steeds meer oogluikend worden toegestaan, een legale plaats wordt gegeven, vervolgens wordt verdedigd en beschermd, en ten slotte met beroep op omstandigheden of meerderheid of besluiten van kerkelijke vergaderingen tot Norm verheven worden. Maar onderkèn, dat de kerk afgezakt is naar het niveau van een vereniging. En ambtsdragers zijn en gedragen zich weinig meer dan bestuursleden. En zìj gaan heel vaak voorop!

Het noodzakelijk gevolg is en blìjkt!!! telkens weer, dat de heerszucht toeslaat, de partijdigheid een legale plaats krijgt, het bestuur bevoegdheden aan zichzelf toekent, … en zij het gezàg van Gods Woord zichzelf toeëigent. En zijn er leden, die tegen die ontwikkeling en doorvoering profeteren en getuigen, Lev. 19:17, dan is er de ‘kerkelijke weg’ zoals we met elkaar afgesproken hebben. En weigeren ze die te gaan en gaan ze voort met profeteren en getuigen, dan zijn er maatregelen van bestuur en orde, en kunnen ze beter vertrekken. Doen ze dat niet, dan volgen er disciplinaire maatregelen (puur tegengesteld aan wáre kerkelijke tucht en vermaan!). Zie de levensgrote verschillen! Als ‘tegemoetkoming’ kan nog geadviseerd worden lid te worden van een ‘vereniging’ waar men zich (beter) thuis voelt. Maar we blijven onszelf KERK noemen, en de gemeente ‘gemeente van onze Heere Jezus Christus’. Dit beleid wordt bevestigd in de talstelling in vacatures. Het is uiteraard logisch, dat leden, die loyaal zijn aan het bestuur, haar handelwijze, ‘geschikt, bekwaam’ verklaard worden te zijn om die vacature op te vullen.

Dan doet de HEERE de dringende oproep om te onderscheiden, ook in een zeer gedeformeerde kerk: wié wandelt naar de eis van het Verbond en toont daarin Gods geboden lief te hebben? Hij die oproept tot waarachtig berouw en bekering, òf de instantie, haar personen, haar vergaderingen, haar besluiten, die afwijking en ongehoorzaamheid toestaan en verdedigen en beschermen? Meteen blijkt, dat de naam bijzaak is. Alleen het Wóórd van God is bepalend. Nergens heeft de HEERE een Verbond opgericht met rooms, hervormd, gereformeerd, of welke naam ook, met welke nadere aanduiding ook. Maar onderkèn het werk van de duivel, dat hij niet aarzelt alle middelen in te zetten om elke oproep tot bekering verdacht te maken en tot zwijgen te brengen. Helpt dat niet, onvoldoende, dan schrikt hij er niet voor terug om die persoon publiek uit te werpen, in de ban te doen. De duivel niet, zijn volgers niet, de meelopers niet. Jezus Christus wees de weg, telkens weer: er stáát geschreven! Ons ten voorbeeld. De smalle weg voor profeten en getuigen!

Nooit ziet u het omgekeerde! Dit is de éne aangewezen weg sinds de zondeval. De Heere Jezus heeft die weg in volmaakte gehoorzaamheid tot aan het bittere einde afgelopen. Hoe zou Hij daarna ook maar iemand toestaan naar èigen goeddunken te breken, te scheuren, zich af te scheiden??? Ez. 16! Zou Hij als Hóófd Zijn kinderen, Zijn bruid de tegenovergestelde weg leren, of toestaan, of aanwijzen? Dat betekent direct, dat zij, die de waarachtige oproep tot berouw en bekering verwerpen en uitwerpen, zichzelf daarmee verklaren en bewijzen VALSE ‘kerk’ te zijn.

Tegen welke profeet heeft de HEERE gezegd: als het te moeilijk wordt, als je bedreigd wordt, als je niet durft, niet wilt, dan mag je zwijgen, dan mag je vluchten, dan mag je Mijn Woord aanpassen, veranderen, er van af doen, er aan toe doen. Nee!, de opdracht tot het in praktijk brengen van Lev. 19:17 tegenover het volk, haar koning, haar leiders, haar priesters, haar valse profeten, klonk, en stond. En wee de profeet, die weigerde, verzaakte. Wee de profeet die in eigenwilligheid optrad en handelde en sprak. Ik mag toch aannemen, dat in elke theologische opleiding àlle nadruk ligt op de exegese en toepassing en uitvoering en verbreiding van de inhoud van Lev. 19:17??? Evenzo van Psalm 119:47 en 48: UW GEBODEN, DIE IK LIEFHEB. Ja, ook Lev. 19:17.

En ieder, met de gedachte, dat er toch nog Schriftuurlijke preken gebracht en gehoord kunnen worden, móet meteen bedenken, dat de HEERE het nóóit verdraagt, dat Zijn Waarheid vreedzaam náást de duivelse leugen en valsheid kàn staan. Want het gezàg van Zijn Woord is immers al verworpen en uitgebannen? En daarom, de weg van de vernedering betekent zo zuiver mogelijk profeteren en getuigen, vanuit waar gelóóf. Die weg wèigeren, en breken, scheuren, afscheiden op mìjn tijd en wijze is vasthouden aan mìjn hoogmoed en eigenwilligheid. Tegelijk wèigeren de geboden weg van Lev. 19:17 te bewandelen! Tegelijk laten zien, dat ik Gods geboden niét liefheb. En zó kàn er in het Verbond maar één kerk zijn voor het Hoofd, en móeten alle andere groepen en sectes als VALS aangewezen en afgewezen worden. Interkerkeklijkheid is daarom VALS!

De duivel heeft nog een sterke pijl op zijn boog: Johannes 17:21a: ‘OPDAT ZIJ ALLEN ÉÉN ZIJN,’ En dáárom: wat mooi, als er grote herkenning en erkenning over kerkmuren heen is; als er tot kanselruil over kerkmuren heen besloten kan worden; als er samensprekingen op synodaal niveau kunnen worden gehouden om tot eenheid te komen; als we niet meer praten over de verschillen, maar over wat òns samenbindt. Enz. enz. En dan dat suggestieve: dat vindt de HEERE toch ook mooi???

Wat mist? Wat verzwijgt de duivel, zijn volgers? Het vervolg in Johannes 17:21: ‘ZOALS U, VADER, IN MIJ, EN IK IN U, DAT OOK ZIJ IN ONS ÉÉN ZULLEN ZIJN,’ Het bevèstigt alleen maar, dat hier niet meer dan een aantal verenigingsbesturen onderling afspraken met elkaar (proberen te) maken. Nóóit, nèrgens, lees ik in de Schriften, dat er ooit enige verwijdering is geweest tussen Vader en Zoon. Als er dus wèl verwijdering is tussen verschillende ‘kerken’, dan is en was er één, zijn er meerdere, die de Zoon niét volgde en gehoorzaamde. Dat betekent direct het onmogelijke, dat er sprake zou kunnen zijn van herkenning, toenadering. Want welke gemeenschap kan er zijn tussen licht en duisternis? Vgl. Ef. 5:11.

Want nooit horen we iets van waarachtig berouw en bekering over ernstige valse leer en/of aanstootgevend leven die een legale plaats kregen en innamen en hadden. We stappen er – gemakshalve!!! – overheen en concentreren ons tot de situatie en inzichten van vandáág! En opnieuw blijkt, dat het Wóórd van Jezus Christus in die verenigingen!!! geen ènkel gezag heeft of kan krijgen. Wat moet daaruit volgen? Dit, dat de Zoon, de Vader, losgemaakt wordt van het Wóórd. Hoe heeft de Heere Jezus Zelf getuigd, Johannes 14:21: ‘Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, hem zal Mijn Vader liefhebben; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.’ Johannes 14:24: ‘Wie Mij niet liefheeft, neemt Mijn woorden niet in acht; en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft.’ Johannes 15:10: ‘Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf.’

Bewijs: hoe heeft de Heere Jezus Zèlf Lev. 19:17 geleerd en in praktijk gebracht!

Terug naar de interkerkelijkheid. Als die inderdaad voor God zou kunnen bestaan, dan zou God inderdaad Zijn Verbond met tal van kerken (kunnen) hebben. Terug naar het beeld van het huwelijk: dan zou evenzo een getrouwde man huwelijksplichten (kunnen) hebben tegenover tal van vrouwen; dan zou evenzo een getrouwde vrouw huwelijksplichten (kunnen) hebben tegenover tal van mannen. Ieder mens ziet direct de enorme dwaasheid van die stelling. Evenzo zullen we het voor onmogelijk kunnen houden, dat God (ná in Ez. 16 de afvallige en overspelige bruid zó getekend te hebben!) vandaag Zijn zegen verbindt aan interkerkelijkheid, welke vol is van onbekeerlijkheid en onwaarachtigheid en eigenwilligheid.

Inderdaad, interkerkelijkheid is duivelswerk, daarmee mènsenwerk van besturen. En zìj, zìj zullen nóóit er naar jagen alle gemeenteleden ijverig op te voeden tot volwassenheid in het gelóóf, zodat die gemeenteleden ieder zèlf weten te onderkennen en te onderscheiden wat in overeenstemming is met het waarachtige Woord van God. Want dat betekent, dat gemeenteleden vanuit die volwassenheid ook daadwerkelijk invulling geven aan de uitvoering van Lev. 19:17. Op andere leden, op ambtsdragers. Tegelijk, dat ze in liefde verdragen en aannemen, dat ze door andere leden aangesproken en vermaand worden. Hoe openbaart het Hoofd Zelf in Openbaring 2 en 3 hoe daarin invulling werd gegeven, of niet. En dat laatste beslist niet als kennisgeving, maar nadrukkelijk daarbij de indringende oproep tot bekering!

En zó mag u deze brief in deze tijd waarin het coronavirus het gesprek van de dag is beschouwen als invulling en uitvoering van Lev. 19:17.

We zullen ons moeten voorbereiden op de ontmoeting met Jezus Christus om verantwoording af te leggen of wij Hèm gevolgd zijn in het Verbond, òf dat we meer bedacht waren op èigen naam en eer en roem en aanzien, HIER, NU, voor mènsen!

25 april 2020
Bij bovenstaand artikel werden enkele vragen gesteld:
Er wordt veel nadruk gelegd op de eisen in het Verbond; maar er zijn toch ook de genade en liefde en trouw en gunstbewijzen van God?
In het Verbond van God met mensen kùnnen van Gods kant beloften èn eisen slechts in volstrekte harmonie met elkaar (be)staan. Zeker. Immers, in God Zelf is geen enkele tegenstelling. Zo is er géén tegenstelling tussen Gods liefde en goedheid en barmhartigheid en genade èn Zijn toorn en wraak en haat en oordeel óver ònze zonden náár Zijn volmaakte gerechtigheid. Dat eerst.

De tegenstelling ligt bij de mèns, bij mìj, bij òns: wìj verstaan Gods recht en gerechtigheid zo uitermate moeilijk. De oorzaak is onze eigen blindheid en bijziendheid, waardoor wij zeer subjectief en zelfgericht vanuit onze verzondigde en voor God totaal verdorven geaardheid en gezindheid van hart Gods recht en gerechtigheid niét verstaan, niet kùnnen verstaan, niet wìllen verstaan. Dat leidt er meteen toe, dat we de duivel – de vader van àlle leugen! – vanuit onszelf welwillend aanhoren en geloven en vertrouwen.

God heeft de mens vanaf de schepping zeer goed en liefdevol behandeld. Hij richtte Zijn Verbond met hèm op. Niet met de engelen. Voor de mens was er geen ènkele aanleiding om gehoor aan de duivel te geven. Integendeel, de mens moest direct de vàlse voorstelling en de geslépen verdachtmaking en de geraffinéérde beloftes (immers: zònder enig bewijs om die beloftes waar te kunnen maken!) doorzién en ontmaskeren en verwerpen. Maar de mens deed dat niét, maar liét zich verleiden, en zòndigde, en verwierp daarmee het Verbond, dat God met hem had opgericht.

Voor God àlle reden om van Zijn kant het door Hem Zelf opgerichte Verbond te verbreken. Maar God doet dat niét, nóóit! Integendeel, Hij zèt de vijandschap tussen de duivel en de vrouw (moeder van alle levenden). En daarmee bevestigt God dat Verbond in begin. De tégenstelling wordt bevestigd: léven tegenover dóód, gelóóf tegenover òngeloof, licht tegenover duisternis, waarheid tegenover leugen. Met daarin de voortdurende oproep aan de mens(heid): BEKEER U, EN LEEF!

Nu laat de hele Bijbel ons zien, dat de mens vanuit zichzelf – in navolging van de duivel! – de duisternis liever heeft dan het licht. Vervolgens, dat de duivel de duisternis luidkeels verkondigt lìcht te zijn, en de Wáárheid leugen, en de dóód leven. En in ongeloof geloven velen hem en vertrouwen hem op zijn woord.

Zoals we zagen in Jeremia 11 en Deuteronomium 4 handhaaft God Zijn plaats in het Verbond en vraagt Hij volstrekte gehoorzaamheid aan de eisen in dat Verbond. Hoe blijkt keer op keer in de Schrift, dat alle (vormen van) eigenwilligheid voor Hem betekent: mèns, daarmee toont en bewijst u de dùisternis liever te hebben dan het lìcht van Mijn Waarheid. En wéét: Mijn oordeel daarover is volmaakt rechtvaardig!

Ik kàn dat Verbond vanuit mijzelf onmogelijk houden; wij kùnnen dat niet. Jezus Christus kòn dat, dééd dat, volmaakt. Niet voor Zichzelf, nee, voor zòndáren, zoals wìj zìjn, om ons Zìjn gerechtigheid toe te rekenen, alsof wij het zelf gedaan hadden.

Daarom: wij moeten Gods recht en gerechtigheid weer (leren) kennen en liefhebben; we moeten de rechtsgrond voor Zijn Verbond met de mens weer recht verstaan en vanuit waar geloof Hèm geloven en vertrouwen op Zijn Woord en in die weg de duisternis háten en ontvlùchten en zó weer overgaan van de dood in het léven, het léven in en met Hem, de levende God!
———-
De tweede vraag sluit hier nauw op aan. Ik noemde de Reformatie, de Afscheiding, de Vrijmaking. Is dat niet een grote vernauwing? Immers, er gebeurde veel meer in Nederland, in de wereld, op kerkelijk erf. Daarbij: Gods werk, mensenwerk.

Zoals we zagen richtte God Zijn Verbond op met de mens. Jezus Christus, de Paasvorst, Hij die alle macht heeft in de hemel en op de aarde, de grote Koning en Heere in Zijn kerk over Zijn volk, hetwelk Hij regeert door Zijn Geest en Woord, hóe heeft de mens, de kerkmens, zich vanaf de zondeval laten betóveren door de leugen en fantasie, dat de mèns zèlf ook nog wat – iets meer, nog iets meer, veel, heel veel! – mag, kan bepalen, invullen, uitwerken, vaststellen, bùiten het geopenbaarde Woord van God om, tégen het geopenbaarde Woord van God in?

En zoals het joodse volk in grote meerderheid ná Pinksteren hùn Verbondsbreuk bevèstigde door verhardend ongeloof en onbekeerlijkheid! móest de ernstige waarschuwing wel zeer diep ingeprent staan bij de heidenen die ongevraagd, ongezocht door Hem Zèlf werden ingeënt en toegevoegd dóór waar geloof: ZIE!!! die geweldige val van Israël! dóór òngeloof! Daarom: geleid door de Heilige Geest, geleerd door het Woord, laten we Jezus Christus, ons Hoofd, in grote gehoorzaamheid volgen, en daarin volharden. Want we wéten, we kùnnen weten, we móeten weten, wat we over onszelf, over onze kinderen afroepen, als we Israël in al haar wegen van pure eigenwilligheid navolgen.

Maar we luisterden niét, we zagen niét, we herinnerden niét, wij niet, onze vaderen niet. Integendeel, we haastten ons Israël voorbij te komen in het bedenken en uitvoeren en opleggen en afdwingen van eigenwilligheid. En we kregen heel veel volgers en meelopers.

Het Hoofd Zèlf greep in. Hij deed Lev. 19:17 oplichten, zodat mensen in de weg van de gehoorzaamheid, verlicht door de Heilige Geest, onderwezen in de Schriften, spraken, getuigden, het kwaad aanwezen en ontmaskerden, en opriepen het kwaad uit het midden weg te doen en zich daarvan met haast en van harte te bekeren.

Die oproepen werden hartgrondig verworpen, verdacht gemaakt, belachelijk gemaakt, en de personen die dat deden in de ban gedaan, vogelvrij verklaard, uitgeworpen. Hoe nadrukkelijk werd hun openbaar: heb de wereld niet lief, noch haar begeren. Heb God lief, Jezus Christus, Zijn Woord, Zijn Verbond. En als ons dit overkomt, Christus Zèlf heeft ons voorzegd, dat wie Hem volgt dezelfde dingen kunnen aangedaan worden als Hèm aangedaan werden.

Door die haat en dat verzet tégen dat profetisch vermaan bevèstigde de roomse kerk, daarna de hervormde kerk, daarna de gereformeerde kerken, haar Verbondsbreuk. Zij, haar leden! Zij lieten telkens weer blìjken, en bevèstigden, en verhàrdden zich daarin, Christus smáád te verwerpen, de weg van de geboden gehoorzaamheid, de Verbòndsweg, niét te wìllen kennen en te bewandelen. En Chrìstus leidde Zijn kinderen uit! Dat deden ze zèlf niet! Zij getuigden, zij riepen op tot bekering. Alleen, dat getuigenis, die oproepen, ze werden niet verdragen. En die profeteerden, ze moesten zwijgen, ze moesten zich onderwerpen en gehoorzamen aan de leiding, de voorgangers, de ambtsdragers. Waarmee Lev. 19:17 versmald werd (eigenwillig!!!) tot een exclusief iets.

Ziedaar het Verbond. Jezus Christus zet Zijn Verbond voort met hen, die in de weg van de Verbondsgehoorzaamheid wandelen en gaan en volharden. En dùs niét met hen die uitwierpen (in Zijn Naam!), noch met hen die zich van hen afscheurden (eigenwillig!!!), noch met hen die zich (eigenwillig!!!) opwierpen als leiders, als voorgangers, enz. enz.

Toch wordt de léugen volgehouden en geloofd: ook in die kerken en al die andere kerken en groepen blijft God trouw aan Zijn Verbond. En mèt die leugen wordt feitelijk verklaard: al ònze eigenwilligheid is voor God slechts ondergeschikte bijzaak. En daarom is dat geen enkele belemmering in het Verbondsverkeer. En daarmee is Gods Verbondsèis tot het wandelen en leven en volharden in de weg van de Verbondsgehoorzaamheid verworden tot een wassen neus, een papieren tijger. Laten we de onderlinge ‘liefde’ najagen en alles, wat die liefde kan bedreigen ver uit de weg gaan.

Onderlinge tucht, onderling vermaan, toezien op elkaar??? Hooguit nog wat woorden. Één lichaam??? Als één lichaamsdeel geïnfecteerd wordt, dan onderkennen, dat die infectie zich snel kan uitbreiden naar andere lichaamsdelen? Gaan we zo slordig om met onze gezondheid, met die van onze leden? Maar als de kerk het Lichaam van Christus is, dan schuiven we onze verantwoordelijkheid af, graag af, delegeren haar naar enkelen??? Terwijl de Schrift anders gebiédt!

Daarom, onderzoek het ontstaan, de oorsprong, de beweegredenen van hen, die toen leefden en spraken en handelden en besloten. Onderzoek, beoordeel, onderscheid, of hun weg de Verbondsweg was, en bleef, òf een weg van eigenwilligheid. Wij zijn in onze voorouders begrepen, ook in hun daden, ook in hun besluiten, ook in Gods oordeel daarover. We zijn ernstig gewaarschuwd door de joden: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen. Inderdaad, huiveringwekkend!

Gods Woord is zuiver en oprecht, levendmakend. Zijn Verbond is eeuwig, onafhankelijk van aantal, macht, aanzien, invloed. Alleen gegrond op recht en gerechtigheid en waarheid.

——————————————————————————
Dankbaar en blij mag ik u een aantal publicaties van de heer P. de Vries in PDF bestand meedelen onder nieuwe categorie BOEKEN. In deze publicaties beschrijft hij hoe het
Woord van God opening geeft inzake ware en valse kerk, Verbond en Verbondshandel van de Heere met Zijn volk, scheurmakerij en getuigen = profeteren. Tenslotte hoe het Bijbelboek Openbaring een openbáring is en mag zijn voor Gods volk.

Hoe duidelijk blijkt Gods weg met Zijn volk, Zijn kerk, OT en NT, en hoe HIJ, de HEERE, ook in de Nieuw Testamentische kerkgeschiedenis Zijn kerk door machtige daden verlost(e) uit de heerschappij van wrede onderdrukkers, die zich openbaarden in gedeformeerde kerkgenootschappen. Zeker, mensen hadden daarin ook hun plaats en daad, maar het is een enorme blindheid, als we de Here Jezus Christus als Hoofd daarin niét werkzaam zien. Ja, leidend, besturend, beslissend. Inderdaad, als Israël uit Egypte verlost! HIJ toont Zich volmaakt betrouwbaar in het bewaren en houden van Zijn Woord en Verbond, in zegen èn vloek.

Ik ben de Heere dankbaar al deze besproken stof – ordelijk door hem gedurende vele jaren op schrift gesteld – met u te mogen delen. De Heere gaf hem daartoe kracht en wijsheid en inzicht. Hèm alle dank daarvoor!

Hoe wáár blijkt het, dat de Heere gaven geeft aan wie Hij wil en wanneer Hij wil. Daarin is Hij onafhankelijk van iedereen. Met de publicatie van deze boeken mogen we verrijkt worden met de vruchten van die gaven.

Het is waar, het is veel. Tegelijk, het kost inspanning en doorzetting. Tegelijk bevestigt en versterkt het ordelijk en inhoudelijk de gepubliceerde Open Brief aan kerken en sekten.

We bidden de Heere om Zijn zegen over deze publicaties, dat ze veel vrucht geven tot geloof en bekering en herstel. Verwonder u, dat al deze dingen ook in uw Bijbel staan; helaas bleven ze lang onder bedekking. Dat de Heere die bedekking door de werking van Zijn Heilige Geest mag wegnemen.

7 september 2020, BJ Post

Dit bericht is geplaatst in Publiek geplaatste artikelen, gedane uitspraken, en reactie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *