P. de Vries,
Drechterland 15,
8245 EM Lelystad.
Aan Directie en Redactie van het
NEDERLANDS DAGBLAD,
Berkenweg 11,
3818 LA AMERSFOORT.
en het
REFORMATORISCH DAGBLAD,
Laan van Westenenk 12,
7336 AZ APELDOORN.
Lelystad, 5 juni 2026.
Mijne Heren,
Gedateerd 18 mei 2015 schreef ik u een open brief, waarin de betekenis van Pinksteren het uitgangspunt was. Was Pinksteren het begin van de wereldwijde prediking van het evangelie, of was het de aanvang van het werk van de twaalf apostelen als getuigen van Christus Jezus onder de twaalf stammen van het Joodse verbondsvolk?
1. Pinksteren als begin van de wereldwijde prediking van het evangelie
Wie, zoals o.a. Johannes Calvijn, Pinksteren opvat als de opdracht en aanvang van de wereldwijde prediking van het evangelie aan alle creaturen, krijgt te maken met de thans bij velen zo brandende kwestie van “het algemeen aanbod van genade”.
Christus’ offer is genoegzaam voor de verzoening van de zonden van de gehele wereld. Maar toch worden niet alle hoorders zalig. Want alleen wie God het geloof schenkt, is uitverkoren en ontvangt de genade van Jezus Christus.
Daarom wordt gezegd, dat de prediking van het evangelie wel ernstig en welmenend is voor alle hoorders, maar dat Christus toch alleen gestorven is voor de gepredestineerden, ofwel de van eeuwigheid door God uitverkorenen.
En dit probleem geldt dan niet alleen wanneer bij zending en evangelisatie het evangelie verkondigd wordt, maar ook bij de prediking in de kerk: het is dus een algemeen geldend probleem. De kwestie is theologisch aan de orde geweest sedert de reformatoren in de zestiende eeuw. Zij heeft geleid tot grote onderlinge verschillen, tot kerkscheuringen toe (om te beginnen al tussen Luthersen en gereformeerde Calvinisten).
De reformatorische theologie werd hierdoor in hoofdzaak een verkiezingstheologie. Gods verkiezing of predestinatie is daarbij beslissend voor de uitwerking van de evangelieverkondiging bij alle hoorders. De uitverkorenen geloven het evangelie en worden behouden; de niet-uitverkoren hoorders geloven niet en gaan verloren.
2. Pinksteren als de aanvang van het getuigenis van de apostelen
Volgens de Schrift echter is Pinksteren de aanvang van het werk van de apostelen als getuigen van Jezus.
Uitgangspunt in Handelingen is de vraag van de discipelen aan Jezus: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?”
Want Jezus was de Zoon van de Allerhoogste, aan wie de Here God de troon van zijn vader David zou geven en die als Koning over het huis van Jakob zou heersen tot in eeuwigheid en wiens koningschap geen einde zou nemen (Luk. 1:31-33).
Het antwoord van Christus op de vraag van zijn discipelen is dan:
“Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.” Hand. 1:7-8
Getuigen is een “forenzische” bezigheid. Het staat in verband met het récht en de rechtshandhaving. In dit geval is dat het verbondsrecht van de HEERE.
Wat de inhoud van dit getuigenis zou zijn, blijkt zeer duidelijk wanneer de Pinksterdag aanbreekt onder de tekenen van stormwind en vuurtongen. Petrus verklaart dit met de profetie van Joël, als de aankondiging van “de grote en doorluchtige dag des HEEREN”; bloed en vuur en rookzuilen. Zoals in Joëls dagen de verbondswraak van de HEERE kwam over de bondsbreuk van Israël, zo zou nu de bondswraak komen over alle Joden, die Christus niet als Koning en Messias wilden eren, doch zich bleven stellen achter hen, die Hem hadden laten kruisigen. Zij zouden nu gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten. Dat betekent: de ongelovige Joden zouden uit het volk worden uitgeroeid: Hand. 3:23.
Maar wie zich op het getuigenis van de apostelen en discipelen van Jezus zouden bekeren van hun ongeloof en bondsbreuk, en de naam van de Here zouden aanroepen, die zouden behouden worden als leden van het verbondsvolk van de HEERE.
Het is dit getuigenis, dat is uitgegaan tot alle Joden, ook in de diaspora, tot in Rome toe. Dit getuigenis bracht de beslissing voor wie tot Gods verbondsvolk zouden blijven behoren (omdat zij zich bekeerden) en wie uit het verbondsvolk werden uitgeroeid (wegens hun verharding en verwerping van het getuigenis).
3. Pinksteren als het begin van Gods nieuwtestamentische bondshandel
Zo werd Pinksteren de aanvang van Gods bediening van de zegen en de vloek van zijn verbond in de apostolische tijd. De bondswraak roeide de ongelovige Joden uit het volk uit (Christus noemt hen in de Openbaring van Johannes: “de synagoge van de satan”).
Maar de bekeerde en gelovige Joden werden tot de gemeente van Jezus Christus, dat is het gebleven verbondsvolk van de HEERE in het Nieuwe Testament (de 7000 overgeblevenen van Rom. 11:4-5).
Dit was geheel naar het Woord in Joh. 1:11-13, namelijk: wie Christus aannamen, waren de “kinderen der belofte”, maar de ongelovige bondsbrekers waren, gelijk Ismaël, “de kinderen van het vlees”. De apostel Paulus legt dat in Rom. 9 t/m 11 veel breder uit.
Na de beslissing van Hand. 4 werd dat deel van het Joodse volk dat zich achter het Sanhedrin stelde, tot het volk dat zich naar Psalm 2 vergaderde tegen de HEERE en Zijn Gezalfde.
Zij noemden zich Israël, maar zij waren geen Israël meer. Zij waren de vijanden, die als de heidenen van Psalm 2 zich vergaderden tegen de HEERE en Zijn Gezalfde.
Evenmin als Ismaël en zijn nageslacht waren zij nog verbondsvolk van de HEERE. De bondshandel van de HEERE had hen uit het verbond uitgeroeid. Als takken van de olijf waren zij weggebroken wegens hun ongeloof in de Messias Jezus.
Dát was de uitverkiezing door de HEERE van de Joden van de christelijke gemeente, en de verwerping van de Joden van de “synagoge van de satan”.
Het boek Handelingen laat zien hoe deze bondshandel van de HEERE zich voltrok in de apostolische tijd tot aan de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70.
Want dit is de achtergrond van heel het Nieuwe Testament van de Bijbel. Dit is het ook wat Christus in Matt. 24 profeteerde voor heel het toen levende geslacht.
Naar zijn woord was er in die dagen een grote verdrukking, zoals er niet geweest was van het begin van de wereld tot dan toe, en ook nooit meer wezen zou: Matt. 24:21.
4. Begin en einde van de grote verdrukking in de apostolische tijd
Flavius Josefus schreef over de geschiedenis van de opstand van de Joden tegen de Romeinen in die tijd.
Prof. D. Holwerda leidde uit de beschrijving van de tijdsaanduiding in Openb. 17:10, in het geheel van dan hoofdstuk, af, dat Johannes de Openbaring ontving rond september van het jaar 67. (Zie zijn boek “De Schrift opent een vergezicht”, blz. 477).
Vele ongelovige Joden hadden de verlossing door Messias Jezus verworpen en veracht en zij zochten op hun eigen manier naar een “herstel van het koningschap voor Israël”. Paulus zegt: zij onderwierpen zich niet aan de gerechtigheid van God, maar trachtten hun eigen gerechtigheid te doen gelden (Rom. 10:3).
De opstand tegen Rome liep uit op de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel.
Jeruzalem was tot Babylon geworden (Openb. 17-19) en wie niet uit dat Babylon was uitgegaan, ontving nu mede van haar plagen.
De grote verdrukking door de strijd tegen het getuigenis had ook Johannes op het eiland, genaamd Patmos, gebracht, waar hij Christus’ openbaring ontving voor de zeven gemeenten in Asia. In Openb. 5 lezen we over de verhoging van Christus en zijn ontvangst van de boekrol met de beschrijving van Gods tijden en gelegenheden voor het herstel van het koningschap voor Israël. Daaruit blijkt vervolgens hoe de HEERE door Jezus Christus in de dagen van het apostolisch getuigenis de 3×7 bondsoordelen voltrok naar Leviticus 26.
7 zegels, 7 bazuinen, 7 donderslagen, afgesloten door de 7 laatste plagen naar Lev. 26:27-39.
Dit was de bediening van de verbondswraak over het ongelovig en kerkvervolgende Jeruzalem in die apostolische tijd. Na de verwoesting van dat “Babylon” gaf de HEERE, gelijk ook in de profetie van Jesaja 65, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en schiep Hij Jeruzalem tot jubel en Zijn volk tot blijdschap. En, zoals Ezechiël mocht profeteren voor het herstel van het koningschap voor Israël (zie bijv. Ezech. 37:24) na de babylonische gevangenschap (Ezech. 36 t/m 48), zo deed God, de HEERE naar Openb. 21-22 ook Zijn verbondszegen komen over de uit “Babylon” verloste kerk van Jezus Christus. Want “stromen van levend water” vloeiden uit het binnenste van de getuigen van Jezus (Joh. 7:38), gelijk uit de tempelbeek van Ezech. 47. En wie dorst had mocht drinken van het water des levens om niet (Openb. 22:17).
Dat was het beginsel van de eeuwige vreugde in het nieuwe Jeruzalem, de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.
5. De vervulling van Gods bondshandel in het Nieuwe Testament
Christus zegt in Matt. 5:17-18:
“Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.”
Naar o.a. Deut. 7:6 had de HEERE heel het volk van de Israëlieten uitverkoren om zijn verbondsvolk te zijn.
Hij verklaarde daarbij, dat Hij de trouwe God is, die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden – tot in duizend geslachten. Maar aan ieder persoonlijk van hen die Hem haten zou Hij vergelding oefenen door hem te gronde te richten.
Heel de geschiedenis van het verbondsvolk in het Oude Testament bevestigt dat: de dood voor de bondsbrekers, het leven voor de bondsgetrouwen!
Welnu, deze verbondshandel in de bediening van de zegen en de vloek onder het Oude Verbond zet de HEERE dus voort in het Nieuwe Testament.
Dit geschiedt thans niet in schaduwachtige vorm, maar naar de werkelijkheid van Christus (Col. 2:17).
Dat wil zeggen: de bondswraak komt nu niet meer in de vorm van een lichamelijke dood door honger, pest of vijanden, maar door de uitroeiing uit het leven in het verbond en het verbondsvolk.
Dit is het dan ook wat zich voltrekt in de tijd van de apostelen: de messiasverwerpende Joden worden uit het verbond en het verbondsvolk uitgeroeid; de Joden die zich bekeerden en in Jezus geloofden als de Messias, werden behouden en bleven in Gods verbond en de verbondsgemeente ofwel de gemeente of kerk van Christus.
Het is dus deze verbondshandel in de bediening van de zegen en de vloek door God en Zijn Christus, die zich voortzet na de apostolische tijd totdat “de aarde vergaat”.
6. Gods bondshandel bepaalt ook heel de nieuwtestamentische kerkgeschiedenis
Openb. 20 voorzegt, dat na duizend jaar de satan uit zijn gevangenschap zal worden losgelaten, en dat hij dan zal uitgaan om naar Psalm 2 opnieuw de volkeren (nl. Van de kerk, vgl. Hand. 4) te vergaderen tegen de HEERE en Zijn Gezalfde.
Die volkeren worden dan aangeduid als “Gog en Magog”. Dat is naar Ezech. 38-39. Daarmee wordt tot troost voor Gods getrouwe bondsvolk verzekerd, dat de HEERE ook dan evenzo zijn volk totaal zal verlossen van al hun en Zijn vijanden. Want Zijn Woorden en beloften blijven van kracht tot in het laatste nageslacht. Immers, God is getrouw, Hij handelt altijd weer naar Zijn trouwverbond in zegen en vloek.
Zoals daarom de ongelovige Joden in de apostolische tijd werden gemaakt tot synagoge des satans, zo zullen ook later op gelijke wijze de bondsbrekers van de gedeformeerde kerk worden gemaakt tot kerk van de satan, ofwel “VALSE KERK” (art. 29 NGB). Die valse kerk bestaat dan, evenmin als de uit Gods verbond uitgeroeide Joden, uit bondsvolk van de HEERE, maar uit een vergadering van het slangenzaad.
Dit moeten wij dus in de kerkgeschiedenis, ook na de 1000 jaar van Openb. 20, opmerken. Want wie slaapt, en niet waakt, overkomt dit, terwijl hij blind is voor de realiteit van Gods verbondshandel.
7. Optreden van de twee getuigen blijft naar de Schrift vereist
De toedracht van dit worden tot valse kerk geschiedt na de apostolische tijd op dezelfde wijze als geopenbaard in het Nieuwe Testament.
Wanneer een kerk gedeformeerd is, mogen de bondsgetrouwen zich evenmin van haar afscheiden als de Here en Zijn apostelen hebben gedaan.
Elk volwassen gelovige heeft de plicht om als getuige op te treden tegen de openbare kerkzonden.
Pas als het beest (dat is de verdorven leiding binnen de ontrouwe kerk: dominees, kerkenraden, synodes, e.d.) de getuigen doodt is het getuigenis voleindigd. Dan noemt de Geest zo’n kerkgemeenschap “Sodom” en “Egypte” en later “Babylon”. Uit die dan op die wijze tot valse kerk geworden gemeenschap moet Gods ware volk uitgaan (Openb. 18:4).
8. Gods tijden en gelegenheden in de kerkgeschiedenis
Toen in de zestiende eeuw Maarten Luther en vele andere getuigen kerkelijk gedood werden door de pauselijke kerk, kwam Gods verbondswraak over allen die Rooms werden: zij werden daardoor uitgeroeid uit Gods verbondsvolk.
Ook bij de Afscheiding van 1834 en de Vrijmaking van 1944 werden de getuigen kerkelijk gedood. Naar Gods Woord waren daarna Hervormden en Synodaal-Gereformeerden geen bondelingen meer van de HEERE, maar gedoden naar het aloude bondsrecht van God.
In de zestiger jaren van de vorige eeuw hebben wij openlijk getuigd tegen de loochening van heel deze bondshandel van de HEERE in de kerkgeschiedenis. Volgens prof. C. Veenhof en steeds meer anderen was de Vrijmaking geen verbondswraak over de Synodalen en waren alle gedoopte mensen bondelingen van God.
Na onze kerkelijke buitensluiting in 1968 werden wij tenslotte op de Generale Synode van Hattem in 1972 veroordeeld als brengers van een vreemde of valse leer. Niet één kerk in binnen- of buitenland veroordeelde deze valse leer en besluiten. Sedertdien leven wij in Nederland kerkelijk in een Babylonische ballingschap. Alleen als het tegenwoordige “dal vol dorre doodsbeenderen” door de HEERE tot leven wordt gewekt, kan er een nieuw Jeruzalem komen van een geherinstitueerde christelijke kerk.
Maar dat kan ook nu alleen na een publieke, concrete schuldbelijdenis zoals in het gebed van Daniël 9.
Want de offeranden Gods zijn een verbroken geest: een verbroken en verbrijzeld hart veracht God niet. Dan zal de HEERE wel doen aan Sion en ook nu de muren van Jeruzalem bouwen. Psalm 51.
9. Het getuigenis komt tot het verbondsvolk van de HEERE
De apostel Petrus spreekt op Pinksteren de Joden, die Christus door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood hadden, aan als “Mannen broeders”.
En aan het slot van zijn toespraak zegt hij tegen hen: “Want voor u is de belofte en voor uw kinderen…” (Hand. 2:39).
Na de genezing van de verlamde bij de Schone Poort in Hand. 3 zegt hij, dat zij “uit onkunde zo gehandeld hadden”- “gelijk ook uw oversten”. En dan besluit hij met de woorden: “Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden.
God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door eenieder uwer af te brengen van zijn boosheden.” Hand. 3:25-26.
Alle Joden behoorden dus op de Pinksterdag nog tot Gods verbondsvolk. Want Christus had nog bij Zijn kruisiging gebeden: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Het was dus niet zo, dat de discipelen, die op de Pinksterdag allen tezamen bijeenwaren (Hand. 2:1), reeds toen vergaderd waren als de afgezonderde christelijke gemeente van Christus, de ware kerk. Zij begonnen op Pinksteren niet met de prediking tot alle creaturen ter vergadering van de christelijke kerk van het Nieuwe Verbond. Neen, alle Joden vormden toen nog het wettige verbondsvolk van de HEERE. Zij waren het volk van Gods verbond, tot wie Christus was gekomen: “de Zijnen”, die Hem niet hadden aangenomen (Joh. 1:11). Hun ongeloof in Jezus als de Christus des HEEREN, was juist de boosheid, waarvan Jezus hen nu door het getuigenis van zijn discipelen wilde afbrengen.
Dat heil voor het verbondsvolk Israël was zo groot, dat ook de heidenen dat zouden zien. Vele heidenen zouden daarom ook tot dat volk Israël willen gaan behoren om deel te krijgen aan dat heil van Christus voor Zijn bondsvolk Israël.
En Christus zou hen dan als de Goede Herder leiden, en het zou worden: “één kudde, één herder”. Joh. 10:16.
De Joden, die zich na Pinksteren bekeerden bleven dus bondelingen en de heidenen, die zich (na Hand. 11:19 e.v.) bekeerden werden bondelingen. Evenals Israël waren zij “kinderen der belofte” (Gal. 4:28). Als ongelovige heidenen waren zij eertijds uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte. Maar de muur, die in de tempel scheiding maakte tussen Joden en heidenen, was nu weggebroken (Ef. 2:11-21).
Dit was het evangelie van Jezus Christus, dat naar Matt. 28:19 al de volken tot Jezus’ discipelen moest maken en hen door de doop moest inlijven in het verbondsvolk van de HEERE. Zo kwam de zegen van Abraham tot alle volken.
“God zal ze zelf bevestigen en schragen en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen als in Isrêl ingelijfd, en doen de naam van Sions kind’ren dragen.” Ps. 87, vs. 4.
10. Geloven om bondeling te worden of leven als bondeling
Hieruit zien we dan ook het grote verschil met hen, die Pinksteren opvatten als het begin van de prediking van het evangelie aan alle volken.
De inhoud van die prediking wordt in hoofdzaak aangewezen in de tekst van Joh. 3:16: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.”
Nu zegt men: die prediking komt dus tot de wereld, dat is tot alle mensen, die het te horen krijgen.
Vanuit die wereld worden zij, als zij tot geloof komen, opgenomen in Christus’ kerk. Zij leefden dus buiten Gods verbondsvolk, maar door het geloof gaan zij daartoe behoren en daarin leven. Zo worden zij als kinderen van het verbond aangenomen. Zij komen dus van buiten naar binnen Gods kerk. Zij waren niet Gods volk, maar zij werden wel Gods volk.
Dit evangelie predikt men nu ook in de kerk. Want in die kerk bevinden zich vele ongelovige hypocrieten. Ook binnen die kerk wordt dus gepredikt, dat er bekering en wedergeboorte nodig zijn om echt lid van Gods kerkvolk te worden en te blijven.
Het geldt dus altijd; zowel buiten als binnen de kerk: “alleen wie in Christus gelooft, gaat niet verloren, maar ontvangt het eeuwige leven. Uit “de wereld” komt hij in Christus’ kerk. De vraag is dus altijd: gelooft u in Christus? Zo ja, dan behoort men tot Gods uitverkorenen in het verbond. Zo neen, dan staat men buiten en gaat men verloren.
In de praktijk van het geloofsleven leidt dit tot een voortdurend zelfonderzoek of men wel gelooft en uitverkoren is. Vele “bekommerde zielen” vinden daarover nooit zekerheid, of pas op het laatste moment op hun sterfbed.
Maar Gods Woord leert het ons gans anders. De HEERE zegt in Deut. 7:6, dat Hij HEEL het volk Israël heeft uitverkoren om Zijn verbondsvolk te zijn.
De apostel Petrus herhaalt dat in het Nieuwe Testament voor heel de christelijke kerk: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; u, eens niet Zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in Zijn ontferming aangenomen.” I Petr. 2:9-10.
Alle Israëlieten onder het Oude Verbond en alle kerkleden in het Nieuwe Verbond ZIJN dus BONDELINGEN. Zij behoeven niet door de prediking nog tot bekering te komen om in Gods verbond te worden OPGENOMEN. Neen, zij zijn allen leden van Gods verbondsvolk.
Daarom moeten ook alle kinderen van de kerk worden gedoopt als teken van het verbond waartoe zij behoren.
Maar vanuit die positie – ik ben lid van Christus’ kerk – moet men nu levenslang, ook zijnerzijds, dat verbond houden door God lief te hebben en naar Zijn geboden te leven.
Wie dat niet doet, en in ongeloof het verbond (waarin hij dus werkelijk was opgenomen) verbreekt, die wordt door Gods verbondswraak uit het verbond uitgeroeid. De kerk moet hem excommuniceren en dan behoort hij met zijn ongelovige kinderen NIET meer tot Gods verbondsvolk en Christus’ ware kerk.
Met “de wereld” in Joh. 3:16 bedoelt de Here Jezus daarom ook de wereld van de toenmalige Joodse kerk of bondsgemeenschap. Hij plaatst Zijn woord van Joh. 3:16 in het verband van de verbondsgeschiedenis van Num. 21:4-9. De Israëlieten die murmureerden tegen de uitleiding door de HEERE uit Egypte, werden tot straf gebeten door vurige slangen, zodat velen stierven. Op voorbede van Mozes werd er toen een koperen slang gemaakt, die verhoogd werd op een staak; wie gebeten werden door een slang en daarnaar opzag, die bleef in leven.
Tot Nicodemus zegt Christus nu: zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die gelooft in Hem, eeuwig leven hebbe.
Christus Jezus werd verhoogd aan het kruis, en na Zijn opstanding werd Hij door God verhoogd in de hemel.
Allen, die in geloof naar deze Heiland opzien, blijven in leven. Dat gold dus in de eerste plaats voor alle Joden in Jezus dagen; zij zouden niet door Gods bondswraak uit het leven in het verbond worden uitgeroeid als zij in Jezus geloofden. Want God had Zijn Zoon niet in “de wereld” gezonden opdat Hij “de wereld” veroordelen zou (door alle ontrouwe bondelingen uit te roeien), maar opdat die Joden nog behouden zouden worden.
En ja, nadat na Pinksteren de scheidsmuur werd weggebroken, zou dat ook gelden voor alle heidenen: als zij tot geloof kwamen werden zij opgenomen in Gods kerk of verbondsvolk en dan zouden ook zij behouden worden!
Op die manier slaat “wereld” dan ook op alle heidenen, die zouden geloven in Christus Jezus als de Redder of Zaligmaker van Zijn volk. Zij zouden dan in Israël worden ingelijfd: als “wilde takken” zouden zij worden geënt op de olijf van Gods verbondsvolk.
Maar heel de geschiedenis van de koperen slang betrof het verbondsvolk, Israël in de woestijn, de Joden in de dagen van Jezus op aarde.
Men mag daarvan niet een algemeen verhaal maken voor heel de ongelovige wereld.
Het evangelie is wat de apostel Paulus in Rom. 11:26 aldus samenvat:
“De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is Mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.”
11. In plaats van Gods gerechtigheid in de reformatie van de kerk te loven, roemt men in de eigen gerechtigheid van scheurmakingen
De HEERE heeft altijd weer “Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt”. De sabbat om Zijn schepping van hemel en aarde te gedenken, en ook de verlossende uittocht uit Egypte (Deut. 5:15). Het Pascha en de andere feesten: telkens moesten de Israëlieten de grote verlossingswerken van de HEERE in gedachtenis houden, opdat zij de HEERE zouden kennen en liefhebben.
We kunnen wel zeggen, dat ons daartoe al de Schriften van Oud- en Nieuw Verbond gegeven zijn.
Ook Psalm 78 gaat daarover. De roemrijke daden van de HEERE in heel de verbondsgeschiedenis moesten verteld worden aan de kinderen opdat zij de HEERE zouden kennen en dienen. Wanneer dat niet gebeurde was dat de oorzaak van ontrouw en afval van de geslachten in Israël. Juist ook de verbondshandel van de HEERE met Zijn volk in zegen en vloek gedurende Israëls geschiedenis moest bekend en verteld worden. Als dat niet gebeurde, was dat steeds weer de oorzaak van ontrouw, afval en bediening van de verbondswraak door de HEERE (zie bijv. Richt.2:10 e.v.).
Welnu, dit geldt ook voor de kerkgeschiedenis van het Nieuwe Testament. Juist op dit punt is het misgegaan in de Grote Reformatie van de zestiende eeuw.
Calvijn zag wel de grote deformatie in de toenmalige kerk. Maar hij onderkende niet daarbij de bondshandel van de HEERE overeenkomstig Zijn geopenbaarde Woord. De HEERE kwam met Zijn verbondswraak over de bondsbreuk en afval in de pauselijke kerk, waardoor de Roomsen werden uitgeroeid uit Zijn verbond, evenals de Joden van de synagoge van de satan. Maar de reformatoren scheidden zich af van de valse Roomse Kerk wegens haar gebreken. Zo beschouwd werd dat een “kerkreformatorisch werk” van mensen, in plaats van het verbondswerk van de HEERE.
Calvijn en de anderen hebben niet de HEERE zien werken in hun dagen met de voltrekking van de verbondswraak over al de kerkzonden in de Middeleeuwen en daarvoor. De nieuwtestamentische bondswraak, zoals die naar de Schrift over de ongelovige Joden was gekomen, hebben zij niet overeenkomstige wijze over de Roomsen zien komen. Daardoor werd de Reformatie een afscheiding van de Roomse Kerk wegens haar grote zonden en gebreken.
Calvijn waarschuwde wel: men moet zich niet afscheiden wegens geringe zonden in de kerk. Maar zo werd de deur opengezet voor kerkscheuringen wanneer mensen zich stootten aan allerlei ergernissen in de kerk.
De mensen gingen bepalen of en wanneer de deformatie in de kerk groot genoeg was om tot afscheiding over te gaan. De bondshandel van de HEERE, zoals geopenbaard in Zijn Woord – vooral ook in de apostolische tijd – werd niet gezien en opgemerkt. Het boek Openbaring, dat juist heel Gods bondsoordelen over de Joden in de apostolische tijd tot en met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel beschrijft, overeenkomstig de zevenvoudige verbondswraak van Lev. 26, was een gesloten boek.
Noch Luther, noch Calvijn kon daarmee overweg.
Zo waren wat dit betreft de Schriften gesloten en onderkende men ook niét de bondshandel van de HEERE in de Grote Reformatie. Daardoor werd de Reformatie hoofdzakelijk gezien als een herstel van de prediking van het evangelie aan alle creaturen. Met alle kwade gevolgen wat de Calvinisten betreft in de ontwikkeling van de verkiezingstheologie. Daardoor ontstond tevens de opvatting, dat men, bij grote gebreken in de kerk, zich van haar moest afscheiden en een nieuwe, gereformeerde kerk moest institueren. De beslissingen daartoe moesten dan door mensen – leidslieden – genomen worden.
Dit is uitgelopen op de grote “kerkelijke verdeeldheid” van tegenwoordig.
In plaats van de gerechtigheid van de HEERE, die in heel de bonds- of kerkgeschiedenis handelt naar de vaste en bekendgemaakte rechten van Zijn verbond, in de bediening van de zegen en de vloek, volgde men zijn eigen gerechtigheid door zich te onttrekken en eigen kerken te stichten als men oordeelde dat de bezwaren onoverkomelijk waren.
12. Onmondig kerkvolk of volwassen gelovigen
Wanneer men Pinksteren opvat als het begin van de evangelieprediking in de hele wereld, leidt dat tot een verkiezingstheologie, die veelomvattend is. Er komen dan geleerde theologen, die daarvan kennis hebben, en sommige ingeleide kerkleden met mystiek bevindelijke kennis, die veel aanzien genieten.
De geschriften van oudvaders, oude schrijvers en andere doorgeleide mensen staan hoog genoteerd wat kennis van de zogenaamde “heilsorde” betreft. Boekenkasten vol kan men verzamelen met de lectuur van binnen- en buitenlandse stichtelijke werken op dat gebied.
Het doorsnee kerklid heeft daarvoor de nodige eerbied en laat zich levenslang daarin onderwijzen zonder dat hij of zij zelfstandig leert nadenken en dat alles kan toetsen aan de Heilige Schrift. Men gaat af op het onderwijs van deze verkiezingstheologen en waagt het niet daaraan te twijfelen, want “zij hebben gestudeerd en zullen het toch wel weten.”
Christus had het voortdurend aan de stok met dergelijke schriftgeleerden en Farizeeën, die het kerkvolk in hun hart verachtten als: “de schare die de wet niet kent”. Maar de Here Jezus koos zich juist eenvoudige vissers en gewone mensen als Zijn discipelen, en onderwees hen, zodat zij vervolgens konden optreden als Zijn getuigen en apostelen.
Dit is dan ook het grote verschil wanneer we Pinksteren verstaan als het begin van het optreden van de discipelen van Jezus.
Een getuige moet, om dat te kunnen zijn, de nodige kennis en inzicht hebben. Bijvoorbeeld een getuige onder het Oude Verbond moest, net als tegenwoordig een politiefunctionaris of Officier van Justitie, terdege kennis hebben van het recht (des HEEREN) om te weten wanneer en hoe hij als getuige moest optreden.
Daarom worden in het Nieuwe Testament alle volwassen kerkleden opgeroepen om volwassen te worden in het geloof en kennis te verwerven van heel de dienst van de Here.
Efeze 4:11 zegt daarom, dat Christus daartoe gaven geeft van onderwijs om alle kerkleden volwassen te maken, zodat zij heel hun ambt en plicht kunnen volvoeren:
“En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus. Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel van mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde.” Ef. 4:11-16.
De roeping van de oudsten en voorgangers in de kerk is dus om zich “het vuur uit de sloffen te lopen” om alle eenvoudige kerkleden volwassen te maken in het geloof, zodat zij ook hun taak als getuigen kunnen uitvoeren.
De gewone leden moeten wassen, de voorgangers moeten minder worden. Helaas ontstaat er steeds weer een hiërarchie van voorgangers, die niet verstaan hoe ontzettend belangrijk juist die taak is om alle kerkleden volwassen te maken in geloof en dienst in het ambt aller gelovigen.
Van nature kiezen velen voor de melk en niet voor de vaste spijs.
Als gevolg hiervan werd na het wegvallen van de apostelen, ook de roeping, om waar nodig getuige te zijn, tot een onbekende, ja, zelfs tot een veroordelingswaardige zaak.
En dat is eigenlijk in heel de nieuwtestamentische kerkgeschiedenis zo gebleven. “Getuigen” waren “exlex”: “bezwaarden” moesten het zijn. Dat hield in, dat niet het recht van en naar Gods Woord als gezaghebbend gold, maar dat beslissend werd wat de “bevoegde instanties”, d.w.z. kerkenraden en meerdere kerkelijke vergaderingen (synoden) bij meerderheid van stemmen bepaalden.
Zo ontstonden dan tenslotte valse kerken, die zichzelf meer macht en autoriteit toeschreven dan Gods Woord; en die daarom de getuigen doodden.
Dit is precies wat de Schrift zegt in Openb. 11.
In de gedeformeerde kerk gaf Christus Zijn twee getuigen last om te profeteren, 1260 dagen lang.
Maar wanneer zij hun getuigenis voleindigd hebben (en dat maakt ook de Here alleen uit!), zal het beest, dat uit de afgrond komt hun de oorlog aandoen, en het zal hen overwinnen en doden. Hun lijk zal dan liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk Sodom en Egypte genaamd wordt, alwaar ook hun Here gekruisigd werd.
Sodom: daaruit moest Lot weggaan. Egypte: daaruit leidde de HEERE Zijn bondsvolk uit. Uitgaan uit Babylon, zegt Openb. 18:4.
Zo geeft Openb. 11 precies aan hoe de Here Zijn kerk reformeert:
1. Hij zendt Zijn getuigen tegen het bondsbrekend Jeruzalem, de kerk
2. Zijn getuigen leveren het bewijs van het kwaad in de kerk en roepen op tot bekering.
3. De ongehoorzame leiding komt in handen van duivelse voorgangers, die de getuigen doden.
4. Het getuigenis is dan door de Here voleindigd en de heilige stad wordt tot valse kerk.
Hiermee blijkt hoe bepalend de rol van de getuigen is, wanneer een kerk tot valse kerk wordt.
Daarom doet de duivel er alles aan om de kerkleden onvolwassen te houden, zodat zij niet hun plicht als getuigen verstaan, en zij als onmondige kinderen verleid worden door het valse spel van tot dwaling verleidende sluwe mensen.
DE SLOTSOM
IK GELOOF ÉÉN HEILIGE, ALGEMENE CHRISTELIJKE KERK, DE GEMEENSCHAP DER HEILIGEN
Dit is het negende artikel van het Algemeen, Ongetwijfeld Christelijk geloof.
Daarvoor geldt ook wat de belijdenis van Athanasius zegt:
“Zo wie wil zalig zijn, dien is vóór alle dingen nodig, dat hij het algemeen geloof houde. Zo iemand dit niet geheel en ongeschonden bewaart, die zal zonder twijfel eeuwig verloren gaan.”
Het is absoluut ONMOGELIJK, dat er zoveel christelijke kerken zouden zijn als zich heden als kerkformatie aandienen. Er kan maar ÉÉN ware kerk zijn, want er is maar ÉÉN Hoofd van de kerk: onze Here Jezus Christus. Hij wandelt tussen de kandelaren, dat zijn de plaatselijke gemeenten van Zijn ene kerk. De heerlijkheid van Christus is zo overweldigend groot, dat Johannes toen hij Hem zag, als dood voor Zijn voeten viel (Openb. 1:17).
Hij verklaart in Matt. 28:18:
“Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.”
Hij wil, dat de Zijnen één zijn zoals Hij één is met Zijn Vader (Joh. 17:11). Daarom IS er die eenheid; en wie dat ontkennen zijn leugenaars!
Christus wandelt temidden van de kandelaars en bedient hun de rechten van Gods verbond in zegen en vloek.
Wanneer zij tegen Zijn geboden handelen en zich ondanks vermaningen niet bekeren, komt Hij, en neemt Hij de kandelaar bij hen weg: d.w.z.: dan houden zij op kerk van Hem te zijn.
Hij is ook, naar Openb. 5 e.v. het Lam, staande als geslacht, dat waardig is om de zegels van de boekrol met Gods bondsoordelen te openen, waardoor zij worden uitgevoerd.
Dit is het wat zich heeft voltrokken in de bediening van de zevenvoudige vloek èn de zegen van het verbond in de apostolische tijd. Hij verandert nooit, en daarom heeft Hij ook in latere eeuwen door de bediening van Gods verbondswraak de bondsbrekers uit Zijn kerk uitgeroeid.
Hij geeft bij kerkelijke bondsbreuk aan Zijn twee getuigen last om te profeteren. Wanneer de getuigen gedood worden door het beest uit de afgrond (de door satan beheerste leidslieden in de kerk) wordt die kerk een Sodom of Egypte, ja, een Babylon, in plaats van een christelijke kerk. Uit die VALSE kerk moeten allen die tot Gods volk behoren, uitgaan, willen zij niet mede ontvangen van haar plagen (Openb. 18:4).
Wanneer we nu de kerkgeschiedenis nagaan, zien we in ons land 4 maal een dergelijke crisis komen, waarbij Christus door de bediening van de bondswraak van de HEERE bondsbrekers uit Gods verbond en kerk uitroeide.
1. In de zestiende eeuw werden door de pauselijke kerk de getuigen tegen haar zonden gedood. Daardoor werden de Roomsen uit Gods verbond uitgeroeid, gelijk de Christusverwerpende Joden dat in de eerste eeuw overkwam. Alleen als zij niet bij het roomse ongeloof blijven, kunnen roomse mensen opnieuw geënt worden op de olijf van Christus’ ware gereformeerde kerk.
2. In de Afscheiding van 1834 werden de getuigen tegen de doorwerking van de ongeloofsleer van de Verlichting in de Nederlands Hervormde Kerk gedood. Hierdoor werd de Ned. Herv. Kerk tot een valse kerk, gelijk de ongelovige Jodenn in de eerste eeuw tot synagoge van de satan werden. “Gaat uit van haar!” was de enige redding voor de Hervormden.
3. In de Vrijmaking van 1944 werden voorgangers die de door de synodes opgelegde valse verkiezingsleer niet accepteerden, gecensureerd en afgezet. Op die manier werden de Synodale Gereformeerde Kerken tot valse kerken en hielden haar leden op bondelingen te zijn.
4. In de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw werden de getuigen tegen de loochening van Gods bondshandel in heel de Schrift en de geschiedenis van de kerk (speciaal ook in de Vrijmaking van 1944) veroordeeld en buitengesloten. Zo werden ook de Vrijgemaakten uitgeroeid uit Gods verbond en kerk.
Hiernaast hadden tal van scheurmakingen plaats door bezwaarden en andere malcontenten.
Zij geloofden niet in de bediening alleen door Jezus Christus van Gods verbondswraak.
Daarom namen zij het recht in eigen hand, onttrokken zich, en vormden eigen scheurkerken of sekten.
Dit was de praktische verloochening van Christus als de enige Zaligmaker en Hoofd van Zijn kerk.
Allen die zich zo onttrokken, worden niet behouden (Hebr. 10:38b).
Zo is nu de kerkelijke toestand hier in Nederland al meer dan 50 jaar gelijk die tijdens de babylonische ballingschap onder het Oude Verbond.
Toen gaf de HEERE opstanding en wederkeer en de bouw van een nieuw Jeruzalem volgens Jes. 65, nadat Daniël in Dan. 9 schuldbelijdenis deed en bad om ontferming. Ezechiël mocht profeteren van de opstanding van het dal vol dorre doodsbeenderen en de wederkeer naar het land der beloften van “gans Israël”.
Ook in Openb. 21-22 gaf de HEERE een nieuw Jeruzalem na de bondswraak over de ongelovige Joden.
Alleen na bekering en berouw en belijdenis, dat de HEERE rechtvaardig was in Zijn oordelen, is daarom ook thans hier in Nederland wederkeer te verwachten van velen, die zijn weg gezworven in allerlei valse kerken, scheurkerken en sekten.
Dat zullen dan zijn: “naar de verkiezing geliefden om der vaderen wil” (vgl. Rom. 11:28 en Lev. 26:40-45).
Op dit moment echter leeft u allen onder Gods toorn. En omdat u niet uit God bent, leeft u in velerlei zonden, terwijl u daar volkomen blind voor bent.
Bekeert u dan toch en leeft!
Zoals het nu is kunt u niet zonder verschrikken voor God verschijnen.
Als u tegenwerpt: wij hebben toch de Here gediend en liefgehad, zal Hij zeggen: Gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid, Ik heb u nooit gekend!
De waarheid en werkelijkheid hiervan kunt u alleen inzien als u het voorgaande toetst aan het Woord van God en als de Here u door Zijn Pinkstergeest de ogen opent.
Tot op heden hebt u zich verhard en het getuigenis gesmoord en doodgezwegen.
Gods toorn over een dergelijk kwaad is zeer groot! Temeer omdat u als inlichters en voorlichters op die manier verhindert, dat dit getuigenis vele misleiden en dwalenden bekend wordt tot hun behoud. I Thess. 2:15-16.
Kyrië eleison!
Hiermede willen wij instemmen met het getuigenis naar de Schriften in bovenstaande brief. Want de feiten van de Nederlandse kerkgeschiedenis bewijzen heden, dat God, de HEERE, Zijn verbondswraak heeft bediend. Daardoor verkeren wij thans kerkelijk in een “babylonische ballingschap”. Moge de HEERE over u en velen Zijn Geest van genade en gebeden uitstorten, opdat er een algemene rouwklacht in dit land worde aangeheven (vergelijk Zach. 12:10 e.v.). In dat geval kan God ook nu het dal van dorre doodsbeenderen doen herleven, en kan na wederkeer Jeruzalem herbouwd worden.
B.J. Post D. Post-Grimmerink
Van Limburg Stirumstraat 13,
7691 AX Bergentheim.